Deel 1: correlaten van oorlog

Oorlogsoorzaken:theorieën en evidentie

Het grote probleem van oorlog in deze wereld is dat iedereen vrede wil, maar dan wel op eigen voorwaarden. Het grote probleem van vrede in deze wereld is dat iedereen denkt te weten wat de grondoorzaken van oorlog zijn, ook al is er geen greintje evidentie voor te vinden.

Er bestaan veel misverstanden over oorlogsoorzaken. De meeste hiervan zijn terug te voeren tot wat gewoonlijk het 'niveau-van-analyse-misverstand' wordt genoemd, dat wil zeggen dat de oorzaken, maar ook de remedie of preventie, van oorlog gelocaliseerd worden op bijvoorbeeld het niveau van het individu, of de opvoeding en socialisatie van het individu: "Als je kinderen maar niet met oorlogsspeelgoed laat spelen dan zal de oorlog vanzelf verdwijnen" of "Als je kinderen maar niet-agressief opvoedt..." zijn dan de argumenten, maar ook denkbeelden dat bijvoorbeeld conflictmediatie in kleine groepen kan bijdragen aan het voorkomen van oorlog, of het opheffen van armoede of sociale ongelijkheid of de verschillen tussen de geslachten - iedereen heeft zo zijn eigen, al dan niet ideologisch gekleurd, stokpaardje.

Maar het trieste feit is dat geen van bovengenoemde factoren statistisch verband houdt met uitbreken, frequentie, of mortaliteit van oorlog in het international systeem. Het meest hardnekkige, en blijkbaar onuitroeibare, misverstand is dat oorlog een soort collectieve agressie-uitbarsting is, of een manifestatie van een Freu-diaanse doodsdrift, dan wel een soort geaccumuleerde frustratie-aggressie op het niveau van staten.

Johan de Vree (redacteur van de 1982 uitgegeven bundel Oorlog en Vrede) vatte de problematiek als volgt samen: "In tegenstelling tot wijdverbreide opvattingen is oorlog niet het produkt van de slechtheid van de mens; van de kwade bedoelingen van sommige individuen, belangen of staten; van een verkeerde opvoeding; van oorlogszuchtige ideologieën, vreemdelingenhaat of van sociaal onrecht. En vrede is niet het produkt van verlichting, emancipatie, geweldloze opvoedingsmethoden, maatschappelijke gelijkheid en het opheffen van sociale misstanden, nationaal en internationaal".

Om het jaar van het Hague Appeal for Peace (waarin het thema van de Root Causes of War zo'n belangrijke plaats inneemt) luister bij te zetten zullen de komende nummers van de Nieuwsbrief deels gewijd zijn aan wat er zoal aan theorievorming bedacht en empirische evidentie gevonden is over de oorzaken van oorlog. Hierbij sluiten we ook aan bij de vraag die de Nieuwsbrief-redactie enkele jaren geleden stelde aan haar lezers, en waar als enige Hans van Iterson op reageerde (NVMP Nieuwsbrief 17, 2, 1997 p. 15). Dit is de eerste bijdrage van een serie over oorlogstheorieën, oorlogsoorzaken en -correlaten. We zullen allereerst ingaan op de correlaten van oorlogen aan de hand van het vorig jaar verschenen boek van Geller en Singer Nations at War. Correlaten zijn natuurlijk geen oorzaken, maar zij kunnen wel factoren identificeren die systematisch met bepaalde aspekten van oorlogen samenhangen.

Nations at War tracht op grond van kwantitatief empirisch onderzoek (voornamelijk gebaseerd op het Correlates of War [COW] Project, een database van alle internationale en burgeroorlogen van 1816 tot heden) een verklaring voor oorlog in de internationale politiek te bieden. Het boek inventariseert de onderzoeksgegevens van ruim 500 kwantitatieve analyses van oorlog op het analyse-niveau van de staat (monade), de dyade (statenparen), de (continentale) regio, en het internationale systeem.

Oorlogsgeneigdheid van staten

Als staten onder gelijke omstandigheden ongelijk handelen, dan zou dat kunnen komen door verschillen in de interne eigenschappen van staten. Een aantal hiervan die de oorlogsinitiatie beïnvloeden zijn:

* Machtsstatus (de staat is een grote mogendheid)
* Machtscyclus (kritisch punt op een machtscyclus in geval vangrote mogendheid)
* Alliantie (alliantielid)
* Grenzen (aantal grenzen)

De factor die de waarschijnlijke intensiteit (omvang/duur/ernst) van oorlog op het niveau van de staat doet toenemen is: machtsstatus (de staat is een grote mogendheid).Op het analyseniveau van de staat tonen nationale vermogens (capabilities, een combinatie van militaire, economische en demografische variabelen) sterke en consistente correlaties met buitenlands conflict. Het meest opmerkelijk zijn de verschillen bij naties in machtsstatus en oorlogsgedrag. Machtsstatus heeft een verband laten zien met de frequentie van, het initiatief tot, en de ernst van oorlog: grote mogendheden zijn veel sneller geneigd zich in een oorlog te begeven dan kleine mogendheden en ze zijn sneller geneigd zware oorlogen (met veel doden in de strijd) uit te vechten dan kleine mogendheden. Het niveau van militarisatie van een staat vertoont eveneens consistente positieve associaties met gewelddadig buitenlands conflict. Ten slotte lijken kritieke punten van een machtscyclus van een grote mogendheid sterk verband te houden met zowel oorlogsinitiatie als oorlogsbetrokkenheid. Op het analyseniveau van de staat lijkt er eveneens een sterk verband te bestaan tussen het aantal allianties en betrokkenheid bij oorlog. Ook de evidentie betreffende grenzen en oorlog is consistent en robuust: hoe meer grenzen hoe meer oorlog.

Er is weinig evidentie voor een verband tussen de volgende nationale eigenschappen en gedrag bij buitenlands conflict of oorlog op niveau van een staat: bevolkingsomvang en -dichtheid, geografische omvang, economische ontwikkeling, economische cycli, en nationale cultuur. Evenmin is er een sterk en consistent empirisch verband tussen interne en externe conflicten vastgesteld.

Oorlogsgeneigdheid van dyaden (paren van staten)

Consistente en cumulatieve factoren die de waarschijnlijkheid van oorlogsinitiatie bevorderen op het niveau van de dyade zijn:

* Naburigheid/nabijheid (gemeenschappelijke grens/afstand tussen staten)
* Politieke systemen (ontbreken van gezamenlijke democratie)
* Economische ontwikkeling (ontbreken van gezamenlijke hoog-ontwikkelde economie)
* Statisch machtsevenwicht (pariteit)
* Onstabiel dynamisch machtsevenwicht
* Alliantie (onstabiele externe alliantieband)
* Duurzame rivaliteit

De onderzoeksresultaten betreffende nabijheid/naburigheid en oorlog zijn cumulatief en consistent. Op het niveau van de dyade is de afstand tussen staten omgekeerd evenredig met oorlogsvoering. Nabije dyaden begeven zich eerder in oorlog dan niet-nabije staten.

Daarnaast is er een groeiende hoeveelheid bewijs van de invloed van zowel statisch als dynamische machtsevenwichten op het oorlogsgedrag. Met name staan statische machtsevenwicht en verschuiving van macht in de richting van pariteit verband met gemilitariseerd conflict en oorlog, ongeacht bevolkingsparameters. De stelling democratieën-bevechten-elkaar-niet lijkt steekhoudend: democratische dyaden begeven zich minder snel in een oorlog dan niet-democratische paren. Het is ondertussen al verscheidene malen vastgesteld dat de afwezigheid van oorlog tussen democratische naties een van de sterkste empirische generalisaties is die er bestaat op het terrein van de internationale politiek.

De rol van economische factoren lijkt tamelijk beperkt. De meest dwingende uitkomst laat de relatieve afwezigheid zien van oorlog binnen dyaden die gekenmerkt worden door een hoog niveau van economische ontwikkeling (maar dat zijn ook grotendeels de bovengenoemde democratieën). De literatuur over wapenwedlopen en oorlog is inconsistent. Als er al enige consensus is bij onderzoek naar wapenwedlopen dan is het dat sommige wapenwedlopen tot oorlog leiden, en andere niet.

Regionaal niveau: oorlogsgeneigdheid van (continentale) regio's

Eén consistente en cumulatieve empirische factor die de waarschijnlijkheid van oorlogsinitiatie op het regionale niveau bevordert is:

* Aanstekelijkheid/besmetting/diffusie (aanwezigheid van een in gang gezette regionale oorlog)

Van 1816 tot 1945 hadden de meeste conflicten betrekking op de Europese grote mogendheden en de Verenigde Staten. In de periode na 1945 daarentegen zijn het Midden-Oosten, Azië en Afrika het meest geteisterd door gewapende conflicten. Deze laatste ontwikkeling lijkt de waarneming te bevestigen dat de huidige wereld is verdeeld in 'zones van vrede, rijkdom en democratie' aan de ene kant, en 'zones van onrust, oorlog, en (onder)-ontwikkeling' aan de andere kant.

De uitkomsten van een klein aantal kwantitatieve studies wijzen erop dat een proces van oorlogsaanstekelijkheid/-diffusie op het regionale niveau werkzaam is. Een van de correlaten van oorlog op regionaal niveau lijkt oorlog zelf te zijn.

Systemisch niveau: oorlogsgeneigdheid van het mondiale systeem

Tenslotte worden bepaalde eigenschappen van het mondiale systeemniveau onderzocht op oorlogseffecten, zoals polariteit, allianties, machtsconcentratie, Kondratieff (economische conjunctuur) golven of cycli, normatieve beperkingen, en de aanwezigheid van internationale gouvernementele organisaties (IGOs).

Een aantal consistente en cumulatieve empirische factoren die de waarschijnlijkheid van oorlogsinitiatie op het niveau van het internationale systeem bevorderen zijn:

* Polariteit (zwakke unipolariteit/ zwakker wordende leider)
* Instabiele hiërarchie
* Aantal grenzen
* Frequentie van burgeroorlogen en/of revolutionaire oorlogen
.

De factor die de intensiteit (ernst/ duur/zwaarte) van oorlog bevordert op het niveau van het internationale systeem is:

* Alliantie (hoge polarisatie)

Het internationale systeem bestaat uit een hiërarchie van staten die is gebaseerd op relatieve macht. De mate van het machtsverschil tussen de leidende staat en potentiële uitdagers is van belang. Als de hiërarchie duidelijk is (d.w.z. dat de leidende staat beschikt over een substantieel machtsoverwicht) dan is actie om de hiërarchische ordening te herschikken, niet erg waarschijnlijk. Als echter het machtsoverwicht van de leidende staat gering is of afbrokkelt, dan kunnen andere staten ervoor kiezen om de hiërarchie te veranderen.

Veranderingen in de hiërarchische positie van grote mogendheden in het mondiale systeem lijkt statistisch verband te houden met de aanvang van grootscheepse ("global") oorlog.

Als het internationale systeem zich beweegt van unipolariteit naar multipolariteit (machtsdiffusie), zal conflict van lager niveau onder de grote mogendheden steeds waarschijnlijker worden ten gevolge van het verzwakken van de voornaamste verdediger van de hiërarchische status quo.

De evidentie betreffende allianties en oorlogsvoering op systeemniveau is duidelijk. Oorlogsinitiatie houdt geen verband met hetzij alliantievorming (aggregatie) hetzij alliantieconfiguratie (polarisatie). Maar de intensiteit van oorlog laat wel een consistente en significante correlatie zien met de configuratie van allianties. Dit resultaat is niet werkelijk verrassend omdat allianties het voornaamste mechanisme vormen waardoor kleine oorlogen grote oorlogen worden, oorlog verspreidt zich als een golfbeweging door allianties heen.

Evenals op het monadische en dyadische analyseniveau correleert het aantal grenzen en aaneengeslotenheid in het mondiale systeem positief met conflict en oorlog.

De uitkomsten van kwantitief onderzoek naar de doeltreffendheid van vreedzame internationale normen als middel om geweld op systeemniveau te bedwingen zijn niet bemoedigend. Normen die het gebruik van geweld beperken of de illegitimiteit van oorlog verkondigen zijn wel enigszins in staat gebleken oorlogsgedrag te beteugelen. Maar de historische evidentie wijst erop dat aan deze voorwaarden slechts zelden wordt voldaan en dat de vorming van een dergelijk internationaal veiligheidsbestel kortstondig is. De uitkomsten betreffende de effecten van IGO's op conflict op systeemniveau zijn minder consistent maar ook niet erg hoopvol. Het lijkt erop alsof IGO's worden opgericht tegen het einde van omvangrijke oorlogen. Het historische succes echter van diplomatieke instellingen en procedures voor geweldloze conflictoplossing wordt door catastrofes geteisterd. Enkele van deze formele regelgevende pogingen zoals de Vrede van West-falen en het Congres van Wenen zijn zeer succesvol geweest bij het oplossen van de geschilpunten die tot oorlog hebben geleid en bij het verzachten van geweld. Andere, zoals het Verdrag van Versailles, zijn rampzalig geweest en hebben precies de oorlog die ze trachtten te verhinderen mede veroorzaakt.

Oorlogen zijn machtsstrijden. Ze kunnen zich ontwikkelen naar aanleiding van een groot aantal concrete geschilpunten zoals territorium, hulpbronnen (grondstoffen, water), veiligheid, rijkdom of etniciteit. De aan- of afwezigheid van bepaalde factoren, in dit boek geïnventariseerd aan de hand van kwantitatief onderzoek gedurende meer dan vijf decennia, kan van invloed zijn op de waarschijnlijkheid van de aanvang en de ernst van dergelijke machtsstrijden. Het empirisch onderzoek toont ook aan dat er niet één afzonderlijke factor is die oorlog onvermijdelijk maakt. Zoals David Singer, die vele jaren lang directeur van het COW-Project is geweest, graag zegt: "Er zijn vele afritten langs de weg naar oorlog".

(vertaling uit het Engels door Mevr. P.M. Moll-Huber).

Geller, Daniel S. & J. David Singer (1998) Nations at War: A Scientific Study of International Conflict. Cambridge Studies in International Relations. Cambridge: Cambridge University Press.

ISBN 0 521 621194 (hb); 0 521 62906 3 (pb).

Terug naar inhoud nieuwsbrief