Deel XIII

De studie van de

hedendaagse oorlog

 

Boekbespreking

 

Heinsohn, Gunnar: Zonen grijpen de wereldmacht: terrorisme demografisch verklaard. Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2008. ISBN 978 90 468 0370 7 vertaling van: Söhne und Weltmacht: Terror im Aufstieg und Fall der Nationen.

Orell Füssli Verlag AG, 2003).

 

Recentelijk heeft de Duitse geweldsdeskundige Gunnar Heinsohn flink aan de weg getimmerd met de publicatie van een populair boek dat een verband legt tussen vormen van collectief geweld (vooral terrorisme, burgeroorlog en interstatelijke oorlog) en bovenproportioneel grote uitstulpingen aan de onderkant van de bevolkingspiramide (youth bulges). Volgens Heinsohn zijn religieus fanatisme en diepe armoede niet de echte oorzaken van het wereldwijd escalerende terrorisme. Het is het grote aantal jonge mannen zonder zicht op werk, dat de oorzaak is van onrust, terrorisme en oorlog. Vooral in de islamitische landen, met een bevolkingsgroei van 150 naar 1200 miljoen mensen in honderd jaar, zijn jonge mannen oververtegenwoordigd. Zij vormen een immens reservoir aan strijders die tot geweld in staat zijn. Heinsohn’s brisante stellingen zouden zelfs een belangrijke rol spelen in het strategische denken van de Verenigde Staten (aldus de achterflap van het boek). Is deze demografische theorie echt zo nieuw als Heinsohn beweert, of heeft hij vrijmoedig en ruimhartig ‘geleend’ van de onterecht vergeten grondlegger van de polemologie Gaston Bouthoul? Een eerherstel is op zijn plaats.

 

Gunnar Heinsohn (1943, Polen) studeerde sociologie, geschiedenis, economie en godsdienstwetenschappen aan de Freie Universität Berlin. Sinds 1984 is hij hoogleraar sociaalpedagogiek aan de Universität Bremen. Daarnaast geeft Heinsohn al vijftien jaar leiding aan een Europees onderzoeksinstituut voor volkerenmoord. Hij heeft vele boeken op zijn naam staan, waaronder het eerste lexicon over volkerenmoord.

 

Youth bulges

Als het inwonertal van Nederland net zo was geëxplodeerd als dat van de Gazastrook (van 240 duizend in 1950 naar 1,5 miljoen in 2008), dan zou het nu geen 16, maar 61 miljoen zielen tellen. Bovendien zou de helft van de bevolking dan jonger zijn dan 15 jaar in plaats van bijna 40, zoals nu. En niet 1,5 miljoen, maar 15 miljoen jongens zouden in de jaren tot 2023 de weerbare leeftijd van 15 tot 29 jaar bereiken. Om zo’n jonge – en dus strijdbare – bevolking te krijgen moeten meerdere generaties achter elkaar een zogeheten youth bulge produceren. Van zo’n bovenproportioneel grote uitstulping van de bevolkings-piramide is sprake als minstens dertig procent van de mannelijke bevolking behoort tot de leeftijdscategorie 15- tot 29-jarigen, en als deze jonge mannen relatief goed zijn gevoed en opgeleid. Als één vader drie of vier zonen heeft, zorgt dat al voor spanningen binnen het gezin. Belangrijker zijn de gevolgen echter wanneer de zonen volwassen worden en een eigen bestaan moeten opbouwen. Eén op de drie, misschien één op de twee lukt dat. De overtolligen bewandelen zowat altijd een van de volgende zes wegen. De eerste weg is emigratie, ofwel geweldloze kolonisatie. De tweede is criminaliteit. De derde uitweg is een staatsgreep. De vierde is burgeroorlog of revolutie. De vijfde weg is het aanzetten tot volkerenmoord of verdrijving van minderheden om de zo vrijkomende functies in handen te krijgen. En de zesde weg, tenslotte, is gewelddadige kolonisatie om de ambities elders waar te kunnen maken.

 

Landen die vijftig jaar of langer youth bulges voortbrengen, krijgen een sterk demografisch wapen (the war of the wombs) in handen. Op elke duizend mannen van 40 tot 44 jaar volgen dan minstens drieduizend jongens van 0 tot 4 jaar. (Arafat verklaarde ooit dat niet Allah, maar zijn “geheime wapen”, ofwel “de baarmoeders van de vrouwen van zijn volk over de oorlog zullen beslissen”). Van demografische capitulatie wordt gesproken als er op duizend mannen van 40 tot 44 jaar slechts achthonderd of minder jongens tussen de 0 en 4 zijn. Bij demografische neutraliteit zijn er op elke duizend mannen achthonderd tot veertienhonderd jongens. “Met dit boek wil ik aan de hand van hedendaagse en historische gebeurtenissen aantonen dat overtollige jonge mannen nagenoeg altijd een gewelddadige expansiedrift tonen waardoor imperia worden geschapen of vernietigd. Tot nog toe wijst weinig erop dat die explosieve kracht uitgerekend na de grootste geboortegolf ooit zal uitblijven. Deze agressie wordt niet veroorzaakt door overbevolking en een navenant gebrek aan bestaansmiddelen en grond. De oorzaak moet veeleer worden gezocht in jonge mannen die voldoende voedsel en opleidingsmogelijkheden hebben, maar voor wie in eigen land geen passend werk is. Deze visie verwerpt dus uitdrukkelijk het malthusiaanse idee dat overbevolking op zichzelf het probleem vormt” (p. 21).

Armoede en voedselgebrek brengen geen terroristen voort. Gedood wordt er voor status, macht, en rijkdom. Oro, gloria y evangelio, goud (geld), roem en het evangelie, zoals de Spanjaarden (de Conquistadores) rond 1500 zeiden (p. 53).

 

Met de hedendaagse youth bulge als internationale bedreiging is er dus niets nieuws onder de zon: het verschijnsel trekt een lang spoor door de geschiedenis. In theorieën over revoluties worden de overtollige zonen aangeduid als young men desperate for positions (Goldstone, 1991: 120). Deze karakterisering is ontleend aan het boek Leviathan van Thomas Hobbes,die reeds in 1651 betoogde dat sociale misère op zich nog niet tot rebellie leidt. “Arme en tegelijkertijd hardvochtige mannen – ontevreden met de positie waarin ze verkeren – […] zijn het meest geneigd een oorlogsstemming te kweken en onrust en oproer te stichten” (Hobbes, hfst. 9, §4).

Heinsohn beschouwt ook de volgende auteurs als zijn ‘voorlopers’: Gary Fuller The demographic backdrop to ethnic conflict (1995); H. Diessenbacher  Kriege der Zukunft. Die Bevölkerungsexplosion gefährdet den Frieden (1998) en Samuel Huntington The age of Muslim wars (2001).

Heinsohn geeft ook een interessante interpretatie van het verschijnsel dat de revolutie ihre Kinder frisst: “Ook als rebellen de overwinning behalen, kunnen de moordpartijen doorgaan. De revolutie eet dan niet haar eigen kinderen op, maar de broeders uit de eigen zegevierende youth bulge. De jongeren hebben de oude machthebbers dan verjaagd, maar voor elke positie zijn er twee of drie gegadigden die het volk willen dienen. Omdat dus een deel achter het net vist, ontstaat er een splitsing tussen verdedigers en verraders van de revolutionaire idealen. Uiteraard verwijten beide kampen dat elkaar. Klassiek zijn de burgeroorlogen na de gewonnen strijd tegen het kolonialisme. Dan pas treden de psychopaten naar voren die zich eerder hadden kunnen verbergen onder de louter ambitieuze medestrijders. En zoals onderzoek naar elites al lang geleden heeft aangetoond, winnen doorgaans de gewetenlozen” (p. 58).

 

Het verband tussen youth bulges enerzijds en burgeroorlog en terreur anderzijds blijkt inderdaad te bestaan. Van de 124 opgenomen landen kennen er 67 een youth bulge. Zestig daarvan kampten of kampen met min of meer massaal geweld (p. 64). De lijst van 124 landen bevestigt volgens Heinsohn de betrouwbaarheid van het onderzoek dat Diessenbacher tien jaar geleden al deed naar de 194 oorlogen tussen 1945 en 1995 (waarvan 186 in de derde wereld). “Ook hij vond toen een verband tussen bevolkingsaanwas (en navenante youth bulges) en het aantal oorlogen” (p. 82). Hiermee wil Heinsohn niet beweren dat alle geweld door youth bulges wordt veroorzaakt. Ook de andere factoren die in de inmiddels zeer uitgebreide literatuur over dit onderwerp worden genoemd, moeten serieus genomen worden. Het enige wat hij beweert is dat de zo vaak genegeerde youth bulges niet zelden een cruciale rol spelen (p. 66). “Dat de meeste slachtpartijen in burgeroorlogen en bij binnenlandse genociden plaatsvinden, komt in de eerste plaats doordat de elites van de betreffende landen er belang bij hebben. Zij hebben liever te maken met de kleine duivel thuis dan met de grote knuppel van de buitenlandse Beëlzebub” (p. 146).

 

Eerherstel voor Gaston Bouthoul

Gaston Bouthoul (1896-1980), rechtswetenschapper, econoom en socioloog, is vooral bekend als grondlegger van de polemologie en stichter van het eerste polemologisch instituut ter wereld (Parijs, 1945). Zijn publicaties zijn, onder andere, Cent millions de morts (Sagittaire, Paris, 1946);

Les guerres: éléments de polémologie (Payot, Paris, 1951); Le phénomène-guerre (Payot, Paris, 1962); Traité de polémologie. Sociologie des guerres (Payot, Paris, 1970); L’infanticide différé (Hachette, Paris, 1972); Essais de polémologie (Gonthier, Paris, 1976); en samen met René Carrère Le défi de la guerre de 1748 à 1974 (Presses universitaires de France, Paris, 1976).

 

Heinsohn noemt Bouthoul precies één keer in de context van de duiding van de bloedige veldtochten vanaf Napoleon tot en met de Eerste Wereldoorlog als middelen om de destijds evident zeer talrijke overtollige jonge Europeanen uit de weg te ruimen. “Demografische inflatie leidt tot volkerenmoord” (Bouthoul, 1972: 199). Over de oorzaak van die inflatie kan Bouthoul (volgens Heinsohn) evenwel weinig zeggen, “al wijst de Franse titel van zijn boek, Infanticide différé (uitgestelde kindermoord), in de richting van een verbod op geboortebeperking” (p. 33). Een vreemde voorstelling van zaken.

 

Bouthoul’s theorie van de ‘uitgestelde infanticide’ verwijst naar het aloude idee dat wars are made by the old for the young to die in (Brodie, 1973): dat wil zeggen de ambivalentie, jaloezie en het antagonisme van de oudere gesettelde generatie die zich bedreigd weet door een vitale jongere generatie in haar politieke en economische macht, en hiërarchische en seksuele privileges. Voor de oudere generatie kan zich zo (onbewust) de verleiding voordoen, de jongere generatie in de slachting van een oorlog te storten, aldus Bouthoul. Een jongere generatie die bovendien suggestibel is voor militaire avonturen, oorlogsexaltatie en glorie, heroïek en romantiek, en voor revanchistische propaganda; alles beter dan debiliterend tedium en uitzichtloze ennui (dit laatste dan vooral in economische crisissituaties met massale jeugdwerkloosheid).

 

Hoewel Bouthoul zelf spreekt van een sociologie van de oorlog, is zijn fundamentele theorie eerder te karakteriseren als ‘demografie annex sociologie annex psychoanalyse’ van de oorlog. Zijn demografische relaxatie-variant van de ecologisch-demografische oorlogstheorieën betrekt in haar beschouwingen factoren als bevolkingsopbouw, mobiliteit, dichtheid,  druk en generatieconflicten. Een ongelijkmatige bevolkingsgroei of een (bijvoorbeeld door een vorige oorlog) ingrijpend geschonden bevolkingsopbouw is in deze visie van groter belang voor het ontstaan van oorlog dan een normale, zij het ook snel groeiende bevolking. De demografische factor is en blijft een latente oorlogsoorzaak, maar kan als manifeste oorlogsoorzaak fluctueren, afhankelijk van vele andere factoren. Bouthoul beschouwt in het bijzonder een onevenwichtige demografische structuur (déséquilibre démo-économique), bijvoorbeeld een surplus aan jonge, volwassen mannen (een ‘wegwerpgeneratie’ of ‘kanonnenvoer’) als een voorwaarde voor een atmosfeer van collectief geweld (structure explosive of structure belligène). Het teveel aan jonge mannen (Heinsohn’s youth bulge dus) veroorzaakt problemen op velerlei gebied: werkloosheid, geweldscriminaliteit, politieke onrust. Daaruit kan een uitweg worden gezocht in het collectieve ‘avontuur’ van de oorlog, om zo de ‘explosieve structuur’ af te leiden en te kanaliseren, en de bevolkingsdruk te ontlasten (relaxatie).

«La surabondance d’hommes jeunes provoque par surcroît des difficultés de toutes sortes. Elle aggrave le déséquilibre économique. Elle rend plus lourd le poids du chômages, elle tend à augmenter la délinquance et la criminalité. Elle entretient l’inquiétude et l’agressivité. Elle oblige le pouvoir et les classes dirigeantes à faire montre d’esprit répressif et enfin leur impose souvent de chercher à canaliser cette turbulence dans une aventure collective: la guerre» (Bouthoul, 1951).

 

Bouthoul wijdde veel aandacht aan wat hij ‘oorlogsgenererende complexen’ (war-breeding complexes) noemde, veelal ontleend aan de Freudiaanse psychoanalyse, zoals het oedipuscomplex, het Abrahamcomplex, het Caincomplex, het zondebok- complex, het Damoclescomplex, en heterofobiecomplexen.

Deze complexen (of psychologische factoren) hebben de functie om de latente agressiviteit van de bevolking te transformeren tot manifeste animositeit, geweldsbereidheid en l’impulsion belliqueuse.

 

Populatiegroei als een grondoorzaak voor oorlog is reeds aangewezen door de Chinese filosoof Lao Tzu (Laozi) in de Tao Te Ching (Daodejing), en de Griekse filosoof Plato in zijn Republiek (Deel 2, boek 2: 373-74). Populatiedruk is de grootste kracht achter de internationale competitie om hulpbronnen en hulpmiddelen, en de competitie om hulpbronnen en -middelen (vooral territorium, landbouwareaal, voedsel, water, energiebronnen, etc.) is de meest voorkomende oorzaak van oorlog. Een bijproduct van snelle groei van de populatie is de scheve leeftijdsdistributie, met veel jonge mannen. Mesquida & Wiener (1996, 1999) vonden enige evidentie voor een correlatie tussen het percentage jonge mannen in de populatie en oorlogsparticipatie van staten (en eveneens enige evidentie voor foeragerende samenlevingen).

 

Merkwaardig genoeg wordt deze voor Heinsohn’s theorie positieve evidentie niet genoemd in de bibliografie.