Deel 5

Oorlogsoorzaken: theorieŽn IV

J.M.G. van der Dennen

Om het jaar van het Hague Appeal for Peace (waarin het thema van de Root Causes of War zo’n belangrijke plaats innam) luister bij te zetten zijn de komende nummers van de Nieuwsbrief gewijd aan wat er zoal aan theorievorming en em-pirische evidentie is bedacht en gevonden over de oorzaken van oorlog.

Aan de orde zijn geweest:

1. de demografisch-ecologische school 2. de economische school 3. imperialisme theorieŽn 4. de politiek-strategische school 5. de psychologische school

In deze aflevering worden behandeld:

6. culturele theorieŽn 7. de apologetische school

6. Culturele theorieŽn

De gedachte dat culturele ontwikkeling het oorlogsgevaar vergroot, treffen we behalve bij Plato ook bij andere schrijvers uit de Griekse Oudheid aan. Alle theorieŽn die stellen dat oorlog pas verscheen op een bepaald moment in de menselijke sociaal-culturele evolutie, impliceren dat oorlog een product is van diezelfde evolutie, dat vroegere perioden het verschijnsel oorlog niet kenden. De diffusionisten, een school die geen lang leven beschoren was, beschouwden oorlog als een eenmalige uitvinding van de predynastieke Egyptische cultuur (circa derde millennium v. Chr.), overgenomen door naburige culturen en zo, van volk tot volk, over de gehele wereld verbreid, daarmee een eind makend aan het paradijse-lijke gouden tijdperk van de vrede. Kernidee was de unieke uitvinding van een nieuw collectief gedrags-patroon en de latere diffusie daarvan vanuit ťťn centrum. Het bleek echter niet al te moeilijk aan te tonen dat vele volkeren en culturen oorlog voerden zonder dat van culturele contacten en uitwisseling sprake kon zijn.

Oorlog als culturele uitvinding, samenhangend met het totale culturele complex (en derhalve niet de uitdrukking van een menselijke ‘natuur’ of het resultaat van een instinct), is een opvatting van oorlog vooral gepropageerd door Dewey, Malinowski, Ruth Benedict, Margaret Mead en vele andere cultureel antropologen.

"Oorlog is alleen maar een culturele uitvinding, geen biologische noodzaak" (Mead, 1964).

De mens an sich zou vredelievend zijn; het is zijn cultuur die hem tot een oorlogszuchtig wezen zou transformeren. Het aantrekkelijke in deze visie is dat, omdat oorlog slechts een culturele institutie is, deze ook ge-makkelijk afgeschaft zou kunnen worden, zoals slavernij. De nadruk op de formule dat oorlog alleen maar een culturele inventie is, maakt het echter al gauw tot een magische kreet wanneer er niet verder wordt gevraagd, bijvoorbeeld waarom van nature vredelievende mensen culturen scheppen waarin oorlog kan worden ‘uitgevonden’; waarom oorlog Łberhaupt werd ‘uitgevonden’; waarom in zovele culturen wel en in zo weinige niet.

Een volgende groep theorieŽn postuleert een verband tussen oorlog en (snelle) culturele veranderingen. Wright (1965) benadrukt het verband tussen culturele vooruitgang en de groei van de politieke organisatie binnen een cultuur enerzijds en oorlog anderzijds. Sorokin (1937) ontwikkelde de theorie dat de stabiliteit van een cultuurperiode de vrede begunstigt en omgekeerd, dat cultuurverandering oorlog met zich brengt. De grootste frequentie van oorlogen doet zich voor bij overgangen van cultuurperioden, zoals die bij de ondergang van de klassieke beschaving en bij het einde der Middeleeuwen. Toynbee stelde dat vooral culturen in verval de neiging hebben geografisch te expanderen en zodoende in conflict komen met andere culturen. Andere theorieŽn vermoeden een verband

tussen het achterblijven van cultuursegmenten of faseverschillen in culturele ontwikkeling en oorlog (Clough, Quigley).

7. De apologetische school

"... Jammer dat er niet mťťr oorlogen zijn" (Ratzel, 1905)

Zoals we bij verscheidene van de besproken scholen en theorieŽn hebben kunnen constateren, wordt oorlog dikwijls onvermijdelijk geacht, omdat oorlog bepaalde essentiŽle of vitale functies zou vervullen. Van onver-mijdelijkheid naar wenselijkheid en noodzaak il n’y a qu’un pas. Als apologeten worden die auteurs aangeduid die de noodzaak van oorlog proclameren - variŽrend van fatalistisch tot verheerlijkend.

In vergelijking met de vorige paragrafen is de apologetische school niet zozeer een verzameling theorieŽn van oorlogsoorzaken, maar veeleer een manier van denken gecentreerd rond de verontschuldiging en rechtvaardiging van de oorlog (apologie = verontschuldiging). In de meest geŽxalteerde vorm is het een verheerlijking van de oorlog, bij sommige auteurs zelfs culminerend in een regelrechte heiligverklaring of vergoddelijking.

De apologie van de oorlog is, in verschillende verschijningsvormen en ideeŽnconstellaties - ‘gekleed naar de mode van de dag’ -, te beschouwen als een constante in het westerse denken tot op de huidige dag. We zullen de voornaamste varianten kort bespreken.

De metafysische variant

In het Oude Testament vinden we vele uitroeiingoorlogen op uitdrukkelijk bevel van de God der Wrake ten behoeve van Zijn uitverkoren volk. Deze houding tegenover oorlog vinden we terug bij de christelijke patristische denkers vanaf Augustinus, niet alleen in de theologische conceptie van het ‘bellum iustum’ (de rechtvaardige oorlog), maar ook in de mystiek-religieuze of metafysische doctrine van de noodzakelijkheid van oorlog, die uitloopt in de heiligverklaring van de oorlog bij Proudhon en de vergoddelijking van de oorlog door Joseph de Maistre (rond 1800).

Ons woord ‘oorlog’ is af te leiden van het woord ‘noodlot’. Verwant aan het noodlotsidee was de, vooral in de Middeleeuwen ‘populaire’ conceptie van oorlog als een periodieke teistering of catastrofe, even onvermijdelijk als een pestepidemie. Dit is de zogenaamde cataclysmische conceptie van oorlog (in de negentiende eeuw door Tolstoi welsprekend en met veel inzicht uitgewerkt). Deze opvatting van oorlog als een door bovenmenselijke factoren teweeggebrachte ramp kan gemakkelijk overgaan in het denkbeeld van oorlog als straf, boetedoening, tuchtmiddel, Gesel Gods.

Tot in de Elizabethaanse periode (rond 1600) vinden we vele bronnen die hierin de verklaring en de functie van oorlog zien: Gods straf voor de zonde. Vooral in vredestijd floreerde de zondigheid. Met zo’n morbide fantasie en suggestiviteit werden de kwalen en uitwassen van de vrede door de Elizabethaanse schrijvers onderkend dat vrede synoniem werd met een in het geniep voortwoekerende ziekte. Oorlog was de therapie: een louterende en vernieuwende kracht voor de morele vooruitgang van de mensheid; een tonicum tegen de decadentie en het zedelijk verval van de vrede. Wanneer oorlog de uitvoering is van een ‘ontwerp van de Voorzienigheid’, dan behoeft het geen verwondering te wekken dat de christelijke kerken traditionele bolwerken van militarisme zijn geweest.

Geheel in deze geest schreef Von Moltke in 1880:"Oorlog is een element van de Goddelijke wereldorde. Oorlog wekt de nobelste deugden in de mens: moed, gehoorzaamheid, plichtsbesef, zelfopoffering... Zonder oorlog zou de wereld stagneren en in materialisme verzinken."

Dezelfde Von Moltke verklaarde kernachtig: "Vrede is een droom, en niet eens een mooie droom".

De ťtatistische variant

Behalve voor de morele perfectionering van de mensheid en de verbetering van de cultuur, dient oorlog ook tot de vervolmaking van de staat. Hegel construeerde de meest consistente en totale, op de staatsalmacht gebaseerde apologie van de oorlog. Oorlog vernietigt dan wel de burgers, maar - hoe genereus - schenkt ons de staat. De staat, volgens Hegel, is de Goddelijke Idee zoals die op aarde bestaat. De staat is de apotheose van de Weltgeist; de voltooide moraliteit; de belichaming van de geest van het volk. De staat, als individu de natuurlijke vijand van alle andere staten, moet zijn bestaan in een oorlog tot gelding brengen. Eťn uitverkoren volk is voorbestemd tot wereldbeheersing. De staat is vrijgesteld van zedelijke verplichtingen; de geschiedenis is de enige rechter: ‘Die Weltgeschichte ist das Weltgericht’.

 

Oorlog is een morele noodzaak; "oorlog voorkomt een bederf van volken welke een blijvende, laat staan eeuwige vrede teweeg zou brengen".

Door oorlog ontsnapt de mensheid aan morele en intellectuele stagnatie, zo niet degeneratie, en aan verval in materialisme, zelfgenoegzaamheid, kleinburgerlijkheid, egoisme, decadentie, apathie, corruptie en andere rampzaligheden. De Pruisische geschiedschrijver Von Treitschke toont aan hoezeer hij Hegels dialectisch denken begrijpt als hij schrijft dat oorlog niet alleen een praktische noodzaak is, maar ook een ‘eis der logica’. ‘De hoop de oorlog uit de wereld te verbannen is niet alleen zinloos, maar ook onzedelijk’.

Scheler vatte in 1915 het Hegeliaanse denken wellicht het beste samen:

"De oorlogvoerende staat is de staat in de hoogste actualiteit van zijn bestaan".

De sociaaldarwinistische variant

In de loop van de tweede helft van de negentiende eeuw sijpelden ook bij de metafysische en ťtatistische apologeten van de oorlog biologische en evolutionistische ideeŽn door. Verkeerd begrepen principes uit Darwins evolutietheorie werden on-gegeneerd op het sociale en politieke vlak overgedragen. Ook het denkbeeld van vooruitgang wordt steeds meer met verwijzingen naar de evolutietheorie onderbouwd. Termen als ‘struggle for life’ en ‘verbetering van de soort’ of ‘van het ras’ duiken op.

In Proudhons La Guerre et la Paix bijvoorbeeld is oorlog niet alleen sacraal, maar ook noodzakelijk voor de verbetering van het ras, voor de ontwikkeling van de mensheid, voor de versterking van week en slap ge-worden volken, voor het recht van de sterkste, voor de kracht in het leven, het ‘ijzer in het bloed’ en de ‘sociale vitaminen’. Oorlog is de grote disci-plinator van de mensheid. Vroeg in de negentiende eeuw werd door een aantal filologen en historici de mythe van het Arianisme gelanceerd, gebaseerd op de foutieve identificatie van een taalgroep met een ‘arisch ras’, waarmee de ouverture tot een louter raciale interpretatie van de geschiedenis was ingezet. Gumplowicz bijvoorbeeld, in zijn werk Der Rassenkampf (1883) verklaarde de geschiedenis als het product van een eeuwige en bloedige strijd tussen rassen en volkeren. Door Bagehot, Spencer en Steinmetz werden deze Rassenkampf-interpretaties vertaald in meer biologische termen van groepsselectie. Door oorlog worden de zwakkere volkeren uitgeroeid zodat alleen de sterkere overblijven en zich voortplanten. Oorlog is een instrument van evolutie, een biologische ‘agent of progress’. Maar oorlog selecteert ook individuen (intragroep-selectie). Dit laatste nu is, volgens Spencer, in het huidige stadium van de beschaving een oorzaak niet van vooruitgang, maar van achteruitgang. Ontel-bare studies werden aan dit probleem gewijd. Voor het overgrote deel zagen deze zogenaamde selectionisten de individuele oorlogsselectie als negatief: direct, door de eliminatie van de beste en sterkste mannen uit de populatie of, indirect, doordat de ‘trekken van laagheid en slaafsheid in het ras worden vastgelegd’ (Vaccaro, 1886). Steinmetz redeneerde echter dat, zelfs al is oorlogsselectie negatief, deze negatieve aspecten meer dan gecompenseerd worden door de positieve aspecten van oorlog. De selectie in vredestijd is namelijk volgens Steinmetz ook negatief en regressief. Vrede leidt tot ondeugden, decadentie, weekheid en verlies van mannelijkheid, moed en altruÔsme. Men is het door de eeuwen heen roerend met elkaar eens wat betreft de verschrikkingen van de vrede.

De eschatologische variant

Novicows, Spencers en Vaccaro’s interpretatie van de strijd om het bestaan leidde tot het optimistische idee dat oorlog, bij de mens op zijn huidige trap van organische en sociaal-culturele evolutie, zijn functie heeft verloren en als ‘kinderziekte van de mensheid’ (Emerson) afgeschaft kan worden, of tenminste progressie vertoont in de zin van toenemende humanisering (Steinmetz).

Deze evolutionistische ideeŽn convergeerden met andere sociale vooruitgangsideeŽn, zoals die van Montes-quieu en Kant, die de vrede op den duur onontkoombaar achtten, omdat oorlog onverenigbaar zou zijn met de internationale handel; die van Saint-Simon, Comte, Jaures en Spencer, die de zinloosheid van oorlog in de in-dustriŽle samenleving voorzagen; die van Cobden, Angell en vele andere economen, die de oorlog als een te kostbaar en financieel catastrofaal gezelschapsspel zagen verdwijnen; die van Constant en Nobel, die de onmogelijkheid van oorlog voorzagen door de ontwikkeling van de wapentechnologie; of die van Fourier en Bakoenin, die het verdwijnen van de staat, en daarmee de oorlog, proclameerden. De vanuit verschillende

ideologieŽn en doctrines gevoede interpretaties dat de oorlog zijn functie heeft verloren dan wel zichzelf overbodig heeft gemaakt, vinden we in verschillende vermommingen terug in de eschatologische variant, maar (en hier zit de joker achter de hand) dan wŤl conditioneel, dat wil zeggen op voorwaarde dat het proletarisch paradijs, de heilstaat, de nieuwe maatschappij, het Duizendjarige Rijk gerealiseerd zal zijn, de staat afgeschaft, het kapitalisme ineengestort, de ‘war to end all wars’ uitgevochten.

In de tussentijd, in de wachtkamer van de meedogenloze, onontkoombare geschiedenis, blijven (klassen)strijd en oorlog instrumenteel en functioneel, Ťn noodzakelijk om het utopische, messianistische, chiliastische of millenarische ideaal te verwerkelijken of te bespoedigen.

Nawoord

‘Oorzaken’ van oorlog moeten niet worden verward met de meegedeelde motieven en zelfrechtvaardigingen, zoals daar zijn: volk en vaderland, God, vrijheid, vrede enz. Uit bovenstaande, summiere inventarisatie van theorieŽn van oorlogsoorzaken blijkt hoe de mensheid in de loop der eeuwen geworsteld heeft om greep te krijgen op het verschijnsel dat zij zelf, bewust of onbewust, ontketende; op hoeveel verschillende niveaus en gebieden van menselijk gedrag zij de oorzaken heeft gezocht; en hoe zelfs haar meest vernuftige denkconstructies het totale complex van factoren, die tot oorlogen leiden, nog nauwelijks vermogen te overzien.

De kernthema’s van alle hier besproken scholen zijn al eeuwen oud. De moderne polemologie heeft daar nauwelijks iets aan toegevoegd (behalve, wellicht, theoretische verfijningen en de mogelijkheid van kwantitatieve toetsing - hetgeen echter kan ontaarden in methodefetisjisme). Deze constatering moge beschouwd worden als een hommage aan de denkers uit het verleden.

De in deze serie over oorlogsoor-zaken vermeldde verwijzingen zijn te vinden op de website van de auteur, waarop tevens een uitgebreid overzicht van de macrokwantitatieve onderzoeksliteratuur kan worden aangetroffen. http://rint.rechten.rug.nl/rth/dennen/dennen.htm