Symposium ‘Lessen van Kosovo’

Op zaterdag 3 juni vond in de zo langzamerhand vertrouwde omgeving van het Academiegebouw te Utrecht de Algemene Ledenvergadering van de NVMP plaats.

Het NVMP-jaarverslag 1999 werd inhoudelijk besproken en voorzitter Herman Spanjaard stond enige tijd stil bij de belangrijkste momenten van het afgelopen jaar waarbij de Hague Appeal for Peace-conferentie en het Cleveringa-hoogleraarschap van Victor Sidel genoemd mogen worden.

Het blijkt zelfs dat onze vereniging meer activiteiten ontplooit dan ons budget in feite toestaat. Hoewel penningmeester Ferry Zoutenbier een helder en inzichtelijk financieel beleid voert, adviseerde de kascommissie dat wij komend jaar moeten zoeken naar aanvullende fondsen om al die activiteiten mogelijk te maken. Vanuit de zaal werd opgemerkt dat daarbij wel onze onafhankelijkheid dient te zijn gegarandeerd. Een goed voorbeeld van een gezamenlijke actie met aanvullende fondsen is de samenwerking met het PENN-netwerk (Project on European Nuclear Non-Proliferation) en de Atlantische Commissie bij de NPV-bijeenkomsten op 19 april. Het verslag van deze zeer geslaagde dag vindt u elders in deze Nieuwsbrief.

Ferry Zoutenbier en Henk Groenewegen verlengden met instemming van de aanwezigen hun zitting in het bestuur. Jannes Mulder en studente Akke van der Bij namen afscheid van het AB. Gelukkig werd de plaats van Akke opgevuld door een dubbele bezetting: Saskia van der Weijden en Marieke Blokzijl traden toe als AB-leden, waardoor de frisse en stimulerende aanwezigheid van de studenten in het bestuur gegarandeerd blijft.

’s Middags werd het al even traditionele symposium, een gezamenlijke inspanning van Economen, Juristen en Artsen voor Vrede, gehouden. De ‘Lessen van Kosovo’ stonden deze keer centraal. Herman Spanjaard leidde de bijeenkomst in en memoreerde de rol van de media bij dit conflict. Kijk je naar de Afrikaanse situatie dan hoor je eigenlijk weinig over de oorlog tussen Eritrea en Ethiopië. In het geval van Kosovo hebben de vreselijke berichten van de pers over honderdduizend doden er toe bijgedragen dat het NAVO-ingrijpen voor de burger acceptabel werd. De woorden van opperbevelhebber Clark ten spijt: ‘het NAVO-ingrijpen was militair gezien niet noodzakelijk, politieke argumenten gaven de doorslag’.

Als eerste spreker trok Meindert Stelling van de Juristen voor Vrede fel van leer tegen het NAVO-ingrijpen. Op inzichtelijke wijze schetste hij de relevante feiten die aan het drama van Joegoslavië in ruime zin en Kosovo in engere zin voorafgingen. Het meest fundamentele uitgangspunt met betrekking tot mensenrechten vormt de gelijkwaardigheid van mensen. Juist aan die gelijkwaardigheid werd getornd in Joegoslavië na Tito’s dood. Etnische sentimenten werden bespeeld en de etnische groep werd voorop gesteld. Er ontstond een streven naar een staat waarin etnische volksgenoten verenigd waren. Hierdoor heeft Milosevic de Albanese Kosovaren tegen zich in het harnas gejaagd. Toch moet dit in enige mate gerelativeerd worden. Maak je een vergelijking met de Turkse onderdrukking van de Koerden dan hadden de Kosovaren veel vrijheden: een eigen onderwijssysteem was mogelijk en men mocht eigen verkiezingen organiseren.

Vanaf 1995 begonnen de gebeurtenissen uit de hand te lopen. Geweld nam hand over hand toe en het guerillaleger UCK verscheen. Een onafhankelijke staat Kosovo werd het ideaal. Het optreden van Servische ‘politie-eenheden’ richtte zich al snel op de burgerbevolking, aangezien deze het UCK steunde. Vanwege de toenemende schending van mensenrechten werd aangedrongen op een oplossing, maar de situatie groeide van kwaad tot erger en mondde uit in het Servische offensief van 21 maart en de NAVO-bombardementen van 24 maart tot 10 juni. Stelling zet vraagtekens bij dit NAVO-optreden uitgaande van het recht tot oorlog en de normen en middelen tot oorlogsvoering. In feite was er geen sprake van een resolutie van de VN-veiligheidsraad die het NAVO-geweld tegen Servië rechtvaardigde. Volgens het Volkenrecht is het ook niet geoorloofd om in een binnenlandse situatie. waarbij schending van mensenrechten of genocide plaatsvindt, als buitenstaander in te grijpen. In gevallen waarin een dergelijk buitenlands ingrijpen wel heeft plaatsgevonden is dit veroordeeld, zoals bij de Verenigde Staten versus Nicaragua en het binnenvallen van Vietnam in Cambodja ten tijde van Pol Pot. Juridisch was er voor de NAVO dan ook geen enkele rechtvaardiging om zich met de ‘interne aangelegenheid’ Kosovo te bemoeien. Natuurlijk kun je je afvragen of een humanitaire interventie toch niet wenselijk is bij toekomstige situaties. Als dat zo is dan toch slechts in zeer uitzonderlijke gevallen. Immers met militair geweld mensenrechten herstellen kan als zodanig ook ernstige schendingen van de mensenrechten veroorzaken. Wat je doet is kwaad met kwaad bestrijden.

Stelling is van mening dat in het geval van de NAVO-bombardementen zelfs niet de schijn van een humanitaire interventie is getoond. Een echte humanitaire interventie dient namelijk gericht te zijn op de beëindiging van een humanitaire noodtoestand. Het hoog vanuit de lucht bombarderen kan een dergelijk doel nooit bereiken, daarvoor zijn grondtroepen nodig die, zo mogelijk, met een minimum aan geweld, de bedreigde groepen beschermen tegen genocide. Kortom: de NAVO-bombardementen waren halfslachtig, weinig effectief en het aanvallen van burgerdoelen was absoluut ongeoorloofd en als zodanig een oorlogsmisdaad.

Dilemma

Franklin De Vrieze (Pax Christi Vlaanderen) vulde het verhaal van Stelling op een aantal punten aan. Waarom kon de internationale gemeenschap het conflict in Kosovo niet voorkomen terwijl dit zich toch al lange tijd aankondigde? De Vrieze wijst op de vele dilemma’s en moeilijke keuzen die er speelden. Het Dayton-accoord van 1995 vormde een nationaal trauma voor de Kosovaren omdat daarmee de mogelijkheid op zelfbestuur ontnomen werd. Daarvoor had men 5 jaar lang geweldloze actie gevoerd. Maar na Dayton vormden een aantal incidenten een situatie die van kwaad tot erger ging. Daar kwam nog bij dat, toen er in oktober 1998 politiek een goede mogelijkheid was voor de stationering van een internationale vredesmacht, Clinton in de affaire Lewinsky verwikkeld was en zich absoluut niet bereid toonde tot het leveren van Amerikaanse troepen. Rambouillet vormde enkele maanden later slechts een ‘onmogelijke Lazarus-opwekking’, oftewel een poging een politiek proces dat reeds dood was weer tot leven te roepen.

De Vrieze oordeelt ook dat de NAVO-bombardementen geen enkele oplossing vormden voor de mensenrechtenschendingen. Maar ook hier was sprake van een dilemma en niet per definitie van een fout. Wat je ziet is, dat nogal wat critici die aanvankelijk voorstanders waren van het NAVO-ingrijpen, een ommezwaai maken en thans beweren dat het NAVO-ingrijpen de vluchtelingenstroom pas echt op gang heeft geholpen. Zo’n relativering is niet op zijn plaats, de misdaden van Milosevic moet men zeker niet minimaliseren.

Voor de toekomst geldt dat de grootste uitdaging de opbouw van een nieuwe rechtsstaat is. Op dit moment is Kosovo een protectoraat onder internationaal toezicht. Kosovo terugvoegen als deel van Servië lijkt haast onmogelijk. Voor een goede sociaal-economische ontwikkeling is integratie van zowel Kosovo als Servië in de Europese Gemeenschap welhaast een vereiste.

Tijdens de forumdiscussie werd verder ingegaan op de vraag welke grenzen je moet stellen aan humanitaire interventie. Als er in de VN om politieke redenen geen besluit genomen kan worden is dan misschien het Internationaal Gerechtshof in Den Haag (ICJ) een alternatief? Stelling is van mening dat de VN of het ICJ deze rol wel zouden kunnen spelen, maar in ieder geval niet individuele staten of een groep staten (NAVO). De historie heeft geleerd dat bij interventies door machtige staten er over het algemeen sprake is van eigenbelang.

Jannes Mulder stelt de vraag hoe de sprekers over 30 jaar zullen aankijken tegen Kosovo. Is Kosovo dan wellicht het eerste voorbeeld van een humanitaire oorlog in Europa geweest? De Vrieze wil de term humanitaire oorlog zeker niet gebruiken. Een oorlog kent alleen maar verliezers. Maar als het nu reeds moeilijk is de Kosovo-situatie te beoordelen, laat staan dat je weet hoe het er over 30 jaar uitziet.

Piet Terhal, voorzitter van Economen voor Vrede, stelt voor om als beroepsgroepen aan te dringen op een concrete stap. Het opheffen van het olie-embargo tegen Servië zou een handreiking kunnen zijn waardoor het land niet tot een ‘eeuwige vijand’ wordt veroordeeld maar middels verdere economische ontwikkeling tot een democratie kan uitgroeien.

Tot slot

In zijn slotwoord geeft Jef De Loof, voorzitter van de AVV, een paar treffende conclusies. Het NAVO-optreden is een waarschuwing, op deze wijze gaan andere landen bepalen wat er met Kosovo gaat gebeuren.

We moeten kritische vragen blijven stellen. Laat je niet in de war brengen door oorlogspropaganda die het ingrijpen en al zijn gevolgen wil rechtvaardigen. Gesofistikeerde bombardementen hebben laten zien dat ze het verloop van een oorlog niet kunnen bepalen. Grondtroepen zijn nodig, maar gelukkig lukt het niet meer om kanonnenvlees te leveren. Sterven voor het vaderland is niet meer in. Maar toch moeten we af van het denken dat met veel militair geweld problemen zijn op te lossen.

De les van Kosovo is dat je moet gaan zoeken naar niet-militaire interventiemachten.

Terug naar inhoud nieuwsbrief