Oorlogsoorzaken:

theorieën I

door Johan M.G. van der Dennen

Om het jaar van het Hague Appeal for Peace (waarin het thema van de Root Causes of War zo’n belangrijke plaats innam) luister bij te zetten zullen de komende nummers van de Nieuwsbrief gewijd zijn aan wat er zoal aan theorievorming en empirische evidentie is bedacht en gevonden over de oorzaken van oorlog.

Inleiding

"De enige oorzaak van oorlog is vrede" (Dostojevski)

In de vorige aflevering van de Nieuwsbrief heb ik de kwantitatieve evidentie betreffende de correlaten van oorlogen, zoals door Geller & Singer (1998) samengevat, kort gepresenteerd. Dit heb ik gedaan om zowel de state of the art op dit gebied te laten zien, als ook om de beperking van dit soort onderzoek aan te geven. Het zal duidelijk zijn dat bij de empirische, kwantitatieve en statistische onderzoekingen naar verbanden tussen kenmerken van staten of kenmerken van het internationale systeem en de hoeveelheid, frequentie, intensiteit, omvang en duur van oorlogen alleen maar verschijnselen onderzocht kunnen worden die in principe kwantificeerbaar zijn (en dat hoeven niet a priori de meest relevante of belangrijkste te zijn). Veel van de hier te bespreken theorieën, die zich niet op nationaal of systemisch niveau bewegen, kunnen dan ook niet getoetst worden met deze methoden.

In de wetenschap bestaat er allerminst eenstemmigheid over wat oorlog nu eigenlijk is, noch over de oorzaken die tot oorlog in het algemeen of tot een bepaalde oorlog in het bijzonder leiden. In deze bijdrage zullen we de verschillende theorieën, visies en denkbeelden met betrekking tot oorlogsoorzaken thematisch groeperen in een aantal ‘scholen’, en de verschillende gezichtspunten binnen een school aanduiden als ‘varianten’. De term ‘theorie’ zullen we gebruiken in de breedst mogelijke betekenis van elk gepostuleerd verband tussen twee verschijnselen. Er zal geen principieel onderscheid worden gemaakt tussen ‘wetenschappelijke’ theorieën en de speculatieve denkbeelden waarmee mensen in de loop der tijden hun realiteit interpreteerden (common sense noties, prototheorieën, folk theories). ‘Wetenschappelijke’ theorieën hebben de waarheid niet in pacht, en zogeheten folk theories zijn niet altijd zonder enig inzicht. Het gaat om de vraag waar mensen in de loop der tijden de oorzaken van oorlog hebben gelokaliseerd en welke factoren zij als primaire oorlogsveroorzakende (‘polemogene’ of ‘belligene’) factoren hebben geïdentificeerd.

Globaal genomen kunnen hierbij drie niveaus worden onderscheiden: het niveau van de mens, het niveau van de staat en het niveau van het internationale systeem. Veel van wat wij als recente en moderne theorieën beschouwen zal blijken al eeuwen geleden in prototheoretische vorm aanwezig te zijn geweest. Mensen hebben niet alleen sinds onheuglijke tijden min of meer enthousiast oorlogen gevoerd, ze hebben er ook bij tijd en wijle over nagedacht. Wat dit betreft is er niet veel nieuws onder de zon.

Aan de orde komen in deze en de volgende afleveringen:
de demografisch-ecologische school ;
de economische school ;
imperialisme theorieën;
de politiek-strategische school ;
de psychologische school ;
culturele theorieën ;
de apologetische school.


De demografisch-ecologische school

"De ware vijand van de vredesduif is niet de adelaar van de trots, noch de gier van de hebzucht, maar de ooievaar" (Hoss, 1927)

Plato (400 v. Chr.) beschrijft in zijn Republiek hoe tijdens de ontwikkeling van een stadstaat de bevolking toeneemt, de behoeften groeien en ten slotte het oorspronkelijke grondgebied niet meer toereikend is om de bevolking te voeden, hetgeen tot oorlog moet leiden. Klassieke geschiedschrijvers die demografische motieven voor oorlog noemen zijn bijvoorbeeld Livius, Tacitus en Ammianus Marcellinus. Latere vertegenwoordigers van deze school zijn o.a. Francis Bacon en Walter Raleigh.

Thomas Hobbes (1651) erkende, naast zelfverdediging, ook overbevolking als een reden voor oorlog. Als grondlegger van de moderne demografische school wordt echter Malthus (1798) beschouwd. In Malthusiaanse termen is oorlog, samen met hongersnood en epidemieën, een noodzakelijke check op de bevolkingsgroei, gedicteerd door de toenemende discrepantie tussen bevolkingsgroei en de middelen van bestaan. Malthus beschouwde als voornaamste oorlogsoorzaak "ongetwijfeld een tekort aan land en voedsel".

Later herdefinieerden Marxistische auteurs het probleem in termen van de ongelijke verdeling van natuurlijke hulpbronnen. Maar ook hier gaat het om een relatief toenemende bevolking en relatief afnemende of ongelijk verdeelde middelen van bestaan. Naar gradaties van complexiteit zijn in de uitwerking van deze gedachte de volgende varianten te onderscheiden:

De populatiedrukvariant postuleert een simpele directe relatie tussen bevolkingstoename en oorlog, zonder veel nadere specificaties of nuanceringen.

’Lebensraum'

De ‘Lebensraum’-variant postuleert een door bevolkingstoename veroorzaakt gebrek aan ‘ruimte onder de zon’. Dit leidt tot de noodzaak van expansie en daardoor tot oorlogen. Het zogenaamde ‘geopolitieke’ denken (zie onder) vertoont veel overeenkomsten met de premissen van de ’Lebensraum’-theorieën.

Demografische relaxatie

De demografische relaxatie variant betrekt in haar beschouwingen factoren als bevolkingsopbouw, -mobiliteit, -dichtheid, -druk en generatieconflicten. Een ongelijkmatige bevolkingsgroei of een (bijvoorbeeld door een vorige oorlog) ingrijpend geschonden bevolkingsopbouw is in deze visie van groter belang voor het ontstaan van oorlog dan een normale, zij het ook snel groeiende bevolking.

De demografische factor is en blijft een latente oorlogsoorzaak, maar kan als manifeste oorlogsoorzaak fluctueren, afhankelijk van vele andere factoren. Als representatief vertegenwoordiger van deze denktrant moge Bouthoul (1951, 1960) dienen. Hij beschouwt in het bijzonder een onevenwichtige demografische structuur, bijvoorbeeld een surplus aan jonge, volwassen mannen (een ‘wegwerp-generatie’) als een voorwaarde voor een atmosfeer van collectief geweld (structure explosive). Het teveel aan jonge mannen veroorzaakt problemen op velerlei gebied: werkloosheid, geweldscriminaliteit, politieke onrust. Daaruit kan een uitweg worden gezocht in het collectieve ‘avontuur’ van de oorlog, om zo de ‘explosieve structuur’ af te leiden en te kanaliseren, en de bevolkingsdruk te ontlasten (relaxatie).

"De tweede mogelijkheid die door Bouthoul slechts terloops wordt genoemd, is dat de genoemde groep buitensporig klein is in vergelijking met de andere leeftijdsgroepen. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn na een oorlog waarin honderdduizenden of zelfs miljoenen jonge mannen gesneuveld zijn. De overblijvende produktieve groep is dan te klein om de gehele overige bevolking nog van voldoende bestaansmiddelen te kunnen voorzien. Ook in zo’n geval dreigen interne demo-economische moeilijkheden, waarvoor in een oorlog een oplossing wordt gezocht. Een oorlog die dan echter het karakter van roofoorlog of imperialistische strijd zal vertonen omdat het primair gaat om het verkrijgen van meer arbeidskracht en meer bestaansbronnen." (Valkenburgh, 1964)

Bouthoul ziet oorlog bovendien als een infanticide différé (uitgestelde kindermoord). ‘Uitgestelde kindermoord’ en filicide (letterlijk: zoonsmoord) zijn begrippen die verwijzen naar het aloude idee dat ‘oorlogen door de oudere generatie worden gemaakt om er de jongere generatie in te laten sneuvelen’ (Brodie, 1973): het antagonisme van de oudere gevestigde generatie die zich bedreigd voelt door de jongere generatie in haar economische, politieke en seksuele privileges. Die jongere generatie is bovendien suggestibel voor militaire avonturen, opwinding en glorie, heroïek en romantiek. Aron (1962) heeft Bouthoul overigens verweten dat hij functie en oorzaak van oorlog verwart. Filicide kan al dan niet een permanente functie van oorlog zijn, daaruit kan logischerwijze niet geconcludeerd worden dat het derhalve ook de ultieme oorzaak is.

Evidentie

Er zijn in kwantitatief onderzoek inderdaad fluctuaties in de frequentie van oorlogen gevonden die door de verschillende onderzoekers (o.a. Richardson, Denton en Philips) werden geduid als ‘generatie-effecten’: na een oorlog is, na verloop van tijd, de oorlogsgeneratie de trauma’s van de oorlog geleidelijk ‘vergeten’, en is de naoorlogse generatie weer bereid de oorlog als een opwindend en spannend avontuur te zien.

Directe verbanden tussen bevolkingsgroei of -dichtheid en frequentie van oorlog konden niet worden vastgesteld door Richardson, Haas en Singer & Small, terwijl ander onderzoek (Cattell) wel een verband vond tussen bevolkingsdichtheid, urbanisatie en oorlog. In een ander model (lateral pressure: Choucri & North, 1972) worden de condities gespecificeerd waaronder bevolkingsgroei, in combinatie met hulpbronnen en technologie, uiteindelijk tot oorlog kan leiden. Vasquez (1993) is van mening dat grensconflicten en andere territoriale twistpunten de voornaamste oorzaken van oorlog zijn in de laatste vijf eeuwen. Vasquez (1993): "Van alle mogelijke punten waarover staten kunnen vechten is er overweldigend bewijs dat territoriumkwesties, vooral territoriale contiguïteit, de belangrijkste zijn die snel tot collectief geweld aanleiding geven. Het is opmerkelijk hoeveel oorlogen tussen staten (afgezien van type) van 1816 tot 1980 betrekking hebben op staten die buren zijn (d.w.z. aangrenzend of indirect aangrenzend vanwege water). Deze uitkomsten bieden meer dan een sterke aanwijzing dat oorlog nauw is betrokken bij strijd over aangrenzend territorium. In deze analyse wordt territorium opgevat als een algemene onderliggende oorzaak van oorlog". Deze algemene waarneming lijkt te impliceren dat hoe meer staten het internationale systeem bevat hoe meer oorlogen er in het systeem voorkomen.

Ook volgens Luard (1970) vormen territoriale conflicten de belangrijkste oorlogsoorzaak van de laatste drie eeuwen. Territorium kan echter ook om strategische of ‘nationaal prestige’ redenen worden betwist, niet alleen om demografisch-expansionistische. In de oorlogen van de twintigste eeuw zijn nauwelijks meer dan snel voorbijgaande effecten op de bevolking aan te tonen. Voor de beide wereldoorlogen vormden de directe oorlogsslachtoffers slechts ongeveer twee procent van de totale bevolking, demografisch gezien nauwelijks zwaarwegend.(Singer & Small, 1972)

Mesquida & Wiener (1996) onderzochten onlangs de invloed die verschillende leeftijdsgroepen in de populatiepiramide hebben op de ontwikkeling van geweldsconflicten en hun conclusie was dat de aanwezigheid van een relatief hoog percentage jonge mannen alle vormen van collectief geweld, inclusief oorlog, waarschijnlijker maakt (zoals door Bouthoul voorspeld).

Ecologische theorieën

De ecologische theorieën, die nauw aansluiten bij de demografische, zoeken de voornaamste oorlogsoorzaken in omgevingsfactoren. In oudere theorieën was het voornaamste thema dat het geografisch milieu direct de politieke koers van een volk bepaalt en derhalve ook conflicten en oorlogen. Latere ecologische theoretici beweren dat het milieu voornamelijk invloed heeft op de politieke koers van een volk door grenzen te stellen aan wat ‘haalbaar’ is. Doordat de mens zijn omgeving tracht te beïnvloeden en te exploiteren, komt hij onvermijdelijk in conflict met zijn medemens, vooral in perioden van snelle bevolkingstoename. Een centrale stelling van deze neo-Malthusiaanse, neo-functionalistische school is dat oorlog een adaptieve rol vervult door een betere relatie tussen bevolking en culturele ecologische factoren te bewerkstelligen, door bijvoorbeeld de bevolkingsbalans te reguleren ten opzichte van beschikbare bestaansmiddelen, energiebronnen en landbouwareaal.

Andere auteurs leggen de nadruk op de dreigende globale ecologische crisis met populatie-explosies in de Derde Wereld, uitputting van energiebronnen, gigantische milieuvervuiling en stagnerende voedselproduktie: een conflictpotentieel van bijna onvoorstelbare proporties.

De geopolitieke variant

Haushofer geeft in zijn onvoltooid gebleven hoofdwerk Politische Geographie und Geopolitik een omschrijving van wat geopolitiek inhoudt: de studie van de interacties tussen ruimtelijke factoren en ’s mensen politieke ‘Lebensformen’. Kjellen (1914) definieerde geopolitiek als de studie van de staat als geografisch organisme. De klassieke geopolitici (Haushofer, Kjellen, Ratzel, Visher), beïnvloed door Darwinistisch denken, beschouwden de staat als een organisme dat ruimte inneemt, groeit, verschrompelt en ten slotte afsterft. Het territorium van een staat was een uiting van zijn macht en vitaliteit (Ratzel, 1899).

Als staten niet kunnen groeien, sterven ze af. Omdat ze moeten groeien, vormen territoria en grenzen van staten als het ware een momentopname van een doorlopend dynamisch groeiproces.

De levenscyclus van staten werd uitgedrukt in verscheidene ‘expansie-wetten’ (Ratzel, Visher), zoals de wet dat staten strategisch belangrijke territoria moeten veroveren, en de wet dat zwakke staten door sterke staten worden opgeslokt. De grenzen tussen staten zijn van uitzonderlijk belang bij de studie van het oorlogsverschijnsel. "De grens is de lijn waar machtsbegeerte en tegenweer elkaar in evenwicht houden" (Ter Veer, 1947). Elke staat heeft de morele plicht veilige grenzen te vinden en te verdedigen. Oorlog is in deze visie een strijd om veilige grenzen, en het doel van geopolitiek is vast te stellen welke grenzen het gemakkelijkst te verdedigen zijn. Een kust (met daarbij horende sea power) werd beschouwd als de ideale grens (Mahan, 1897). De meeste Britse en Amerikaanse geo-politieke theoretici legden echter meer de nadruk op land power dan op sea power. Volgens de bekendste formulering (Mackinder, 1904) zouden de staten gesitueerd in het heartland (centraal Eurazië) de beste geografische positie hebben om de perifere staten te veroveren en tenslotte de gehele wereld:

"Wie Oost Europa regeert, beheerst het hartland; wie het hartland regeert, beheerst het wereldeiland (Eurazië); wie het wereldeiland regeert, beheerst de wereld". Tijdens de Tweede Wereld Oorlog werd Mackinders theorie door Spykman geparafraseerd tot: "Wie het ‘rimland’ beheerst, regeert Eurazië; wie Eurazië regeert, beheerst het lot van de wereld". Volgens Spykman waren alle grote oorlogen uit het verleden, alsmede alle toekomstige oorlogen, gevechten om de beheersing van het ‘rimland’ (het land tussen hartland en kust van het Euraziatische continent). In tal van hedendaagse strategische beschouwingen wordt aan geografische factoren ruime aandacht geschonken.

"Als verklarende theorie voor het ontstaan van conflicten, met name voor oorlog, heeft de geopolitiek slechts een zeer bijkomstige betekenis. Deze betekenis beperkt zich dan nog bovendien tot de militair-strategische aspecten van de oorlog en richt zich geenszins op de meer sociologische of sociaal-pychologische kanten.

Dat ruimtelijke factoren in het verleden wellicht een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van oorlogen willen wij hiermee niet ontkennen, doch deze rol moet dan veeleer geïnterpreteerd worden als ‘aanleiding’ en niet als ‘oorzaak’ van het conflict." (Valkenburgh, 1964)

Terug naar inhoud nieuwsbrief