Plutonium in de ruimte en in pacemakers




door J. Gevers Leuven

15 oktober j.l. is de ruimtesonde Cassini vertrokken naar de grote buitenplaneet Saturnus met, voor zijn electriciteitsvoorziening, 34 kilogram plutonium-238 aan boord. De medische risico's zijn vrij indrukwekkend. Maar onze regering meent dat dit wel meevalt. Dat plutonium zat immers ook in pacemakers?
Plutonium-238 zit niet in kernwapens. Wel is het zeer gevaarlijk door zijn giftigheid. Die giftigheid is bijna volledig te danken aan zijn radioactiviteit. Plutonium-238 is een alfastraler. Deze straling dringt in materie niet verder door dan eentiende millimeter. Bij haar remming in de afscherming ontstaat warmte en daar was het om te doen. Maar als een alfadeeltje in levend weefsel tot stilstand komt ontstaat een ondiepe krater, waarbij tientallen cellen doodgaan. Een stofje plutonium-238 maakt een dood balletje om zich heen, met aan de rand een zeer grote kans op maligne ontaarding. Eentiende microgram oxyde van dit plutonium, ingeademd als fijne stof, is al een belangrijke longkankerverwekker (zie vorige Nieuwsbrief).
Met een raket zou men een sterk carcinogeen niet gaarne naar de ruimte schieten. Als er iets misgaat kan de plutoniumbatterij als een meteoor in de dampkring verbranden. Er ontstaat dan een fijne plutoniumstof die overal terecht kan komen. Ook in de longen van het merendeel van de wereldbevolking, die niet om een ruimtesonde heeft gevraagd.
Maar het kan niet anders. Wie een sonde naar de buitenplaneten wil sturen moet zorgen voor voldoende electriciteit voor de instrumenten en het doorseinen van de gegevens naar de aarde. Momenteel is als energiebron uitsluitend plutonium-238 geschikt. Vierendertig kilogram plutonium-238 produceert warmte, `vervalwarmte', voldoende voor 750 watt aan electriciteit. En dat gedurende tientallen jaren.
Tot zover gaat alles met het ruimtevaartuig volgens plan, maar de sonde zal in 2004 nog eenmaal langs de aarde scheren. Gelukkig zegt het Amerikaanse bureau voor ruimtevaart, NASA, dat het alles goed in de hand heeft. Welnu, dat moeten we dan maar geloven. De NVMP heeft tegen de lancering geprotesteerd bij de minister van Buitenlandse Zaken, Van Mierlo, en hem gevraagd de regering van de VS te bewegen om de missie uit te stellen. Het belang van de sonde weegt niet op tegen het gezondheidsrisico, zo betoogde onze voorzitter. Een antwoord kwam op 22 oktober 1997 van het waarnemend hoofd van de Afdeling Energie, Onderzoek en Technologie van het ministerie van Buitenlandse Zaken, J. Huber. Hij sloot ook de antwoorden bij die minister Wijers van Economische Zaken, die het Regeringsbeleid inzake ruimtevaartaangelegenheden coördineert, gaf op kamervragen.
Vraag 3 luidde: "Deelt U de mening van critici van de Cassinimissie, waaronder voormalig NASA personeel, dat een ongeluk met de sonde grote gevaren kan opleveren voor mogelijk honderdduizenden mensen?"
Antwoord: "Nee. (.....) Overigens zijn Pu-batterijen, zij het in sterk verkleinde vorm, in het verleden in pacemakers toegepast (....)"
Inderdaad hebben ook in ons land enkele tientallen patiënten met dit type pacemaker rondgelopen. In Leiden werd in 1972 een pacemaker van het type 9000 van MedtronicR, die 150 milligram plutonium bevatte, geïmplanteerd. Het ding bleef ongestoord werken tot het in 1987 moest worden verwijderd omdat de draden waren versleten. De dienstdoende technicus, gevraagd door het ministerie van VROM naar wat hij met het oude ding had gedaan antwoordde: "In de prullebak gegooid", waarop de ambtenaar scheen te ontploffen.
Het grapje kwam niet over. In werkelijkheid was het ding netjes naar de fabrikant teruggestuurd.
Plutonium bevattende pacemakers zijn nu obsoleet omdat de lithiumbatterijen zeer goed zijn en omdat het vervangen van een batterij een heel kleine ingreep is.
Maar wat gebeurt er met plutonium-238 na ontvangst bij de fabrikant? De halfwaardetijd is ongeveer 87 jaar. Dus is het spul na gebruik bepaald nog niet uitgewerkt, resp. vervallen. Toch is het afval en dat moet weg. Maar dat kan niet. Iedereen weet dat niemand weet hoe dat moet. Radioactief afval is de een na grootste kater van het nucleaire tijdperk (de grootste kater is de atoombom).

Grootschalige nucleaire techniek (kernenergie) werd beschouwd als de pacemaker van ons land. In Frankrijk is dat nog steeds zo. Bijwerkingen neme men voor lief. Zo ook kleine beetjes afgedankt plutonium-238. Het spulletje moet zeer, zeer diep worden begraven.
Een handboek (Advances in Pacemaker Technology Schaldach & Furman editors, Springer, Berlijn, 1975) beschrijft op bl. 341, dat als tienduizend patienten elk 150 mg plutonium-238 bij zich zouden dragen, dat tezamen 1,5 kilo zou zijn, en dat valt in het niet met wat de kernenergiecentrales bij de opwerkingsfabrieken inleveren. En dat materiaal geldt als "the most carefully supervised `sealed preparations' imaginable".
Waar de NVMP zich zorgen over maakt is de toekomst. Eens zal die onvoorstelbaar goede supervisie verkruimelen. Mensen vergeten wat radioactiviteit precies was. Archeologen gaan graven. Kortom, de een na grootste kater steekt nog wel eens de kop op.
De patienten waren er destijds goed mee geholpen. Het afval kon buiten hun lichaam, elders op aarde, worden bewaard. Mutatis mutandis zouden wij het afval van de `pacemaker van een land' buiten de aarde moeten brengen. Gevaarlijk! Er moet immers een raket aan te pas komen?


Terug naar inhoud Nieuwsbrief