Gezondheidswerkers, meer begrip voor slachtoffer dan voor dader

Herman Brusselmans, censuur en manipulatie

Gezondheidswerkers staan dicht bij het leed van mensen. Ze stellen vast hoe sommigen door hun omgeving, door anderen, lichamelijk, maar vooral mentaal zwaar toegetakeld worden. Niet alleen de zwakkeren lopen er soms onherstelbare schade bij op. Ook schijnbaar sterke persoonlijkheden kunnen op bepaalde terreinen zeer kwetsbaar zijn en afknakken door bepaalde verwijten of handelingen, zeker als ze zich in een situatie bevinden waarin ze zich niet kunnen verdedigen.

Daarom hebben gezondheidswerkers in de zaak Brusselmans Demeule-meester meer begrip voor het slachtoffer dan voor de dader, zoals ze zich dichter voelen bij de gepeste dan bij de pestkop en bij de gefolterde dan bij de folteraar. Ze begrijpen moeilijk dat mensen zich zo ontluisterend en vernietigend kunnen opstellen tegenover hun medemensen. Dat dit ver kan gaan blijkt uit een enquête in Groot-Brittannië die leidde tot de vaststelling dat een meerderheid van de Britten vindt, dat het in oorlogstijd toegelaten is te folteren. Dat patriottisme dus voorrang heeft op de meest elementaire rechten van de mens. Waar mensen niet meer tellen en waar bepaalde ideeën, principes of waarden verabsoluteerd worden, is men bereid tot het aanvaarden van terechtstelling, concentratiekampen en genocide.

Voor allen, die zich inzetten voor een rechtvaardiger, meer solidaire, broederlijke en vreedzame maatschappij, die aansporen tot begrip voor iedereen en respect voor de mensenrechten, betekenen mensonterende uitspraken als die van Brusselmans een provocatie. Het gaat om een regressie naar primaire gevoelens van agressie, gevoed door een infantiele, narcistische zelfbevestigingdrang, waarbij men zich tracht op te trekken aan de vernietiging van anderen.

In het dispuut gaat het echter niet om een oordeel over de vernietigende tekst van Brusselmans, noch over de schade toegebracht aan Demeule-meester, het gaat om de censuurmaatregel die door de rechter werd uitgesproken.

Kan zoiets?

Is in een democratie de vrijheid van meningsuiting, is de persvrijheid een absoluut recht? Zo niet, waar liggen de grenzen, wanneer kan censuur aanvaard worden? En in tweede orde: wie bepaalt die grenzen en oordeelt hierover in een concreet geval?

De vrijheid van meningsuiting is een zeer belangrijk mensenrecht. Ze volgt uit de enige algemene, vaststaande natuurwet, de wet van de natuurlijke evolutie. Uit de schok van ideeën komt het licht, komen nieuwe inzichten. Aantasten van deze vrijheid gaat in tegen de natuurlijke evolutie. Censuur is bovendien onderdrukkend, ze is het wapen van de machtigen, van hen die de censuur in handen hebben.

Zoals elk ander principe zal het recht op vrije meningsuiting in bepaalde omstandigheden botsen met andere belangrijke waarden en rechten, waaronder de individuele mensenrechten, de rechten van een gemeenschap, van een volk of van een land. Is de vrije meningsuiting, in tegenstelling tot alle andere waarden, een absoluut recht, dat altijd en overal geldig is? Is de persvrijheid het enige heilige, onaantastbare huisje?

We moeten zeer voorzichtig zijn met het verabsoluteren van waarden. Alle principes hebben hun grenzen. Zo hebben wij, als artsen, veel mensen tekort gedaan en leed bezorgd door ongenuanceerd en in alle omstandigheden het belangrijke principe van de eerbied voor het leven als enig mogelijke norm te beschouwen, waardoor abortus en euthanasie, voor sommigen zelfs anticonceptie, onbespreekbaar waren. Hebben we van belangrijke principes niet onze heilige koe gemaakt, te vergelijken met de heilige koe van vele nu zwaar reagerende auteurs? Gebaseerd op dezelfde angst: waar gaan we naartoe als we ook maar in de geringste mate toegeven op dit gebied? Dan ligt de weg vrij, in het ene geval voor opruiming van alle leven dat te veel kost of onnuttig is, in het andere geval voor totale censuur en dictatuur.

Waar liggen dan de grenzen van de vrijheid van meningsuiting?

In elk geval zeer ver. De vrijheid van ideeën is uiterst belangrijk en moet dus extreem gevrijwaard worden. Dit betekent dat alle opvattingen, alle standpunten, hoe verwerpelijk ook, zelfs racistische, seksistische en totalitaire, moeten kunnen gepubliceerd worden. Ook leugens en verdraaien van de historische waarheid mogen niet weggecensureerd worden.

Grenzen kun je enkel leggen waar andere belangrijke waarden, zoals veiligheid en mensenrechten ernstig in het gedrang komen. Dan wordt het een afwegen. Weinigen zullen akkoord gaan met de publicatiemogelijkheid van pedofiele pornografie, het aanzetten tot moord op bepaalde personen, aanzetten tot gewelddadige opstand of terroristische aanslagen. De grenzen zijn niet duidelijk definieerbaar en afhankelijk van omstandigheden. Zo kun je concrete voorschriften voor het plegen van zelfmoord toelaten in publicaties die in de regel door volwassenen worden gelezen, maar is dat minder evident als het gebeurt in jongerenlectuur. Verspreiden van absoluut inefficiënte medische behandeling kun je niet verbieden, maar het wordt moeilijker als het gaat over het aanprijzen van levensgevaarlijke producten. Hetzelfde geldt voor het Brusselmans-geding. Iemand persoonlijk aanvallen in geschriften moet kunnen, voor zover deze aanvallen niet persoonsvernietigend zijn. Wat het vaststellen van dit laatste betreft is het normaal dat we altijd een meningsverschil zullen hebben tussen meer humaan en meer ideologisch denkenden.

In een democratie oordeelt het gerecht over dergelijke grensgevallen. De uitspraak zal afhankelijk zijn van de rechter, maar ook van de evolutie van het recht. En het recht evolueert onder ons aller invloed. Denken we aan de recente bestraffingmogelijkheid van seksisme en stalking. Meer aandacht gaat tegenwoordig naar slachtoffers, naar vrouwen, naar kwetsbare groepen.

Manipulatie

In onze Westerse wereld is censuur niet meer het grote gevaar, in de eerste plaats door de evolutie van de mediamogelijkheden. Het is voor de overheid veel gemakkelijker ons te manipuleren, door ons af te leiden van de echte problemen, dan door censuur. Veel te weinig wordt hierop gereageerd door auteurs die nu moord en brand schreeuwen omdat hen iets wordt verboden. Permanent ondergaan we b.v. vanuit het beleid een sluipende indoctrinatie die onze bevolking rijp maakt voor het aanvaarden van het axioma van veiligheid door wapens, voor het akkoord gaan met een zwaar defensiebudget, met de productie en het aanschaffen van vernietigingswapens, het akkoord gaan met kernwapens incluis.

Waar zijn de auteurs die waarschuwen tegen de psychologische voorbereiding op oorlogen zoals in Kosovo, die protesteren tegen de geruisloze en ondemocratische omvorming van de NAVO van een verdedigingsorganisatie tot een offensief leger dat zich boven de internationale gemeenschap stelt, om de machtsbelangen van het Westen te vrijwaren. Als de voormalige Belgische premier Eyskens beweert dat kernwapens noodzakelijk zijn om als land enige macht te hebben, dat Europa moreel verplicht is mee te gaan met de immorele Amerikaanse bewapening, dat wij in België slechte leerlingen zijn in de NAVO-klas, waar blijven dan de scherpe reacties en veroordelingen van journalisten en auteurs? En als wij als Artsen voor Vrede, naast vele andere vredesbewegingen het recht op informatie trachten te verdedigen, de desinformatie trachten tegen te gaan, waar vinden we dan de verontwaardigde opinieschrijvers die ons hierbij steunen en petities rondsturen? Het is bedroevend te moeten vaststellen hoe weinig aandacht - op enkele uitzonderingen na - de pers hiervoor heeft, een pers die nochtans niet bang is voor het blootleggen van schandalen. Van de voor iedereen zo belangrijke vredesproblematiek lijkt men niet wakker te liggen. Tegen censuur, oké. Maar anderzijds evenzeer voor het recht op juiste informatie. Schrijvers hebben niet alleen rechten, maar ook plichten. Ze zijn het aan zichzelf verplicht te wijzen op de echte gevaren die onze maatschappij bedreigen.

Terug naar inhoud nieuwsbrief