Religie als oorzaak van oorlog

Onze hoofdredacteur legt in zijn magnum opus de biologische wortels van de oorlog bloot (J. v.d. Dennen: The Origin of War (1995), en artikelen in dit blad). De vorming van groepen of coalities speelt hierin een belangrijke rol. Religies hebben de pretentie de mens boven het biologische vlak uit te tillen en men zou mogen verwachten dat zij in staat zijn oorlogen te verzachten, te beëindigen, of zelfs te voorkomen. In de praktijk is dat niet het geval. Religies in de georganiseerde vorm waarin wij ze kennen bleken tot nu toe vaker oorlogen aan te blazen dan te doven.

In dit opstel wordt nagegaan of de oorzaak hiervan ligt in het verschijnsel georganiseerde godsdienst zelf.

Onder oorlog wordt hier verstaan: gewapend geweld van georganiseerde groepen mensen tegen elkaar. Oorlog wordt dus onderscheiden van geweld in het privé-leven en van structureel, economisch en sociaal geweld. Bij deze laatste vormen van geweld is het verband met godsdienst minder duidelijk (1).

Burgeroorlogen en stammenoorlogen zijn oorlogen, maar politiegeweld is dat op zichzelf niet. Van alle vormen van geweld zijn het vooral oorlogen die een relatie met godsdienst ver-tonen. Het conflict in Noord-Ierland is een oorlog; de strijd tegen de apartheid in Zuid-Afrika was een oorlog vanaf het moment dat het ANC fysiek geweld moest gaan gebruiken. Bij beide conflicten speelde godsdienst een kwalijke rol aan minstens één zijde van het conflict. Er zijn slechts twee belangrijke gevallen waarin het vooral een religieuze impuls was waardoor een sluimerend conflict niet op een oorlog is uitgelopen: de strijd voor zwarte burgerrechten in de USA o.l.v. Martin Luther King en de onafhankelijkheidsstrijd van India o.l.v. Mahatma Gandhi. Beide leiders waren eenlingen, niet representatief voor de religieuze gemeenschap waaruit zij voortkwamen. De drijfveren van Nelson Mandela waren, voor zover bekend, niet van godsdienstige aard.

Voor religies in het polytheïstisch stadium was er een natuurlijk verband tussen godsdienst en oorlog. Men riep de hulp in van zijn god of goden om als overwinnaar uit de strijd te komen. Maar van mensen die zeggen in één almachtige en goede god te geloven zou men mogen verwachten dat zij geen oorlogen meer voeren. Zij kunnen er dan immers op vertrouwen dat bij hem ieders belangen uiteindelijk veilig zijn. Het tegendeel blijkt het geval. Juist omdat er maar één god is wordt nu de andersgelovende beschouwd als afgodendienaar die bekeerd, of als ketter die bestraft moet worden. Want de ene god valt noodzakelijkerwijze samen met de eigen god; de oorlog wordt gevoerd om zijn wil te volbrengen en de mensen zijn werktuigen in zijn hand. Dieu le veut en Allahu Akbar.

Voor christenen zijn deze constateringen bijzonder bitter, omdat degene die zij zeggen te volgen de eretitel "Vredevorst" draagt. Lange tijd meenden christelijke historici dan ook dat alleen andere godsdiensten oorlogszuchtig zijn, de islam voorop, maar niet het christendom. Daarna is geprobeerd aan te tonen dat het niet het christendom zelf was dat tot oorlogen aanzette, maar dat het ten onrechte voor dit doel misbruikt werd. In dit stadium zijn wij nog steeds. De vraag wordt nu geformuleerd als: léént het christendom zich tot dit soort misbruik? Het onontkoombare antwoord luidt: ja, helaas wel, net als de andere religies. Dit was ook de tendens van de bijdragen aan de Nijmeegse conferentie "Godsdienst en geweld - zijn wij tot vrede in staat?" (1998, Cahier 73, Studiecentrum voor vredesvraagstukken).

Vaak wordt er dan bij wijze van apologie op gewezen dat het christendom bij een aantal conflicten een verzachtende rol gespeeld heeft en dat er in dit opzicht voor het christendom, en voor de religies in het algemeen, nog een heel belangrijke taak is weggelegd. Zie bijvoorbeeld: D. Johnston & C. Sampson (ed.): Religion, the Missing Dimension of Statecraft (1994, Oxford University Press). Maar bij nader inzien blijkt dat het zelden de kerken of de godsdienstige leiders zijn geweest, maar veeleer enkele individuen of kleine groepen die deze rol hebben gespeeld, vaak tegengewerkt door de religieuze meerderheden waaruit zij voortkwamen. Zoekt men naar geïnstitutionaliseerde religieuze groepen die oorlog (en dus ook dienstplicht) principieel afwijzen en bereid zijn daarvan de consequenties te dragen dan komt men terecht bij de Getuigen van Jehova, die echter door de christenheid met het woord sektarisch worden afgedaan. Zij ontbraken op bovengenoemde Nijmeegse conferentie. En niet alleen zij, ook de traditionele kleine vredes‘kerken’ waren er niet: de hernhutters, de quakers en de doopsgezinden. Zij allen hebben vanwege hun overtuiging te lijden gehad van de grote gevestigde kerken. Wat de situatie voor traditioneel gelovende christenen nog onaangenamer maakt is de waarneming dat het de democratisch ingerichte staten zijn die geen oorlogen meer met elkaar voeren, terwijl dit precies de staten zijn waar de secularisatie het diepst is doorgedrongen. Voorts dat het geen ontwikkelingen vanuit de religieuze leerstellingen zelf zijn die godsdienstige leiders er tegenwoordig toe brengen aan hun godsdienst een vredestichtende rol toe te kennen. De nu als zo heilzaam geziene scheiding van kerk en staat is niet op initiatief van de kerk tot stand gekomen, evenmin als de politieke aandacht voor mensenrechten en de wereldwijde beweging naar democratie. Het doet dan ook merkwaardig aan als een bisschop van Rotterdam stelt dat de volkeren ‘niet in staat zijn de ethische waarden in praktijk te brengen van samengaan en samenbeslissen’, en dat daarom de kerk de ontwikkeling en uitoefening van deze waarden ter hand moet nemen (Kernvraag 100 (1993), pag. 15).

Zelden wordt de vraag onder ogen gezien of religies zelf, zoals ze zich historisch ontwikkeld hebben, oorlogsbevorderend zijn, niet als betreurenswaardige uitwas, maar naar hun wezen. Een van de weinigen die dit wel gedaan heeft voor het christendom is niemand minder dan prof. Schillebeeckx, en hij beantwoordt de vraag ontkennend (in Concilium 1997-4, blz. 149 - 163). Godsdienst, zegt hij, is de ‘culturele vorm van heil-van-godswege’, en als het christendom de vrede niet bevordert komt dat doordat de vorm niet deugt, niet deze godsdienst zelf. Om dit waar te maken doet hij drie concessies: het christendom moet niet als de enig ware godsdienst beschouwd worden, het garandeert niet het welzijn van de menselijke samenleving, en er is geen uitverkiezing door god van een speciale groep, want ‘de hele mensheid is het uitverkoren volk van God’.

Het eerste staat op gespannen voet met de unieke plaats van Jezus van Nazareth in de wereldgeschiedenis, het tweede ontneemt aan het christendom zijn sociale elan, en het derde is een contradictio in terminis. En opnieuw zien we dat de argumentatie (verpakt in omzichtige formuleringen) niet typisch christelijk, maar humanistisch van aard is, al wordt ze formeel gebaseerd op het geloof dat de hele wereld door God geschapen is (2). Dit lezende vraagt men zich af wat er zo overblijft aan typisch christelijke inhoud. Prof. Schillebeeckx doet dat blijkbaar ook en geeft als antwoord een uiteenzetting waarin de pneumatologie (leer van de Heilige Geest) de hoofdrol speelt en die alleen voor ingewijden te begrijpen is.

Wat hier in feite gebeurt is een toetsing van de godsdienst aan de menselijke waardigheid, zoals ook toegegeven wordt. En terecht, want er is ons in dit ondermaanse geen andere maatstaf gegeven. Maar het is niet verenigbaar met de uitspraak, in hetzelfde artikel, dat godsdienst, omschreven als ‘betrokkenheid op het transcendentimmanent Absolute’ de belangrijkste waarde in het leven van mensen dient te zijn. Als het aankomt op een keuze tussen mensen en een god (wie of wat men daarvoor ook moge aanzien), dan zal men volgens deze leer voor god moeten kiezen. Wie het woord ‘god’ in de mond neemt geeft daarmee uiting aan een absoluutheidspretentie of hij wil of niet.

Het is begrijpelijk dat men datgene wat men vereert ‘god’ of ‘het Absolute’ noemt, want daarmee wordt uitdrukking gegeven aan de gedachte dat er iets moet zijn dat volstrekt ontheven is aan het tumult van deze wereld. Maar in de praktijk blijkt men van dit ‘Absolute’ dan toch van alles te weten. Moslims kennen het vooral macht en grootheid toe, gelukkig getemperd door barmhartigheid; mystici raken ervan in extase; Indiase godsdiensten leren dat de mens moet inzien dat hij er altijd al deel van uitmaakt en christenen noemen het gewoonlijk ‘Vader’, daarbij vooral doelend op macht en autoriteit. De grootste christelijke kerk meent er onveranderlijke gedragsregels aan te moeten ontlenen.

Wat dan voorts het verband met oorlog voor de hand doet liggen is de relatie met het menselijke groepsinstinct. Kenmerkend voor oorlog, in onderscheiding van andere vormen van fysiek geweld, is, dat bij het doden de persoonlijke verantwoordelijkheid wordt onderdrukt en aan het individuele geweten het zwijgen wordt opgelegd. Het militaire uniform is daar het zichtbare teken van. Het groepsbelang wordt tot norm verheven en gehoorzaamheid (nu ‘trouw’ genoemd) een opperste deugd. Door-dat de religies aan hun gelovigen speciale verbindingen aanbieden met het absolute, dit is het boven menselijke kritiek verhevene, krijgt dit groepsinstinct een bovennatuurlijke glans en raakt men bereid er voor te moorden en te sterven. Godsdienst wordt zo the last refuge of human savagery (Whitehead). Zie de daden van islamitische en hindoeïstische groeperingen in de hedendaagse wereld.

Ook het christendom blijkt nog vaak in de ban van dit groepsdenken. Gezamenlijke kerken nodigen uit tot toetreding met de slogan ‘Geloven doe je niet alleen’. Maar het is kenmerkend voor de ware gelovige dat hij de moed heeft juist wel alleen te staan. Nog maar kort geleden schreef een vooraanstaand predikant lovende woorden over de in de bijbel beschreven uitroeiing van een heel volk omdat het ‘het plan van God met Israël en met de wereld’ had gedwarsboomd (H. Zeldenrust in ‘Kerk en Vrede’ Feb. 1996, pag. 10). De Amalekitische krijgsheren, waar het hier over ging, hadden inderdaad zeer grote wreedheden op hun geweten, maar wie als antwoord daarop een heel volk zoekt te verdelgen pleegt genocide en zaait de kiemen voor een volgende oorlog. Deze relatie van oorlog met religie is nauw verbonden met de barbaarse voorgeschiedenis van de mensheid, toen een verbond met één van de elkaar bevechtende geweldenaars de enige mogelijkheid was om te overleven (3).

De macht van koningen en krijgsheren werd, oneindig vergroot, geprojecteerd op ‘god’, die men dan ook bij voorkeur ‘de Almachtige’ gaat noemen (4). En dat gebeurt nog steeds. Heilige oorlogen krijgen hun plaats naast heilige boeken, heilige personen, en heilige plaatsen.

Maar wat eens een overlevingsstrategie was staat nu de moeizame gang van de wereld naar vrede in de weg. Alleen voor zover godsdiensten zich verder ontwikkelen en hun preoccupatie met macht en met het overleven van de eigen groep loslaten kunnen zij bijdragen aan de vrijmaking van het persoonlijke geweten uit de dwang en de veiligheid van het groepsgeloof. In de joods-christelijke religie en in de islam gedurende zijn allereerste periode zijn de beginselen daarvan te vinden. In hun heilige boeken vindt men, naast minder verheven zaken, de oproep tot recht doen aan verdrukte medemensen, onafhankelijk van de groep waartoe zij behoren, en de hoop dat er een hoogste instantie is die recht spreekt, luistert als hij aangeroepen wordt en redt als alles verloren is. Men vindt er ook de lotgevallen van de individuele personen die aan deze oproep gehoor gaven, en van hen voor wie deze hoop gebaseerd was op eigen ervaring.

Maar de islam is verstard in machts- en groepsdenken, misschien mede door rancune tegenover het succes van het Westen. Ook het christendom is een andere weg ingeslagen. In het Westen heeft het zich ontwikkeld tot een leer hoe een vertoornde god verzoend moet worden, alsof hij een beledigde Oosterse despoot was. Pas laat is daar een ontwikkeling op gang gekomen naar persoonlijk gekleurde geloofsvormen, waarbij de instantie waarop men hoopt sterker is dan het verzamelde kwaad in de wereld, maar niet almachtig. En evenmin ‘absoluut’ of onkwetsbaar want in deze zich nieuw vormende traditie laat hij/zij/het de pijn en het kwaad van deze wereld onverdoofd in zich doordringen en maakt deze zo onschadelijk. Er is verlokking, geen dwang, en hij/zij/het laat zich niet organiseren.

Het is vooral het collectieve karakter waardoor oorlogen zich explosief uitbreiden en steeds weer opnieuw opvlammen. Het enige dat hier een einde aan kan maken is de groei van een internationaal rechtssysteem met bijbehorende politiemacht, naar analogie van de situatie die wij nu alleen nog maar binnen een beschaafde natie kennen. Onafhankelijk van een religie of van alle religies samen. Een strafrechter spreekt recht over personen, niet over groepen. Politie mag alleen jacht maken op een verdachte, niet op zijn familieleden en niet op zijn ras- of geloofsgenoten. We zien hoe moeizaam de ontwikkelingen in deze richting gaan en hoe moeilijk het is het vertrouwen te winnen van mensen die in het nauw zitten. De grote georganiseerde religies staan daarbij vanwege hun voorgeschiedenis voorlopig buiten spel (4).

Wel is een urgente taak weggelegd voor internationaal georganiseerde beroepsgroepen, zoals juristen en medici. Want ook het optreden van een internationale politiemacht zal collateral damage veroorzaken. Een absolute voorwaarde waarop zo’n politiemacht het vertrouwen van bevolkingen kan winnen is de aanwezigheid van ambulancetroepen die volledig gericht zijn op hulp aan de-genen die, hoewel onschuldig, slachtoffer van dit geweld zijn. Het is niet het beeld van de man met de moker dat ons hoop geeft, maar dat van de chirurg die bij een operatie een bloedvat geraakt heeft en zijn eigen vaardigheden aanwendt om het bloeden te stoppen.

 

(1) Van de grote religies is alleen hetHindoeïsme structureel gewelddadigvanwege zijn kastensysteem. Hoe prof. Häring in de later te noemen Nijmeegsebundel het brahmanisme (belangrijkste fase van het hindoeïsme) kan prijzenomdat het ‘de ongeschondenheid van leven en wereld zonder enige beperkingtot kern van het handelen maakt’ is een raadsel. Overigens: het onderbrengen;van oorlog onder het begrip gewelddadigheid in het algemeen, zoals gewoonlijk bij dit soort discussies gebeurt;veronachtzaamt het essentiële onderscheid tussen leger en politie, dat wil zeggen tussen oorlog en strafvervolgingvan individuen. Geweldloosheid is een illusie antimilitarisme streeft een haalbaar ideaal na.

(2) Dit beroep op ‘schepping’ is bovendien een hachelijke zaak. In het christendom zoals zich dit ontwikkeldheeft wordt hieronder verstaan ‘creatioex nihilo’ ofwel schepping uit het nietsen men denkt God hiermee te eren, namelijk door hem volstrekte onafhankelijkheid en almacht toe te dichten. Maar natuurlijke rampen en alle gewelddadigheid die wij in de natuur aantreffen komen dan wel op zijn rekening, de eeuwenlange pogingen van theologenom hem vrij te pleiten ten spijt.

(3) Dit lijkt het enige excuus voor hetconcordaat dat Paus Pius XI in 1933met Hitler sloot: een poging tot bescherming van de Duitse rooms-katholieken Ook latere pogingen tot rechtvaardiging draaien uitsluitend om de belangen van de eigen geloofsgemeenschap (zie bijv. E. Iserloh in M. Greschat (Ed): DasPapsttum, 1984)

(4) Het boeddhisme is hier de uitzondering. Juist deze godloze onder de grote godsdiensten blijkt in de praktijk een groot vredespotentieel te hebben.

Terug naar inhoud Nieuwsbrief