Als hulp leidt tot geweld: stoppen!

 

Door: Linda Polman

 

De controverse tussen Henri Dunant en Florence Nightingale over verlengen van oorlog door hulp aan slachtoffers is nog altijd niet beslecht. Hulporganisaties moeten hun verantwoordelijkheid nemen.

 

Stel: u bent een internationale humanitaire hulpverlener in een oorlogsgebied en trouw aan de beginselen van het Rode Kruis, zoals het een humanitair betaamt. U bent dus onpartijdig, neutraal en onafhankelijk. Uw verantwoordelijkheid is het om menselijk lijden te verlichten, ongeacht de persoon of de omstandigheden ter plekke. Uw roeping bracht u ditmaal naar een vluchtelingenkamp in Darfur. U doet hier voor de slachtoffers wat u kunt, maar militairen maken misbruik van uw inspanningen. Ze eisen geld voor iedere waterput die u slaat en heffen torenhoge, ter plekke verzonnen belastingen op de zakken rijst en de tenten en medicijnen die u laat invliegen. Een deel van uw hulpgoederen gebruiken ze zelf, een ander deel verkopen ze. Van de opbrengst schaffen ze wapens aan, waarmee ze nog meer mensen het vluchtelingenkamp, of zelfs de dood injagen.

 

Wat doet u? Blijft u, ondanks de voor de slachtoffers zeer moeilijke omstandigheden, doen wat u kunt, want ieder gered mensenleven is er één en een klein beetje hulp is altijd nog beter dan niets? Of beziet u de omstandigheden, concludeert dat de beginselen van het Rode Kruis hier niet langer van toepassing kunnen zijn en gaat u ergens anders helpen? Vertrekken of koste wat het kost doorgaan met hulp verlenen, het is een eeuwenoud dilemma. Twee van ’s werelds eerste internationale humanitaire hulpverleners, Florence Nightingale en Henri Dunant, waren het al grondig met elkaar oneens over de juiste keuze. Nightingale was ervan overtuigd dat hulp het doel voorbijschiet als oorlogvoerende partijen er hun voordeel mee doen. Voor Henri Dunant was helpen een heilige plicht.

 

Het Rode Kruis

‘Tutti fratelli’ was het motto van Dunant. We zijn allen broeders. In 1859 was de Zwitserse zakenman getuige van de Slag bij Solferino tijdens de oorlog van Italië en Frankrijk tegen Oostenrijk. Van de 300 duizend mannen en jongens aan het 25 kilometer lange Italiaanse front sneuvelden er 40 duizend. Nog eens 40 duizend raakten er gewond. Bij gebrek aan legerartsen bleven Italiaanse, Franse en Oostenrijkse soldaten op het slagveld achter, de meesten om te sterven. Voor welke vlag ze hadden gevochten maakte Dunant niet uit: zonder vragen te stellen regelde hij zo veel mogelijk ketels soep, tabak en balen katoenpluksel, en vrijwilligers om met het pluksel wonden uit te wassen. Terug in Zwitserland lobbyde hij voor de op-richting van een particuliere organisatie voor hulp aan gewonde militairen.

 

In 1854, vijf jaar voor Dunants ervaringen bij Solferino, had de Britse verpleegkundige Florence Nightingale gehoor gegeven aan het verzoek van de Britse minister van Oorlog om zijn zieke en gewonde manschappen in de Krimoorlog bij te staan. Met een team van 37 door haar geselecteerde verpleegsters reisde Nightingale naar de Britse kazerne Scutari in het Aziatische deel van Istanbul. Bomvolle, stinkende, lekkende zaaltjes moesten een legerhospitaal voorstellen. Ongewassen lagen soldaten te creperen in bedden zonder lakens of dekens. Slechts een op de zes sterfgevallen in Scutari was het gevolg van verwondingen, de andere vijf werden veroorzaakt door cholera, dysenterie, tyfus en infecties.

Voor deze ene kazerne wist Nightingale geld van de minister los te peuteren om de hygiëne te verbeteren. Het aantal sterfgevallen in Scutari liep terug, maar de soldaten die dankzij Nightingale herstelden, moesten terug naar het front. Velen sneuvelden alsnog. Zónder haar hulp zou de oorlog sneller doodbloeden, besefte Nightingale. Het aantal gevechtsklare soldaten zou eerder opraken en als de minister van Oorlog niet zou investeren in betere zorg, zou het veel moeilijker worden voor hem om nieuwe rekruten te ronselen. Mannen die weten dat ze niet op verzorging hoeven rekenen als ze gewond raken, zoeken liever een andere baan.

 

De inspanningen van Dunant voor een particuliere hulporganisatie vervulden haar met boze afkeer. In 1863 richtten notabelen in Genève het Internationale Comité van het Rode Kruis (ICRC) op, de moeder van alle tegenwoordige westerse humanitaire hulporganisaties. De ‘humanitaire’ principes van het ICRC – neutrale, onafhankelijke en onpartijdige hulp door particulieren – werden verankerd in de Conventies van Genève. ‘Absurd,’ morde Nightingale. ‘Alleen in een landje als Zwitserland, dat zelf nooit oorlog zal zien, kan zoiets ontstaan.’ Met de ondertekening door Nauru en Montenegro zijn sinds augustus 2006 de Conventies van Genève aanvaard door alle landen ter wereld. Nooit eerder werden de rodekruisbeginselen unaniem omhelsd. En nooit waren er zo veel humanitaire hulporganisaties als nu.

 

De ngo’s – van regeringen onafhankelijke, neutrale organisaties – vormen gezamenlijk een ‘humanitaire gemeenschap’ die opereert in ‘humanitaire ruimten’. Dat zijn enclaves in oorlogsgebieden waarin slachtofferhulp alle militaire en politieke belangen dient te overstijgen, want slachtoffers zijn slachtoffers, ongeacht waarom ze vielen. In de anderhalve eeuw die verstreek sinds de oprichting van het Rode Kruis bleven de principes hetzelfde, maar oorlogen en humanitaire ruimten veranderden volledig. In Dunants tijd werden oorlogen nog uitgevochten op slagvelden en waren bijna alle oorlogsdoden en -gewonden militairen. Na de Tweede Wereldoorlog besloot men de beginselen van het Rode Kruis ook van toepassing te verklaren op hulp aan burgers in oorlogen. Burgers waren militair doelwit geworden, bijvoorbeeld door bombardementen op steden en dorpen, door vervolging en door uitroeiingsprogramma’s. In de Tweede Wereldoorlog vielen ongeveer net zo veel militaire als burgerslachtoffers. In onze tijd zijn zelfs 90 van de 100 oorlogsdoden burgers en zijn bijna alle oorlogen burgeroorlogen. Die worden niet uitgevochten door legers van verschillende landen, maar door afscheidingsbewegingen, volksmilities, opstandelingen en rebellen uit het eigen land. De hulpindustrie heeft grote financiële belangen bij het verstrekken van hulp. Regeringslegers vechten in die oorlogen vaak voor één partij.

 

Helse oorden

De huidige humanitaire ruimten bevinden zich in landen als Irak en Afghanistan, waar smerig en langdurig gevochten wordt. En in Congo, Somalië, Sierra Leone, Ethiopië en Sudan – helse oorden waar het voornaamste doel van strijdende partijen vaak is, zo veel mogelijk burgers af te slachten en iedere overlevende van huis en haard te verdrijven. Humanitaire ruimten worden strijdperken, omdat burgers zich daar verzamelen, om hulporganisaties heen.

Humanitaire hulpverleners zijn daarbij aan de grillen en genade van oorlogvoerenden overgeleverd. De tragiek van de mooie Rode-Kruisregels is, dat ze niet afdwingbaar zijn. ‘In burgeroorlogen aan partijen vragen de humanitaire beginselen te respecteren, is als vragen aan een bende straatrovers zich aan de regels van een bokswedstrijd te houden. Het is niet alleen belachelijk, het is zonder betekenis’, zei een Afghaans oorlogsslachtoffer in Kabul tegen onderzoekers van de Universiteit van Utrecht.

 

‘We hebben te maken met lokale ambtenaren die geld uit onze hulpgoederen persen en met guerrillaleiders, paramilitairen, generaals en regeringslieden die het au fond niets kan schelen als mensen creperen, zolang hun ego maar gestreeld blijft’, verzuchtte eens Jan Egeland, voormalig ondersecretaris-generaal voor Humanitaire Zaken van de VN. Strijdende partijen zorgen ervoor dat zijzelf zo veel mogelijk profiteren en de vijand zo weinig mogelijk.

In Liberia eiste toenmalig president Charles Taylor in onderhandelingen met internationale hulporganisaties 15 procent van de waarde van alle hulp op: niet alleen de Liberiaanse oorlogsslachtoffers, ook Taylors soldaten moesten eten. In Somalië eisten krijgsheren tot wel 80 procent van de hulpgoederen voor hun eigen manschappen op. In delen van ex-Joegoslavië stond de UNHCR 30 procent van de waarde van alle hulpgoederen aan Servische strijdkrachten af. De VN-vertegenwoordiger in Zuid-Afghanistan, Talatbek Masadykov, schatte in 2007 dat hulporganisaties in Uruzgan een derde van hun voedsel- en landbouwhulp aan de Taliban overhandigen.

Rebellen zowel als oorlogvoerende regeringen bestoken hulporganisaties met vaak ter plekke verzonnen belastingen. Het regime van Soedan, door het Internationaal Strafhof verantwoordelijk gehouden voor genocide in Darfur, incasseert enige miljoenen dollars per jaar van hulporganisaties. Voor visa en werkvergunningen, door loonheffingen, voertuigenbelasting en haven- en luchthavenbelastingen. In oorlogslanden verdwijnen opbrengsten van ‘belastingen’ rechtstreeks in oorlogskassen. Hulporganisaties moeten zelfs pittige toeslagen betalen voor het inenten van kinderen, het opvangen van vrouwen en het revalideren van gewonden.

 

Het aantal hulporganisaties in oorlogsgebieden is sinds de Tweede Wereldoorlog explosief gegroeid. Humanitaire drama’s die door westerse donorregeringen belangrijk genoeg worden gevonden mogen tegenwoordig rekenen op de komst van gemiddeld duizend nationale en internationale hulporganisaties. Maar we kijken ook niet meer op van het dubbele aantal, zoals in Afghanistan. Budgetten groeien ook. Voor humanitaire noodhulp – zeg maar: EHBO bij oorlogen en rampen – stellen donoren jaarlijks ruim 6 miljard dollar beschikbaar. Via collecten in kerken, bedrijven, verenigingen en huis aan huis en allerhande spontane, hartverwarmende lokale initiatieven komen daar jaarlijks nog honderden miljoenen euro’s bij. Het dilemma van Dunant en Nightingale is actueler dan ooit. Maar een gezamenlijk antwoord van de humanitaire hulpwereld op het misbruik van noodhulp is er niet en is ook niet in de maak.

 

Zwijgen over dilemma

Hulporganisaties zwijgen over het probleem, bang voor teruglopende inkomsten als het slechte nieuws bekend wordt. Gezamenlijke pogingen om de schade in kaart te brengen ondernemen ze al helemaal niet. Liever dragen ze in ’s werelds smerige oorlogsgebieden de zuiverheid van hun humanitaire beginselen, van neutraliteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, als een schild voor zich uit. Volgens hen moet de humanitaire plicht om te helpen prevaleren, hoe schaamteloos die ook door krijgsheren, generaals en transnationale terroristenleiders wordt misbruikt. Voor de gevolgen moet ‘de politiek’ maar een oplossing zoeken, zeggen ze. Maar als ‘de politiek’ dat niet doet, zoals bijna nooit, waar leggen de humanitaire hulporganisaties dan hun grenzen?

Doorgaan met helpen, of vertrekken: wat is op den duur het wreedst?

De vraag naar de balans, als je de positieve gevolgen van hulp afweegt tegen exploitatie van de hulp door bad guys, moet in iedere ‘humanitaire ruimte’ steeds opnieuw worden gesteld. De tijd dringt. Het aantal hulporganisaties groeit verder. Het VN-ontwikkelingsprogramma (UNDP) schat dat er internationaal al meer dan 37 duizend opereren. Hulpbudgetten stijgen nog steeds. Als de Wereldbank nee zegt tegen een krijgsheer, zegt een rijke islamitische geldschieter wel ja, en als Europa niet meedoet, biedt China z’n diensten aan.

 

Wanneer houdt hulp op ethisch te zijn? Voor ons in Nederland misschien een vraag met een hoog filosofisch gehalte, maar voor de ontvangers van onze hulp is een antwoord van levensbelang. De hulpindustrie heeft grote financiële belangen bij het verstrekken van hulp en mag daarom niet alleen zelf beslissen wanneer ethische grenzen worden overschreden. Journalisten moeten

hulpinstellingen kritisch achtervolgen. Nog belangrijker: donateurs moeten vragen stellen. Als hulporganisaties zeggen dat wat ze doen helpt, vraag dan hoe ze dat kunnen weten. Wie wordt geholpen met dat voedsel, met die medicijnen? Onschuldige slachtoffers, krijgsheren, of allebei?

Het is zoals Jan Egeland vlak voor zijn terugtreding als VN-chef Humanitaire Zaken in 2007 zei: ‘Het ene mensenrecht dat de armen en kwetsbaren op z’n allerminst zouden moeten hebben, is bescherming tegen hulp.’ Hij bedoelde hulp van incompetente hulporganisaties. Maar nog belangrijker is bescherming tegen hulp die leidt tot meer geweld.

 

  

 

 

Linda Polman is journalist. Dit stuk verscheen op 8 oktober 2008 als artikel op de ‘Opiniepagina’ van de Volkskrant en is afkomstig uit Polman’s boek ´De Crisiskaravaan - achter de schermen van de humanitaire hulpindustrie´, Uitgeverij Balans.

 

Het copyright ligt bij de auteur, voor meer informatie zie haar website www.lindapolman.nl