Oorlogsoorzaken, vervolg

2. De economische school

"Hebzucht als oorlogsmotief is iets wat iedereen begrijpt, hoewel we het altijd aan de tegenstander toeschrijven" (Brodie 1973)

Economische factoren als oorlogsoorzaken zijn al vanaf de oudste historische bronnen traceerbaar. De Meso-potamische tabletten, de allereerste geschreven documenten in de geschiedenis, zijn lange inventarislijsten van op de vijand veroverde buit. Deze oorlogen waren ongegeneerde plunder- en strooptochten (met later ook imperialistische motieven). Bij Plato, Aristoteles en Seneca is het de hebzucht die tot oorlog drijft. Thucydides noemt het economisch nut als oorlogsmotief. Bekend is Cicero’s uitspraak ‘Pecunia nervus belli’ (geld is de zenuw van de oorlog). Bij de Romeinse geschiedschrijvers worden economische motieven als volstrekt legitiem voorgesteld: mannen vochten om roem en buit (inclusief vrouwen: booty and beauty). Bij moderne auteurs komt men veelvuldig de stelling tegen dat de meest permanente oorzaak van oorlog is het streven van volkeren hun levensstandaard te verhogen of te verdedigen.

Economen over oorlog

Tot ver in de westerse geschiedenis waren ook economische denkers overtuigd van het economische nut van oorlog. Bij de Mercantilisten (Montchrestien, Mun, Paolini) vloeide de onvermijdelijkheid van oorlog voort uit de opvatting van handel en commercie als offensieve oorlogvoering: elke natie trachtte zich te verrijken ten koste van andere naties. De negentiende-eeuwse ‘romantische’ economen (List, Muller, Von Haller) en protectionisten zagen oorlog als een onvermijdelijke manifestatie van de strijd der staten onderling om reële materiële voordelen te behalen. Oorlog is voor de overwinnaar een zeer lucratief bedrijf: oorlog brengt territoriale aanwinsten, nieuwe markten, commerciële en industriële suprematie. Bovendien bevordert oorlog, op langere termijn, de industrialisatie van het land en de ontwikkeling van de productiekrachten De protectionisten verheerlijkten derhalve onverholen het militarisme.

Maar niet alle economische stromingen en scholen waren zo oorlogszuchtig. De fysiocraten en de ‘Manchester school’ (Dupont de Nemours, Adam Smith, Bentham) zagen in de vrije ontwikkeling van de landbouw, respectievelijk de vrije marktpolitiek een belangrijke bijdrage tot wereldwelvaart en wereldvrede. De klassieke en neoklassieke scholen (Ricardo, Mill, Keynes) en de Franse liberale school (Say, Bastiat) zagen oorlog voornamelijk in termen van een kosten/baten afweging: oorlog is een mogelijk instrument om schaarse goederen te verwerven, maar naarmate de kosten toenemen en goedkopere alternatieven ter beschikking staan, wordt oorlog steeds minder ‘economisch’.

De meeste economen van deze scholen zien oorlog overigens niet zozeer als een economisch, als wel als een politiek en irrationeel verschijnsel.

De liberale economen (Cobden, De Molinari, MacCulloch, Angell) beschouwden in het algemeen oorlogvoering om economisch profijt als een tragische vergissing. Oorlog is voor alle betrokken partijen, door de toenemende economische vervlechting en onderlinge afhankelijkheid (interdependentie), desastreus, betoogden zij. De zogeheten ‘psycho-economen’ wezen er echter op dat mensen waarden als avontuur en de risico’s van een oorlog kunnen prefereren boven waarden als rijkdom en welvaart. Marxistische economen zien de klassenmaatschappij en de kapitalistische instituties als voornaamste oorlogsoorzaken. De Marxisten zijn geneigd de ultieme oorzaak van elke oorlog in het economisch domein te zoeken.

Binnen de economische school worden als primaire oorlogsoorzaken dikwijls ook bepaalde, aanwijsbare groepen of individuen beschouwd, zoals de wapenindustrie, de banken, de multinationals, ondernemers of speculanten - kortom, iedereen die geacht wordt belang te hebben bij een oorlog. Dit is de zeer populaire (en telkens weer in nieuwe vermomming opduikende) war-profiteering variant (ook wel merchants of death, scandal school, of devil theory genoemd).

In honderden boeken en pamfletten werden, vooral tussen de twee wereldoorlogen, de oorlogsprofiteurs, de kooplieden des doods, de vette Wallstreet-kapitalisten, de Krupps en Vickers en de Basil Zacharows als de grote schuldigen, aanstichters, boosdoeners en zondebokken aangewezen. Diabolisch wroetend, samenzwerend en omkopend zouden zij periodiek de wereld in de hel van een oorlog storten, alleen maar om hun eigen zak te spekken. Volgens Veblen (1904) zou het grootkapitaal van oorlog en bewapening profiteren: het incasseerde de winsten en de verliezen kwamen voornamelijk ten laste van de gemeenschap. Niet alle scandal school auteurs waren naïeve zondebokjagers; sommigen waren wel degelijk in staat om wat verder te kijken dan hun economische neus lang was. Bijvoorbeeld Engelbrecht & Hanighen (1935) concludeerden in hun befaamde boek Merchants of Death over de wapenindustrie:

"De fundamentele oorzaak van de problematiek... ligt echter veel dieper dan de wapenindustrie. De oorzaak ligt in de huidige veel voorkomende neiging van volkeren tot nationalisme, militarisme en oorlog, in de beschaving die deze neiging vormt en elke radicale verandering verhindert... Als de wapenindustrie een kanker is in het lichaam van de moderne beschaving, dan is het geen van buitenaf komende woekering, maar het resultaat van de ongezonde conditie van dat lichaam zelf."

Volgens Brodie (1973) komt deze versie van de scandal school aan haar voorlopige eind door de publicaties van o.a. Viner, Feis, Langer, Staley en Robbins, die de devil theory gedetailleerd weerlegden. Toch is er sindsdien een nieuwe versie van dit type denken opgekomen: het ‘militair-industriële complex’ als belligene factor.

Het militair-industriële complex (MIC).

Onder het MIC wordt gewoonlijk verstaan de sterke vervlechting van het economische en militaire leven, zoals die na de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten en de Sovjet Unie heeft plaatsgevonden, waarbij een steeds groter deel van het productieapparaat werkt voor militaire en semi-militaire doeleinden: de warfare-state in optima forma (Cook, 1962). Het begrip wordt ook gebruikt om te wijzen op de sterke persoonlijke relaties die zijn ontstaan tussen industrie en legerleiding. Soms wordt het begrip uitgebreid tot het ‘militair-industrieel-universitair complex’, of zelfs zo ruim gebruikt dat vrijwel alles en iedereen er onder valt.

Het gevaar van het MIC zou vooral gelegen zijn in het stimuleren van de bewapeningswedloop onder invloed van particuliere belangen. Thans is de (particuliere) bewapeningsindustrie, meer dan vroeger, binnen de leidende bureaucratisch-militaire elites geïntegreerd. Ook zou het MIC beperkte en perifere oorlogen bevorderen of ontketenen om oorlogsmateriaal te beproeven. Als een verder gevaar wordt genoemd de toenemende militarisering van de maatschappij (Van Heek, 1969).

Evidentie

In de twintigste eeuw is er nauwelijks een statistisch verband tussen hoeveelheid en frequentie van oorlog en economische ontwikkeling van staten (Flanigan & Fogelman, 1970; Rummel, 1972). Haas (1965) vond voor de periode na 1945 dat economisch zeer onontwikkelde en zeer hoog ontwikkelde landen het meeste conflictgedrag vertoonden. Hieruit zou men kunnen concluderen dat toenemende economische interdependentie eerder tot toename van conflicten leidt dat tot afname, zowel in frequentie als in hevigheid.

Geller & Singer (1998) vonden, zoals we hebben gezien, dat economische ontwikkeling en zakencycli (business cycles) geen verband lijken te houden met buitenlands conflict op het monadisch niveau, terwijl binnen dyaden die gekenmerkt worden door een hoog niveau van economische ontwikkeling oorlog relatief veel minder voorkomt (deze zullen dan tevens overlappen met de westerse democratieën). Richardson (1960) identificeerde slechts 29% van zijn inventarisatie (vanaf 1820) als oorlogen met primair economische oorzaken. Ook Wright (1965) concludeert in zijn omvangrijke studie dat economische factoren op zichzelf geen doorslaggevende rol hebben gespeeld bij het ontstaan van oorlogen. Volgens Teunissen (1978) zijn economische factoren wel een hoofdoorzaak geweest van de instabiele economische en politieke verhoudingen tussen de beide wereldoorlogen. Daardoor hebben zij indirect wel bijgedragen tot het ontstaan van de Tweede Wereldoorlog. Wellicht komt Brugmans (1963) het dichtst bij de waarheid:

"In de moderne oorlogen zijn economische belangen zelden afwezig, maar ook zelden overwegend. Vaak zijn ze secundair van aard, somtijds zelfs camouflage... Roem, eer en prestige spelen bij het ontstaan van oorlogen ook in den modernen tijd een niet te miskennen rol... In alle moderne oorlogen is het staatkundige element beslissend. Dat wil zeggen: zonder het fiat van de algemene politieke constellatie, van het algemeen staatkundig beleid, leiden economische overwegingen of sociaal-psychologische factoren als naijver, wraakzucht en prestigedrang nimmer tot oorlog."

3. Imperialisme theorieën

"De veroveraar is altijd vredelievend; hij zou het liefst heel rustig onze staat binnentrekken" (Von Clausewitz)

Een populaire folk theorie van imperialisme is het denkbeeld dat imperialisme voorkomt uit de civiliserende opdracht van een superieur geachte beschaving. Zo komt het tot uiting in de Franse notie van de mission civilatrice; in het Duitse adagium Am deutschen Wesen wird die Welt genesen; in de Britse notie van de white man’s burden en in de Amerikaanse manifest destiny doctrine.

Conservatieve variant

Volgens de conservatieve variant van de imperialisme school is imperialisme noodzakelijk om de bestaande sociaal-economische orde in de hoogontwikkelde landen (de metropolen) te handhaven. Imperialisme is onmisbaar om de handel veilig te stellen, de werkgelegenheid te handhaven, en de sociale conflicten van de bevolking in de metropool te kanaliseren en de agressie af te leiden op de ‘inferieure rassen’ van de koloniën.

De liberale variant

De Engelse liberale econoom Hobson (1902) stelde dat de ongelijke verdeling van bezit en inkomen in de westerse kapitalistische landen onvermijdelijk moest leiden tot onderconsumptie. Onderconsumptie zou leiden tot de export van kapitaal en strijd om buitenlandse markten, om het onverkoopbare surplus aan goederen daar af te zetten. Kapitaalexport leidt tot een streven naar de directe beheersing van de koloniën De strijd om afzetmarkten zal onvermijdelijk tot conflicten en oorlogen voeren. Op den duur maakt dit het imperialisme verliesgevend, aldus Hobson. Hij beschouwde imperialisme overigens niet als per se inherent aan het kapitalisme.

De Marxistische variant

Lenin (1917) nam van Hobson vrijwel de gehele theorie over en vulde die aan met elementen uit de theorieën van Marxistische voorlopers zoals Bauer, Hilferding en Rosa Luxemburg. De kapitalistische productiewijze levert surpluskapitaal. Industrieel kapitaal en ‘Finanzkapital’ (Hilferding) fuseren om effectieve macht over de staat te verkrijgen. De noodzaak van export van het surpluskapitaal leidt tot competitie tussen staten om territoria en afzetmarkten, wat tot oorlog tussen de kapitalistische landen onderling zal leiden.

Lenin beschouwde de Eerste Wereldoorlog als een modelvoorbeeld hiervan. Volgens hem waren expansionisme, militarisme en imperialisme inherent aan het kapitalisme. Lenin koppelde in feite Hobsons liberale diagnose aan de conservatieve ‘noodzakelijkheid’.

Naast deze orthodoxe hoofdstroming vinden we ook dissidenten. Volgens Kautsky bijvoorbeeld konden de internationale kartels een vredesmacht vormen, een superimperialisme dat de wereld orde en vrede op zou kunnen leggen.

De sociaal-psychologische verklaring

Volgens Schumpeter (1919), die erkent dat economische belangen een geringe rol kunnen spelen, is imperialisme in de eerste plaats een militaire en politieke aangelegenheid, en niet gebonden aan het kapitalisme (zelfs vreemd aan de aard van het kapitalisme), zoals blijkt uit zijn analyse van de imperia uit de oudheid en de klassieke wereld (Egypte, Rome). Ook het moderne imperialisme zag Schumpeter als een geheel van ata-vistische, militaristische houdingen, gedragspatronen en sociale structuren, overgebleven uit de prekapitalistische periode; een parasitair complex van militaire en politieke instituties, wier autoriteit en statuspositie afhing van de oorlogvoering. Imperialisme is voornamelijk objectless expansion, waarvan de dynamiek in sociaal-psychologische structuren gezocht moest worden. Ook Veblen (1915) dacht langs deze lijnen.

Revisionistische en neo-Marxistische formuleringen

Representatief voor de revisionisten is Fieldhouse (1961): imperialisme had zijn populariteit niet te danken aan de sinistere invloed van de kapitalisten, maar aan de aantrekkingskracht die het uitoefende op het gewone volk. Ook Aron (1954) benadrukt de macht van het patriottisme, nationalisme, en de mythe van de nationale en raciale superioriteit in het imperialistische proces. Staley (1935) verklaarde het imperialisme uit ‘politieke rivaliteit’. Neo-Marxistische theorieën kunnen als volgt worden samengevat: het surplus gegenereerd door het monopolie-kapitalisme wordt voornamelijk geabsorbeerd door het militaire apparaat (military spending) met zijn verspilling en snelle veroudering van materiaal. Dat is noodzakelijk ter vermijding van chronische economische depressies. Deze militaire overcapaciteit wordt aangewend om het kapitalistische systeem te beschermen, revolutiepogingen in de perifere landen neer te slaan en om strategische grondstoffen, energiebronnen, afzetmarkten en investeringsmogelijk-heden veilig te stellen. Ook in deze analyse wordt gemeenlijk een belangrijke rol toegeschreven aan belangen en winsten van multinationale ondernemingen en het militair-industrieel complex.

Terug naar inhoud nieuwsbrief