OORLOGSOORZAKEN: THEORIEňN III

DOOR: J.M.G. VAN DER DENNEN

5. De psychologische school

"Zum Hassen oder Lieben ist alle Welt getrieben" (Brentano)

Als de psychologische school zullen we die auteurs behandelen die de mens, de menselijke 'natuur', de menselijke motieven en hartstochten als de primaire oorlogsveroorzakende factor beschouwen. In de trits 'mens, staat, statensysteem' ligt de nadruk bij deze school duidelijk op de eerste term, hoewel dit niet behoeft te betekenen dat andere factoren niet in de beschouwing worden betrokken. Deze school heeft een rijke en zeer gevarieerde voorgeschiedenis.

Aan Confucius (vijfde eeuw v. Chr.) wordt de uitspraak toegeschreven dat uit bedrog en arglist oorlogen ontstaan. De Confuciaanse school leerde dat het toegeven aan de menselijke natuur onvermijdelijk leidt tot twist en verstoring van de orde der dingen, zodat een toestand van oorlog ontstaat. De menselijke natuur, de slechtheid van de mens, la bÍte humaine, begeerten en driften als machtswellust, hebzucht, glorie en angst waren ook bij de klassieke denkers en geschiedschrijvers (Plato, Aristoteles, Thucydides, Tacitus, Livius, Ammianus Marcellinus en anderen) belangrijke verklaringsgronden van oorlog. Ook religie vormde in de oudheid een gebruikelijke verklaring of rechtvaardiging van oorlog. De onverbloemd roofzuchtige oorlogen van de pre-klassieke imperia, en de genocidale oorlogen in het Oude Testament werden ingeleid met de mededeling dat het bevel tot oorlog van een god afkomstig was. Een meer rationalistisch element, de grondoorzaak van oorlog lokaliserend in 'verkeerde voorstellingen en ideeŽn' (Epictetus), werd door de stoÔsche school ingebracht. Ook later hebben menselijke basismotieven een voorname plaats ingenomen in de verklaring van het oorlogsverschijnsel. Korte en krachtige formuleringen van de hartstochten die tot oorlog leiden zijn bijvoorbeeld Thomas Hobbes' (1651) bekende trits "competition, diffidence, glory", en William James' (1910) "lust, coveting, aggression, and man's irrational nature".

Een populaire folk theory wijst als voornaamste bron van oorlogsellende aan de persoonlijke ambities, de 'roeping' of het opportunisme van 'historische persoonlijkheden' die, al naar gelang de morele waardering, het etiket 'grote' of 'slechte' verkrijgen (great men/evil men variant). Deze theorie is een verpersoonlijkte of gedemoniseerde versie van de zogenaamde cataclysmische oorlogsconceptie (Attilla, de gesel Gods). In deze opvatting is oorlog een van de vele pestilentiŽn die de mensheid regelmatig teisteren, en is dikwijls verbonden met het idee van de goddelijke straf voor 's mensen zondigheid. Een andere, verwante variant schrijft de oorlog toe aan een bepaalde volksaard, het karakter of de cultuur van een bepaald volk (volksaard variant).

Een andere versie van de 'great men/evil men' variant stelt de speciale psychopathologie van politieke leidersfiguren verantwoordelijk voor het ontstaan van oorlogen (psychopathologische variant). Daarnaast bestaat er een traditie die structurele pathologische condities ('neuroses of the nations', collectieve psychosen, massahysterie) als voornaamste oorlogsoorzaak aanwijst. Verwant aan deze visie is de opvatting dat 'de massa', de publieke opinie onbeperkt manipuleerbaar zou zijn en zich ten alle tijde tot een oorlogsroes zou kunnen laten opkloppen. Eveneens verwant is de gedachte, verwoord door RŲling (1964): "De oorlogen in onze wereld hebben hun diepste wortels in de huis-tuin-en-keuken opvattingen van Jan, Piet en Klaas".

De 'minds of men' variant gaat uit van de veronderstelling dat, "since wars begin in the minds of men" (UNESCO-preambule), oorlog een probleem is van mentale hygiŽne. "Geen vrede zonder geestelijke gezondheid" (Rickman, 1950). Oorlog is een probleem van angst, onkunde, wanbegrip, mispercepties en communicatiestoornissen tussen de volkeren. De remedie wordt dan ook op dit vlak gezocht: rationele voorlichting, morele solidariteit, 'brotherhood of man', universele symbolen, taal en ideologie.

De instinctivistische variant van de psychologische school stelt dat er als primaire polemogene factor een spontaan, biologisch gefundeerd oorlogsinstinct is dat zich periodiek ontlaadt in collectief vechtgedrag, massale destructiviteit, oorlog. Anderen funderen de oorlogszucht van de mens in een sociaal 'kudde-instinct'; in instinctief etnocentrisme (ong.: groeps- of soortegoÔsme) en groepsantagonisme; of in een 'androgeen instinct' (ong.: op mannelijke geslachtsdrift gebaseerd).

Een volgende categorie van formuleringen zijn variaties op het thema 'menselijke natuur', die verantwoordelijk wordt gesteld voor de onvermijdelijkheid van oorlog. Bijvoorbeeld: "Zoolang er menschen zullen zijn met menschelijke natuur, met menschelijke belangen, met menschelijke hartstochten, zullen er oorlogen zijn tussen de staten." (Blok, 1919)

Niebuhr stelde simpelweg dat oorlog zijn oorsprong vindt in 'dark unconscious sources in the human psyche'. Augustinus, en na hem tientallen andere auteurs, achtte de menselijke erfzonde verantwoordelijk; Plato en Spinoza het eeuwige conflict tussen rede en passie. Anderen zien de grondoorzaak van oorlog in universele menselijke drijfveren als angst, hebzucht, machtswellust, avonturisme en glorie. In zijn How Wars Begin stelt Taylor (1979) dat oorlogen meer uit angst zijn voortgekomen dan uit veroveringsdrang. Wat betreft glorie als oorlogsmotief is het volgende citaat van Huizinga (Homo Ludens, 1938) welsprekend:

"Het streven naar materiŽle macht is - zelfs in ontwikkelde cultuurverhoudingen en al leggen de staatslieden zelf, die de krijg beramen, het doel uit als een machtskwestie - meestal volkomen ondergeschikt aan motieven van trots, roem, prestige en schijn van superioriteit of suprematie. Met de algemeen verstaanbare term glorie zijn alle grote aanvalsoorlogen, van de Oudheid af tot heden, veel wezenlijker verklaard dan met welke vernuftige theorie van economische krachten en staatkundige berekeningen ook."

De agressievarianten van de psychologische school gaan uit van een (meestal reactief) agressiemodel als primaire polemogene factor. Ongetwijfeld het bekendst is de frustratie-agressie formule (Dollard e.a., 1939). Agressie is niet de spontane uiting van een autonome agressiedrift, maar is een reactie op bepaalde onaangename of bedreigende ervaringen, die onder de verzamelnaam 'frustratie' worden samengevat. De auteurs noemden oorlog nergens met zoveel woorden, maar omdat zij veronderstelden dat alle agressie en geweld het gevolg is van frustratie, kan ook oorlog als zodanig worden beschouwd. Vele anderen hebben inderdaad deze conclusie getrokken, zoals Murphy (1945), die stelt dat oorlog het gevolg is van collectieve frustraties.

Elke samenleving legt op een of andere manier het spontane, impulsieve gedrag van het individu, in het bijzonder de seksualiteit en de agressiehuishouding, aan banden via opvoeding, moraal, religie en wetgeving. Deze onderdrukking leidt onvermijdelijk tot frustratie en, derhalve, tot (gewelddadige) agressie of haat- en rancunegevoelens. Een deel van deze agressie kan 'ondergronds gaan' en zich nauwelijks meer als zodanig herkenbaar manifesteren. Een ander verondersteld gevolg is dat een gedeelte van de agressie 'verplaatst' kan worden, gericht op zondebokken binnen de samenleving of op externe groepen die tot vijanden worden uitgeroepen. Deze verklaring van groepsantagonisme wordt aangeduid als het frustratie-agressie-displacement syndroom. Volgens deze theorie heeft oorlog de functie de interne agressie van een groep naar buiten te richten om zo de sociale integriteit van de eigen groep te versterken. Dit mechanisme kan ook door leidersfiguren min of meer bewust worden gemanipuleerd om interne conflicten als het ware te exporteren. "De leider substitueert", schrijft Groen (1974), "alle onderlinge agressies in de subgroepen van zijn bevolking tot ťťn, tegen de als vreemd gebrandmerkte groep, gerichte agressie".

Psychoanalytische theorieŽn. De frustratie-agressie theorie heeft wortels in zowel de behavioristische als in de psychoanalytische traditie. Veel van de hierboven genoemde mechanismen zijn dan ook door Freud en zijn school voor het eerst geformuleerd. In zijn vroege geschriften legt Freud de nadruk op het reactieve en adaptieve karakter van agressie, in dienst van het Ich. In zijn Triebe und Triebschicksale (1915) schrijft hij dat het Ik haat, verafschuwt en doelbewust de vernietiging nastreeft van alle objecten die een bron van onlustgevoelens zijn.

Freuds latere pessimistische, soms zelfs misantrope, cultuurfilosofie werd sterk beÔnvloed door zijn veranderende ideeŽn over de agressiedrift. In zijn Unbehagen in der Kultur (1930) stelt hij dat de agressieneiging beschouwd moet worden als een aangeboren, autonome, instinctieve gedragsdispositie in de mens. De cultuur ziet zich gesteld voor de schier onmogelijke taak de invididuele drifthuishoudens in te perken. Deze kunnen tenslotte zodanig onderdrukt worden dat er niets anders overblijft dan door de vliesdunne huid van de beschaving te breken en zich eruptief een uitweg te banen. Oorlog of burgeroorlog, met alle sadistische wreedheden van dien, doemen dan op aan de horizon.

In de laatste fase ontwikkelde Freud zijn doodsdrifttheorie (Todestrieb, Thanatos). Het individu wordt, evenals de natuur, opgevat als strijdperk van Eros en Thanatos. Alle menselijk gedrag is de resultante van verschillende versmeltingen van deze beide oerdriften. De doodsdrift streeft naar de terugkeer in een spanningsloze, conflictvrije toestand zoals die voor de bevruchting bestond. Hoe sterker nu de doodsdrift bij iemand werkzaam is, des te meer bestaat de noodzaak om deze drift van zichzelf af te wenden en te richten op andere personen of objecten. "Das Lebewesen bewahrt sozusagen sein eigenes Leben dadurch, daŖ es fremdes zerstŲrt" (Warum Krieg, 1933).

Door de meeste psychoanalytici werden zowel Freuds doodsdrift hypothese als de instinctopvatting van agressie afgewezen. Velen grepen terug op de frustratie-agressie formulering. Een min of meer 'orthodoxe' psychoanalytische variant lokaliseert de voornaamste frustratiebronnen in de primaire socialisatie, dus voornamelijk binnen het gezin. In de westerse cultuur wordt de door onderdrukking van de driften van het kind ontstane agressie tegen de ouderfiguren niet getolereerd en derhalve verdrongen. De verdrongen agressie wordt dan geleidelijk van het oorspronkelijke object afgewend en verplaatst naar doelobjecten die wťl in aanmerking komen. Dit 'displacement' proces naar haat-substituten kan er, vooral in het 'Oedipale stadium', toe leiden dat er actief naar in aanmerking komende vijanden gezocht wordt. De overigens serviele burger kan dan een fanatiek aanhanger van een meedogenloze oorlogspolitiek worden.

Er bestaat ook een omgekeerde versie van deze 'Oedipus complex' theorie, waarbij niet zozeer de haat van de zoon tegen de vader een rol speelt als wel de (onbewuste) haat van de vader tegen de zoon. Bouthoul (1951) noemde dit het 'Abraham complex', maar bekender is deze gedachtengang als de filicide-theorie (zie paragraaf 2 van dit hoofdstuk). Een meer 'heterodoxe' variant onderscheidt zich van de voorafgaande doordat de frustraties veel meer in de macrosfeer worden gezocht: economische onzekerheid, werkloosheid, maatschappelijkje crisis, statusontevredenheid, enz. In deze vrijzinnige richting voltrekt zich de geleidelijke overgang van een eenzijdig psychologische naar een meer veelzijdige sociologische benadering (Van Heek, 1969). Andere psychoanalytici hebben de bron van oorlog gelokaliseerd in sadisme (Glover), of in regressieve tendenties (Patrick), of in de 'paranoÔde verwerking van het rouwproces', dat wil zeggen het lenigen van eigen smart door het toevoegen van leed aan anderen (Fornari, Money-Kyrle), of in de functie van oorlog als 'thanatisch feest' (Abraham, Bouthoul), aansluitend op Freuds 'oerhorde' theorie (Totem und Tabu).

Recente formuleringen en theorieŽn waarbij, impliciet of expliciet, een relatie tussen individuele agressie en oorlog wordt verondersteld (Meerloo, Fromm, Marcuse, Horn, Mitscherlich, Deutsch, Senghaas, Hacker, en anderen) hebben enkele gemeenschappelijke kenmerken: a. de relatie tussen individuele agressie en oorlog wordt gelegd via de mechanismen van groepsagressie; b. het begrip 'agressie-overschot' neemt een centrale plaats in. Het levert de basis voor de theoretische verbinding tussen individuele en collectieve agressie. Dit verband wordt gelegd via de staat en andere instituties die het agressie-overschot van de individuen als het ware samenbundelen, monopoliseren en legitimeren (Hacker), om de gebonden agressie dan massaal tegen een buitenlandse vijand of een binnenlandse zondebok (of tegen allebei) te richten. Autoritaire persoonlijkheden lijken hiertoe in het bijzonder voorbestemd (Senghaas), omdat hun communicatieve vermogen in belangrijke mate is verminderd (Horn). Paranoia, gefixeerde vijandsbeelden, dreigfantasieŽn, autistische vijandschap en het maatschappelijk systeem van georganiseerde vredeloosheid (Senghaas) versterken elkaar dan wederzijds in een opwaartse spiraalbeweging die tenslotte in oorlog culmineert. Mitscherlich kent voorts een grote verantwoordelijkheid toe aan het autoritaire opvoedingssysteem en de zorgvuldig gemanipuleerde 'domheid'.

Na dit summiere overzicht van de agressievarianten kunnen we met instemming Van Doorn & Hendrix (1970) citeren als een algemene vorm van kritiek. Oorlog, stellen zij,

"is een conflict dat bestaat in de gewelddadige botsing tussen georganiseerde complexen van mensen en middelen, die elkaars onderwerping of vernietiging nastreven. Vormen van agressief gedrag kunnen daarbij voorkomen, maar zij verklaren het oorlogsverschijnsel niet, zij begeleiden het. Wijzen op het bestaan van persoonlijke agressiviteit is wijzen op een potentie, niet op haar actualisering, nog minder op de institutionele condities waaronder die actualisering plaatsvindt."

Diametraal tegenover de agressietheorieŽn staat de gedachtengang dat oorlog niets met agressie te maken heeft, maar integendeel juist voortkomt uit de 'positieve' eigenschappen van de mens als sociaal wezen: zijn 'nobele' strevingen naar hogelijk abstracte idealen; zijn altruÔsme; zijn solidariteit; zijn gehoorzaamheid aan superieuren; zijn onzelfzuchtige trouw aan de groep, de stam, het vaderland, de ideologie; zijn onvoorwaardelijke overgave aan de 'goede zaak' of de 'grote leider'. Deze visie is onder meer welsprekend verwoord door Koestler (1968).