Beschikken mensen over dodingsremmingen?

 

Slecht geweten

Harry Turney-High (1949), een van de pioniers van de studie van de ‘primitieve’ oorlog (d.w.z. oorlogvoering bij ‘traditionele’, pre-industriële samenlevingen), beweerde dat het doden van mensen door de oorlogvoerende partijen bepaald geen sinecure was, (zoals vele andere antropologische bronnen constateerden), maar dat op z’n minst de houding tegenover het doden van ‘de vijand’ ambivalent was en schuldgevoelens met zich meebracht die wezen op een slecht geweten en die door reinigingsrituelen moesten worden ‘afgekocht’. Turney-High stelde dat dit slechte geweten t.o.v. het doden van medemensen universeel voorkomt. Cold-blooded slaughter has really never been approved by the bulk of mankind (1949: 207). Mensen zouden een onderbewuste afkeer hebben van het doden van soortgenoten, in tegenstelling tot wat latere sociobiologen en primatologen zoals Volker Sommer (1987), Christian Vogel (1989), Michael Ghiglieri (1999), Richard Wrangham (1999; Wrangham & Peterson, 1996) beweerden. Vogel schreef bijvoorbeeld: Als Primaten haben wir nie eineangeborene innerartliche Tötungshemmungbesessen, einenbiologischen Normen-filter, der zu töten verbietet’ hat es in unserer Naturgeschichte nie gegeben, und es bedarf zum Töten des Menschen durch den Menschensei dies im Krieg oder bei anderen Gelegenheitenkeiner Indoktrinie-rung, die den Gegner ‘quasi zum Nichtmenschen’ stempelt. Een dergelijke apodictische uitspraak wordt door Ghiglieri bevestigd: That most men are resistant, reluctant, or personally afraid to kill does not equate to man being inhibited by nature from killing. Volgens Wrangham hebben mensenmannen niet alleen geen dodingsremmingen, maar zelfs a ready appetitite to attack their enemies.

 

Naast de ontkenning van het bestaan van dodingsremmingen en de erkenning ervan is er nog een derde theoretische positie mogelijk, namelijk dat er bij mensen (en vermoedelijk ook bij andere sociale dieren) een afstandsgradiënt bestaat die het doden van medemensen vergemakkelijkt naarmate de afstand toeneemt. ‘Afstand’ in dit verband betekent zowel fysieke (geografische, ruimtelijke) afstand als psychische (bijv. hiërarchische, etnische, raciale) distantie. Deze opvatting heb ik in mijn boek The Origin of War verdedigd.

 

Ontbrekende dodingsremmingen

Turney-High was niet de eerste antropoloog die de verschijnselen van disculpatieritueel en ambivalentie t.o.v. ‘de vijand’ bij ‘primitieve’ volken (h)erkende. De eerste (voor zover ik kan nagaan) was de Engelse antropoloog Sir James Frazer in zijn opus magnum The Golden Bough (1890). De bedoeling van deze expiatory rites, schreef Frazer, is no other than to shake off, frighten, or appease the angry spirit of the slain man.

Sigmund Freud was zo onder de indruk van de vele voorbeelden van disculpatie-rituelen die Frazer had geinventariseerd dat hij het onderwerp uitvoerig besprak in zijn Totem und Tabu (1913), en hij concludeerde: Wir schließen aus all diesen Vorschriften, daß im Benehmen gegen die Feinde noch andere als bloß feindselige Regungen zum Ausdruck kommen. Wir erblicken in ihnen Äusserungen der Reue, der Wertschätzung des Feindes, des bösen Gewissens, ihn ums Leben gebracht zu haben. Es will uns scheinen, als wäre auch in diesen Wilden das Gebot lebendig: Du sollst nicht töten, welches nicht ungestraft verletzt werden darf, lange vor jeder Gesetzgebung, die aus den Händen eines Gottes empfangen wird.

Uiterst merkwaardig is het feit dat Freud in zijn geschrift Zeitgemäßes über Krieg und Tod (1915), twee jaar na zijn Totem und Tabu, zijn eerdere conclusie volledig ontkrachtte. Daarin beschreef hij de Mensch der Frühzeit als gewiß ein sehr leidenschaftliches Wesen, grausamer und bösartiger als andere Tiere. Er mordete gern und wie selbstverständlich. Den Instinkt, der andere Tiere davon abhalten soll, Wesen der gleichen Art zu töten und zu verzehren, brauchen wir ihm nicht zuzuschreiben.

 

Deze Freudiaanse these van de ontbrekende dodingsremmingen werd later door de grondlegger van de ethologie Konrad Lorenz uitgewerkt. Lorenz beschouwde de mens als een agressieve soort juist omdat hij oorspronkelijk geen roofdier was. Bij roofdieren, aldus Lorenz in het kort, bestaan sterke remmingen op conspecifieke agressie door het feit dat zij over potentieel dodelijke wapens beschikken. Gedurende de menselijke evolutie werd niet op dodingsremmingen geselecteerd omdat de hominiden de organen misten die als potentieel dodelijke wapens konden worden gebruikt.

 

Niko Tinbergen (1968), eveneens een van de grondleggers van de ethologie, bood een iets ander perspectief. Hij verklaarde hoe geweld van karakter kan veranderen doordat de intraspecifieke agressie bij de mens door dodelijke interspecifieke predatie wordt vervangen naarmate ‘de vijand’ wordt ontmenselijkt en als vreemde soort wordt beschouwd (processen die bekend zijn onder de namen ‘dehumanisatie’ en ‘pseudospeciatie’). Tijdens een oorlog gedragen mensen zich als afzonderlijke soorten die elkaar als roofdieren te lijf gaan waardoor de natuurlijke remmingen van de con-specifieke agressie niet meer functioneren.

 

Irenäus Eibl-Eibesfeldt, leerling van Lorenz en grondlegger van de humane ethologie, stelde dat de mens ‘van nature’ over aangeboren dodingsremmingen beschikte.

Wir wollen festhalten, daß die individualisierte Aggression des Menschen durch eine Reihe von angeborenen Verhaltensweisen wirksam unter Kontrolle gehalten wird. Die Hemmung, einen Mitmenschen zu töten, ist in allen Kulturen ausgeprägt, und will man sich über sie hinwegsetzen, wie etwa im Krieg, dann bedarf es besonderer Indoktrinierung, damit die mitmenschlichen Appelle, die Mitgefühl wecken, nicht wahrgenommen werden. Mitleid als subjektives Korrelat zur Tötungshemmung wird in allen Kulturen empfunden und überall durch die gleichen Signale ausgelöst. Aggressions-hemmungen sind uns demnach angeboren. Das Gesetz »Du sollst nicht tötenist bereits in dieser Anlage begründet. Mit der Erfindung der Waffe und damit der Möglichkeit zum Totschlag bedurfte es zusätzlicher kultureller Kontrollmuster (Eibl-Eibesfeldt, 1975: 121).

 

In een groot aantal boeken en artikelen trachtte Eibl-Eibesfeldt te verklaren hoe het mogelijk is dat de mens over aangeboren dodingsremmingen beschikt, maar desondanks op grote schaal zijn medemensen om het leven brengt. De hierboven geciteerde Christian Vogel schreef zijn kritiek gedeeltelijk als reactie op deze aangeboren agressieremmingen-visie van Eibl-Eibesfeldt. Zoals we zullen zien had Eibl-Eibesfeldt gelijk. De huidige stand van de techniek, in het bijzonder de brain scanning en neuroimaging-technieken zoals positron emission tomography (PET), en functional magnetic resonance imaging (fMRI), heeft het mogelijk gemaakt de menselijke dodingsremmingen letterlijk in actie te zien.

 

Het neuro-anatomische substraat van de dodingsremmingen

Uiteraard was Eibl-Eibesfeldt niet de enige die stelde dat de mens beschikt over aangeboren dodingsremmingen (of equivalenten hiervan zoals ‘morele instincten’, ‘morele faculteiten’, ‘afkeer van doden’, enz.). Ook krijgshistorici zoals John Keegan (1977) en Van Doorn & Hendrix (1985), legerpsychologen en -psychiaters en andere geleerden die de ‘primitieve’ of ‘hedendaagse’ oorlog bestuderen, zoals Dave Grossman (1995, 2000), Barbara Ehrenreich (1997), Paul Roscoe (2007) en David Smith (2007), hebben betoogd dat mensen over sterke dodingsremmingen beschikken. Vooral Grossman stelt dat there is within most men an intense resistance to killing their fellow man. A resistance so strong that, in many circumstances, soldiers on the battlefield will die before they can overcome it… the experience of combat, and the killing that lies at the heart of combat, is an extraordinarily traumatic and psychologically costly endeavor which profoundly affects all that participate in it (Grossman, 1995: 4).

 

Het is ook al vele malen vastgesteld dat het niet zozeer de angst om te sterven is, maar juist de angst om te doden die bij frontsoldaten op het slagveld tot grote problemen en trauma’s leidt (Marshall, 1947). Moderne inzichten in de ethologie, gedragsbiologie, en evolutionaire psychologie, en revolutionaire technieken zoals fMRI en PET, hebben tot een aantal verrassende bevindingen geleid. De wortels van pro-sociaal, altruïstisch en coöperatief gedrag, inclusief aspecten van moraliteit en empathie, liggen in een ver evolutionair verleden en blijken veel ouder dan de mensheid. En niet alleen dat, er zijn voor deze gedragingen en faculteiten ook neuroanatomische substraten gevonden, voornamelijk gecentreerd in de ventromediale prefrontale cortex van de hersenen. Hier vinden we niet alleen het neurale substraat van ‘sociale emoties’ zoals schuldgevoel en wroeging, medegevoel en medelijden, empathie en invoelingsvermogen, decorum en morele afwegingen, maar ook het neurale substraat van sterke dodingsremmingen.

 

Helaas zijn die dodingsremmingen relatief gemakkelijk te overkomen. De mens beschikt ook over een groot aantal trucs en technieken om zijn afkeer van het doden van medemensen het zwijgen op te leggen. Deze trucs en technieken zijn voornamelijk variaties op de thema’s dehumanisatie en pseudospeciatie (het vermogen van mensen om andere mensen te reduceren tot ongedierte), en processen van routinematige bureaucratisering en autorisatie van geweld. Het meeste oorlogsgeweld is gehoorzaamheidsgeweld. Om nogmaals Christian Vogel te citeren – en deze keer heeft hij alle gelijk van de wereld: Im Krieg übernimmt der Staat oder eine andere von der Gemein-schaft anerkannte Institution - das kann auch ein Gott sein! - die Verantwortung für das Töten, der einzelne ist (offiziell) von dieser schweren Bürde entlastet. Sogenanntehöhere Ziele’, Gemeinschaftszweckeentbindenim Krieg von persönlicher Verantwortung, sieentmoralisieren’ die Handlungen des einzelnen.

 

Geweld tegen leden van de eigen groep is streng verboden; geweld tegen leden van andere groepen is niet alleen geoorloofd maar zelfs verdienstelijk en heldhaftig. Met deze dubbele (duale, manicheïsche) moraal, met dit gespleten universum, heeft de mensheid altijd geleefd.