Deel XIV

 

De studie van de hedendaagse oorlog

 

Bij het denken over oorlog en de theorieën van de oorzaken bleven enkele aspecten onderbelicht. Het gaat om principes die het  krijgsbedrijf in de ruime zin van het woord toelaten te functioneren. Behalve de motivatie om te vechten (gevechtsmotivatie is al op zich zelf een boeiend studieterrein), zijn het strategie, tactiek en logistiek.

 

Strategie

Oorlog is de kunst van het doorvoeren van een politiek beleid door het gebruik van bewapende krachten. In de woorden van Von Clausewitz, de voorzetting des politischen Verkehrs mit Einmischung anderer Mittel. Het omvat strategie, tactiek, en logistiek. Tegenwoordig onderscheidt men tussen strategie en tactiek een extra niveau, namelijk een niveau van operaties. Volgens Dupuy (1987): Operations involves the control and direction of large forces (usually armies or army groups) in combat activities within a single, discrete  theater of combat. Operations can be considered a separate conceptual level of combat lying between strategy and tactics. Strategie, in de oorspronkelijke betekenis van het woord, betekent ‘de kunst van de generaal’ (van het Griekse stratēgos). De kunst van de strateeg is de kunst van het ‘berekende risico’, van onzekerheden en onafweegbaarheden (uncertainties and imponderables) (Matloff et al, 1977). Luttwak (1988) beschouwt strategie als de ‘logica’ van oorlog en vrede. Het is lang een favoriet tijdverdrijf van militaire theoretici geweest om uit de grote massa van militaire ervaringen simpele maar absolute waarheden te destilleren – lijsten met principes – die bevelhebbers als leidraad konden gebruiken. Hoewel er geen overeenstemming bestaat over het aantal principes hebben sommige toch bekendheid gekregen. In 500 v.C. formuleerde de Chinese generaal Sun Tzu 13 principes; de Amerikaanse generaal Forrest hanteerde tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog slechts één principe (getting there first with the most men); en Napoleon kwam zelfs tot 115 maximes. De meeste lijsten omvatten de volgende tien principes: het objectief, het offensief, samenwerking (eenheid van bevel), mobiliteit (flexibiliteit), de massa (concentratie), de proportionele krachtsinspanning (economy of force), de manoeuvre, de verrassing, de veiligheid, en de eenvoud (Fuller, 1925; Zook & Higham, 1966; Matloff et al, 1977; Dupuy, 1987; Ropp, 2000). Zie ook kader.

 

De strategie wordt opgebouwd uit  begrippen als offensief of defensief, defilade of enfilade, doorbraak of omsingeling, de directe benadering of de indirecte, enzovoort. Deze begrippen zijn niet nieuw en zijn ook niet beperkt tot een bepaald niveau van de oorlog. Een Griekse falanx, een Romeins legioen, zelfs een groep holbewoners die op rooftocht gingen, moesten dezelfde problemen oplossen als het leger van von Moltke of dat van Eisenhouwer. De reden is dat zoals van Creveld (1991) het formuleert oorlog evenveel door hersenen (by brains) als door kracht (by force) wordt gevoerd.

 

Tactiek

Tactiek, de kunst en de wetenschap van het voeren van veldslagen, handelt over de benadering van een gevecht, de opstelling van troepen, het gebruik van diverse legeronderdelen en wapens en de uitvoering van bewegingen voor aanval of verdediging. Von Clausewitz definieerde tactiek als “de formatie en uitvoering van enkelvoudige veldslagen op zichzelf”, en strategie als “de combinatie van enkelvoudige veldslagen met elkaar… Met andere woorden, strategie omvat het plan van de oorlog, tekent de koers van de verscheidene campagnes en reguleert de veldslagen die in elke campagne worden gestreden”. De elementen van tactiek zijn duaal: aanval en verdediging, samenhang en verspreiding, bescherming en mobiliteit, morele en materiële waarden. Deze elementen blijven onveranderd door de tijden heen, ongeacht variaties in wapens en communicatie. De fundamentele tactische principes zijn eenvoudig en beperkt in aantal. De complexiteit en moeilijkheden komen pas wanneer principes als verrassing, geheimhouding, deceptie, veiligheid en het verzamelen van inlichtingen practisch worden toegepast (zie beneden: Frictie). De tactische voordelen van deceptie en verrassing zijn enorm zodat de hinderlaag een van de meest efficiënte tactieken van oorlogvoering blijft (Matloff et al, 1977), samen met de gefingeerde terugtrekking (feigned retreat).

 

De twee basisformaties zijn de lijn en de kolom, die slechts 90 kompasgraden verschillen: een kolom van mannen in vier lijnen, gericht op het noorden, hoeft alleen een ‘gezicht rechts’ uit te voeren om een lijn van vier rijen te worden, gericht op het oosten. Geen van deze formaties is bruikbaar voor alle tactische doelen. Hoewel de kolom het best is aangepast aan marcheren en manoeuvre, zijn het nauwe front en de kwetsbare flanken nadelig in de strijd. De lijn mist diepte en mobiliteit, maar is meer geschikt voor plaatsing op het slagveld.

 

De beschrijvingen van veldslagen geven vaak de indruk dat de overwinningen volledig door fysieke druk zijn verkregen, gemeten aan de veroorzaakte slachtoffers. De ervaring van geschiedenis leert integendeel, dat de morele of psychologische krachten een grotere rol in het resultaat spelen dan materiële middelen. De strijdlust van een leger is niet vaak gebroken omdat de rangen zo zijn uitgedund dat de overlevenden door het aantal tegenstanders werden verpletterd. Zij werden verslagen door hun overtuiging (gevoel?) dat verdere weerstand hopeloos was. Het is het werk van de tacticus om zijn tegenstanders daarvan te overtuigen in plaats van te verpletteren. Keegan (1977) drukt dit als volgt uit: “Strijd is in essentie een moreel conflict... dat plaatsvindt tussen twee legers en leidt tot de morele en daarna fysieke desintegratie van een van hen”.

De methoden om een overtuiging (gevoel?) van nederlaag tot stand te brengen kunnen tot enkele aanvalsplannen worden gereduceerd. Zij herhalen zich in de hele geschiedenis. De eenvoudigste is simpelweg de frontale aanval over de gehele linie.

 

Al vroeg werd ontdekt dat legers het meest een aanval op de flank of de achterhoede vrezen. Een aanval van een kant is niet genoeg omdat de tegenstander zich kan draaien, waarop de inspanning een gewone frontale aanval wordt. Om een echte flankaanval uit te voeren moet een deel van de aanvallende strijdkracht het front van de vijand fixeren, misschien zelfs defensief, terwijl een aanvalskracht rondtrekt om tegelijkertijd de flank aan te vallen. Als deze aanvalskracht een zwaai kan maken wijd genoeg om de achterhoede van een tegenstander te bedreigen, wordt de aanval een enkele omsingeling. En in de gevallen wanneer het achtergedeelte van beide kanten wordt bestormd, is een dubbele omsingeling (of schaarbeweging of Kesselschlacht) het resultaat. Noch een flankaanval noch een omsingeling is mogelijk wanneer een generaal zijn flanken beschermt met natuurlijke obstakels. In dat geval is het soms mogelijk om twee nieuwe flanken te creëren door het front van een tegenstander te scheuren en door het gat te trekken om zo de achterhoede aan te vallen. Dat is de penetratieslag (Matloff et al, 1977).

 

De sterkten en zwakten van offensief en defensief zijn in alle militaire tijdperken bediscussieerd. Veel hing af van nieuwe wapens of tactieken. De aanvaller geniet het voordeel van het initiatief, en kan gewoonlijk het tijdstip van de aanval en soms zelfs de plaats kiezen. Als er meerdere plaatsen mogelijk zijn, heeft hij gelegenheid om principes van deceptie en verrassing te gebruiken tegen de tegenstander die voorbereidingen moet treffen voor elk mogelijk alternatief. De verdediger heeft vaak het voordeel zijn eigen grond te kiezen en te versterken, maar hij moet tenminste tijdelijk het initiatief aan de vijand afstaan. In de meeste gevallen verwacht hij het initiatief te herwinnen door een beslissende tegenaanval na uitputten van zijn vijand of door hem in een ongunstige positie te manoeuvreren (Matloff et al., 1977).

De partij die van plan is aan te vallen heeft gewoonlijk een superioriteit van strijdkrachten nodig of kwantitatief of kwalitatief of beide (van Creveld, 1991) - gewoonlijk de-drie-op-één-regel genoemd. Dit is een voorbeeld van een tactische vuistregel. Andere dergelijke tactische regels zijn bekend als Lanchester vergelijkingen (de ‘lineaire wet’ en de ‘kwadratische wet’), die een vage factuele basis hebben en voornamelijk worden gebruikt in simulaties. Dupuy (1987) heeft getracht de Lanchestervergelijkingen en andere tactische vuistregels een meer solide (zowel empirische als mathematische) basis te geven. Vroege (klassieke) tactici waren Xenophon (428-354 v.C.), Julius Caesar (meerdere boeken over zijn vaak bittere oorlogen), Sextus Julius Frontinus (Strategemata ± eerste eeuw n.C.), Aelianus de Tacticus (Tactica, ± 100 n.C.), Flavius Renatus Vegetius (Epitome rei militaris ± 390), de Byzantijnse Keizer Maurice (Strategicon ± 580), Keizer Leo de Wijze (Tactica ± 900), en later tijdens en na de Napoleontische tijd Comte de Guibert (Essai générale de tactique, 1775), von Clausewitz (Vom Kriege, 1832), Jomini (Précis de l’art de la guerre, 1836), en Ardant du Picq (Etudes sur le combat, 1868).

 

Frictie

De twee grote obstakels voor oorlogvoerende strijdkrachten zijn, volgens von Clausewitz, onzekerheid (de fog of war) en frictie. Hij zou inflexibiliteit hebben kunnen toevoegen, om zo een trits te maken van de problemen die strijdkrachten sinds het begin der tijden hebben geteisterd. Een hoofdcomponent van kracht is pure numerieke overmacht. “Als al het andere gelijk is, wint de zijde met de grotere bataljons” of “God staat aan de kant van de grotere bataljons”, zo luidt de algemene wijsheid. Het bestaan van een grote macht zorgt echter ook voor problemen. Nogmaals het eeuwige caveat toepassend – ceteris paribus – hoe groter een gegeven corpus van troepen, des te minder de flexibiliteit (van Creveld, 1991). De eisen van grootte, vuurkracht, schootsafstand, flexibiliteit en manoeuvreerbaarheid, bescherming (bepantsering), en snelheid zijn altijd strijdig met elkaar. Hoe groter het aantal troepen, des te minder manoeuvreerbaarheid; hoe meer bepantsering des te minder snelheid en actieradius of het nu om een middeleeuwse ridder dan wel om een moderne tank handelt, enz.

 

Frictie (wrijving, Reibung) is een term die door von Clausewitz werd ontleend aan de mechanica. Vom Kriege definieert Reibung als “dat wat oorlog op papier onderscheid van het echte gebeuren”. Wat het probleem van frictie zo hardnekkig maakt is het feit dat, hoe groter de geëiste efficiency, des te slechter de gevolgen zijn bij falen. Het gezegde dat niets slaagt als succes heeft ook een keerzijde: zodra mislukking begint, is het proces moeilijk te stoppen. De rol die frictie speelt in een oorlog is zeer groot. Van legers die op campagne zouden gaan is bekend dat zij verhongerden voor ze zelfs konden beginnen te vechten (van Creveld, 1991).

 

Een andere bron van wrijving, behalve die van binnenuit, is de omgeving. De regens komen vroeg, de wegen veranderen in modderpoelen waardoor de voortgang vertraagt of helemaal stopt. De brug gemarkeerd op de kaart blijkt in slechte staat te zijn en kan de tanks niet dragen of blijkt zelfs niet meer te bestaan. De enige tegenmaatregel hiervoor is, zorgvuldige voorbereiding gebaseerd op goede informatie. Middelen zijn echter altijd beperkt met als resultaat dat de voorbereiding nooit perfect kan zijn. Het punt waar informatie in beeld komt is ook waar wij de derde grote hindernis voor kracht, namelijk onzekerheid, tegenkomen. Net zoals inflexibiliteit en frictie hangt onzekerheid samen met grootte en neemt evenredig toe. Een andere zeer belangrijke bron van onzekerheid vormt de aard van de menselijke componenten in een oorlog. Oorlog, meer dan enig andere menselijke activiteit, is bij uitstek het domein van woede, vrees, pijn, en dood (van Creveld, 1991).

 

De onzekerheid inherent aan elke organisatie kan worden begrepen als een speciale vorm van frictie, namelijk, die welke voorkomt uit de moeilijkheden van informatieverwerking. Maar, in het geval van oorlog, is de onzekerheid niet slechts het resultaat van de eigen structuur van het leger of de omgeving waarin het opereert. Het eenvoudige feit dat het gaat om een levende vijand, bestaande uit vlees en bloed en met een wil die tot op zekere hoogte vrij en onvoorspelbaar is, introduceert een extra grote mate van onzekerheid.

Bovendien zal een verstandige vijand alles doen wat in zijn vermogen is om onze onzekerheid te doen toenemen. Hij zal camouflage, geheimhouding, snelheid, deceptie, en verrassing gebruiken om zijn bewegingen te verdoezelen. Hij zal proberen om zijn identiteit te maskeren door het blokkeren, het overbelasten, of het bedriegen van onze sensoren (van Creveld, 1991).

 

Aldus wordt de primaire voorwaarde voor succes gevormd door de capaciteit om de gedachte van de tegenstander te lezen terwijl de eigen gedachten worden verborgen. Maar zelfs als we dit doen werkt het proces ook omgekeerd: als de tegenstander moet worden verhinderd om zijn krachten te concentreren tegen onze zwakheid, moeten we onze eigen gedachten verborgen houden terwijl wij de zijne proberen te lezen. Het netto-resultaat is een complexe dynamische interactie tussen twee tegengestelde ‘willen’. Het is wanneer wij dit soort interactie in concrete voorbeelden vertalen dat de paradoxale logica van strategie zichzelf ten volle openbaart. In het gewone leven zal een actie die eens is gelukt ook een tweede keer lukken, mits de omstandigheden gelijk blijven. Maar dit elementaire feit – waarop wetenschap en technologie zijn gebaseerd – geldt niet voor oorlog, voetbal, schaken, of enig ander activiteit gestuurd door strategie. Hier zal een actie die eenmaal is gelukt waarschijnlijk falen wanneer het voor de tweede keer wordt geprobeerd. Het zal falen, niet omdat het eens is gelukt maar omdat het succes een intelligente tegenstander op zijn hoede laat zijn. Dezelfde redenering werkt ook omgekeerd. Een operatie eens mislukt, kan een tegenstander doen concluderen dat die niet herhaald zal worden. Wanneer hij eenmaal gelooft dat het niet zal worden herhaald, is de beste manier voor succes juist het herhalen. Een ononderbroken dynamische interactie volgt, in staat om overwinning in ramp en ramp in overwinning te veranderen (van Creveld, 1991).

 

Logistiek

Omdat legers zogezegd ‘op hun maag marcheren’ is logistiek het meest cruciale, hoewel minst sensationele, deel van de krijgskunst. Logistiek, het ‘voeden van Mars’ –  de oorlogsmachine – is de echte nervus belli (zenuw van oorlog). De organisatie, het onderhoud, en vooral de verdediging van toevoerlijnen (en lijnen van communicatie evenals lijnen van terugtocht), vormen de ruggengraat van elke militaire campagne. De regelmatige en constante levering van reserveonderdelen; brandstof voor tanks, voer voor paarden, munitie, leeftocht, (winter)kleding, veldhospitalen, medicijnen, enz. enz. voor de troepen, wordt meer en meer problematisch naarmate het offensief vooruitgaat, terwijl voor de terugtrekkende verdedigers de lijnen juist korter en minder kwetsbaar worden. Logistiek was de Achilleshiel van elke imperiale expeditie. In het tijdperk van de koloniale oorlogvoering was het een axioma dat een grote strijdkracht verhongerde terwijl een kleine de nederlaag riskeerde (Porch, 2000). De faliekante mislukking van operatie Barbarossa (de invasie van de Sovjet Unie door Hitlers legers tijdens de Tweede Wereldoorlog) was uiteindelijk te wijten aan Duitse ‘logistieke imbeciliteit’, zoals Murray (1995) het verwoordde.

 

Vele veldslagen en campagnes in de westerse geschiedenis werden verloren wegens ontoereikende logistiek; de Krimoorlog is een betreurenswaardig voorbeeld (Matloff et al., 1977).

 

 

Dupuy (1987) formuleerde de volgende Timeless Verities

of Combat

 

           1.        Offensive action is essential to positive combat results.

           2.        Defensive strength is greater than offensive strength.

           3.        Defensive posture is necessary when successful offense is impossible.

           4.        Flank or rear attack is more likely to succeed than frontal attack.

           5.        Initiative permits application of preponderant combat power.

           6.        Defenders’ chances of success are directly proportional to

                     fortification strength.

           7.        An attacker willing to pay the price can always penetrate the strongest

                     defenses.

           8.        Successful defense requires depth and reserves.

           9.        Superior combat power always wins.

           10.      Surprise substantially enhances combat power.

           11.      Firepower kills, disrupts, suppresses, and causes dispersion.

           12.      Combat activities are always slower, less productive, and less efficient

                     than anticipated.