Oorlogsoorzaken: theorieën II

Om het jaar van het Hague Appeal for Peace (waarin het thema van de Root Causes of War zo’n belangrijke plaats innam) luister bij te zetten zullen de komende nummers van de Nieuwsbrief gewijd zijn aan wat er zoal aan theorievorming en empirische evidentie is bedacht en gevonden over de oorzaken van oorlog.

Aan de orde zijn geweest:

4. De politiek-strategische school

Si vis pacem, para bellum

Onder de politiek-strategische school zullen we die auteurs behandelen die het streven naar macht door staten als voornaamste oorlogsoorzaak postuleren. Reeds in de vijfde eeuw v. Chr. bestond er in China een school van denkers, de realisten genaamd, die leerde dat oorlog en oorlogsvoor-bereiding de pilaren zijn van de regeringspolitiek. Het oudste militair strategische traktaat dat we kennen, pas in de twintigste eeuw in het Westen bekend geraakt als Sun-Tzu’s The Art of War (Griffith, 1963), vat de strategische, tactische, maar vooral psychologische inzichten van die tijd magistraal samen. Er spreekt de erkenning uit dat wapengeweld een bewuste, intentionele en geplande vorm van menselijk gedrag is. Plato schrijft in zijn Wetten dat er een natuurlijke oorlogstoestand bestaat van alle staten tegen alle staten.

Thucydides rechtvaardigt oorlog met ‘het recht van de sterkste’, en denkt al in zulke ‘moderne’ begrippen als machtsevenwicht, afschrikking, wapenwedloop en preemptive strike. Ook de klassieke geschiedschrijvers aanvaardden oorlog in het algemeen als behorend tot de natuurlijke orde der dingen. Het adagium ‘Si vis pacem, para bellum’ is het basisprincipe van de afschrikking tot op de huidige dag.

In India verscheen, tijdens de Maurya-dynastie (rond 300 v. Chr.), Kautilya’s Arthasastra (leer van de politiek of staathuishoudkunde). ‘Een vorst zonder macht is reeds veroverd’, leert Kautilya. Elke vorst dient zijn veroveringsbeleid zorgvuldig, op rationele wijze uit te stippelen. De onmiddellijke buurstaten dient hij als zijn ergste vijanden te beschouwen. De vorst, of de staat, is in principe amoreel; alles is in het staatsbelang, de raison d’état, geoorloofd: oorlog, arglist, verraad, bedrog, sluipmoord etc. De Arthasastra is inderdaad een Fundgrube van wat we nu onversneden Machiavellisme zouden noemen.

De Florentijn Machiavelli formuleerde ruim achttien eeuwen later in zijn Il Principe (1513) een vrijwel identieke visie op het politieke bedrijf. In een wereld van geweld en bedrog is een goed gedoseerd gebruik van diezelfde middelen noodzakelijk. Aan het Griekse idee van de soevereiniteit van de staat voegt Machiavelli de amoraliteit van de staat toe. Politiek en ethiek worden volkomen ontkoppeld. De politieke filosofen in de Westerse traditie, zoals Thomas Hobbes (Leviathan, 1651), sluiten in het algemeen bij bovenstaande visies aan: de staat is soeverein (duldt geen macht boven zich); de staat dient zijn macht te vergroten; tussen staten bestaat een natuurlijke toestand van oorlog (status belli).

In de machtspolitieke opvatting van de internationale politiek is oorlog de ultima ratio, het uiterste pressiemiddel, waarmee staten hun eigenbelang nastreven in de politieke arena (de internationale anarchie van soevereine staten), wanneer andere, diplomatieke middelen niet toereikend zijn gebleken. Oorlog is een pragmatisch, bewust gehanteerd en min of meer rationeel instrument ten behoeve van de macht van de staat, ter behartiging van nationale belangen: de voortzetting van het diplomatieke verkeer (= de machtsstrijd) tussen staten met andere, gewelddadige middelen. Het gedrag van staten is, in deze visie, het resultaat van een kosten/baten calculus, en het afwegen van de kansen op succes van alternatieve strategieën.

Staten bewaren de vrede als de kansen op een overwinning klein zijn, of de voordelen verbonden aan een eventuele overwinning te gering.

De vorming van militaire allianties en machtsblokken is een belangrijk in-strument om het machtspolitieke evenwicht (balance of power) te bewaren. Als de leidende exponent van dit type denken wordt Carl von Clausewitz beschouwd, wiens hoofdwerk Vom Kriege postuum werd gepubliceerd in 1832. Hij definieert oorlog als ‘een gewelddaad om de tegenstander te dwingen tot het vervullen van onze wil’.

In deze traditie past ook de gedachte dat een machtsvacuüm of onzekerheid omtrent de eigen machtspositie tot oorlog leiden. Volgens Blainey (1973) is oorlog een conflict over het vaststellen van de macht: ‘Oorlogen breken gewoonlijk uit als twee staten het oneens zijn over hun relatieve sterkte’. De machtsverhouding komt pas door en in een oorlog vast te staan. De onzekerheid die over die verhouding bestaat voordat de strijd is aangegaan, is juist een oorzaak van oorlog: beide partijen zijn ervan overtuigd dat zij de strijd in hun voordeel kunnen beslissen. De machtstoename van een staat kan leiden tot nieuwe ambities en ‘grootheidswaanzin’ en zo tot overmoedige militaire avonturen (Organski, Blainey). Ook ideologische strijd kan leiden tot zowel missionaire bekeringsdrang als tot angst voor ondermijning, wat ertoe kan inspireren de tegenstander preventief te vernietigen (Rosecrance). Soms wordt oorlog als een (toevallig) ongeluk gezien (accidental war). Net zoals verkeersongelukken het ongewilde maar onvermijdelijke resultaat zijn van het wegverkeer, zo zouden oorlogen ongewilde ongelukken zijn in het statenverkeer. Blainey heeft er echter op gewezen dat er geen ongewilde oorlogen bestaan. Wat ongewild is, is dikwijls de duur en de bloedigheid van een oorlog. En een nederlaag natuurlijk. De (theoretische) vraag of wapenwedlopen al dan niet een oorlogsoorzaak zijn heeft velen beziggehouden, evenals de (empirische) vraag of wapenwedlopen in de praktijk ook inderdaad tot oorlogen hebben geleid.

Evidentie

Singer en medewerkers onderzochten het verband tussen de machtspositie van staten en de frequentie van oorlog. Zij vonden dat een hoge machtspositie in het internationale systeem samen gaat met oorlog, onafhankelijk van andere eigenschappen van een staat, zoals het economische of politieke systeem. Kwantitatief onderzoek bevestigt in het algemeen dat oorlog voornamelijk een bezigheid is van de big powers (Wright, Ferris, Bremer); dat ‘afschrikkingsevenwichten’ staten in het verleden nauwelijks van oorlog hebben afgeschrokken (Narroll e.a.) en dat wapenwedlopen de neiging hebben tot oorlog te escaleren (Wallace) - of soms ook niet.

Bij staten die geen supermacht zijn lijkt daarentegen machtspariteit tot oorlog te leiden in plaats van machtsoverwicht (Rummel). De logica hiervan is dat staten die een machtsoverwicht bezitten niet hoeven te vechten om hun zin te krijgen, terwijl de

staten die minder bedeeld zijn niet kunnen vechten - als ze tenminste verstandig zijn. Pas als staten zich aan elkaar gewaagd voelen (d.w.z. bij een - terecht of ten onrechte - waargenomen machtsevenwicht) gaan ze tot oorlog over (zoals Blainey veronderstelde). Wallace, Midlarsky en East vonden in hun onderzoekingen een verband tussen enerzijds de discrepantie tussen machtscapaciteit en toegeschreven status van landen en anderzijds het uitbreken van oorlog. Staten gaan, volgens deze bevindingen, tot oorlog over wanneer zij denken dat hun militaire macht of economische positie niet in overeenstemming zijn met het prestige dat zij op grond daarvan in het internationale systeem denken te verdienen. Dit zou zo geïnterpreteerd kunnen worden dat staten desnoods via wapengeweld hun gekwetste of aangetaste ‘gevoel van eigenwaarde’ trachten te herstellen of ‘gezichtsverlies’ teniet te doen. Bovenstaande bevindingen konden echter niet worden bevestigd door Ray, die oorlogsdeelname en statusdiscrepantie in Europa voor de periode 1816-1970 analyseerde. Van der Dennen (1981) vond ook dat de kwantitatieve literatuur over rang-disequilibrium en oorlog inconsistente en ambigue (soms tegenstrijdige) uitkomsten opleverde.

Terug naar inhoud nieuwsbrief