Deel XII

De studie van de  hedendaagse oorlog

Theorieën (vervolg)

 

Besluitvormingsmodellen en oorlog

Oorlogen volgen op beslissingen tot handelen. Ze zijn het resultaat van menselijke besluitvorming (collectief of individueel door een staatshoofd). Daarom moet elke verklaring van oorlog vergezeld gaan met een model van besluitvorming. Er zijn maar weinig theorieën die dit expliciet doen. Een van die weinige is de expected utility-theorie van Bueno de Mesquita (1981 et seq.). Ze stelt dat, uiteindelijk, slechts één individu beslist over oorlog of continuering van de vrede. De besluitvormingsmodellen verschillen door hun vooronderstellingen over rationaliteit. De twee vooronderstellingen die aan deze modellen ten grondslag liggen zijn, simpel gezegd, de rationele en de niet-rationele. Niet-rationele modellen concentreren zich op de psychologische variabelen ofwel organisatorische belangen en routines. Ze beweren dat beslissingen vaak vervormd worden door systematische perceptuele, cognitieve of bureaucratische vooroordelen. De rationele modellen bieden de vooronderstelling dat psychologische of bureaucratische vooroordelen (biases) weinig invloed hebben en dat de besluitvormers allen op min of meer dezelfde wijze hun kansen berekenen: zweckrational (Geller & Singer, 1998). Bijvoorbeeld, de structurele theorie van de internationale politiek van Waltz (1979: 118) veronderstelt dat “[decisionmakers] try in more or less sensible ways to use the means available in order to achieve the ends in view”. Het concept van instrumentale rationaliteit of doelrationaliteit zegt niets over het normatieve aspect van de voorkeur van de besluitvormers. Met andere woorden: doelrationaliteit kan zowel moreel als immoreel zijn.

 

Cognitieve psychologie

De modellen van de besluitvorming vanuit de cognitieve psychologie baseren zich op de veronderstelling dat er grenzen bestaan voor zowel de cognitieve capaciteiten van individuen als voor de cognitieve inspanningen die aan een besluitvorming worden besteed. Jervis (1968, 1976) biedt een aantal hypothesen over misverstanden, gebaseerd op cognitieve mechanismen die beslissingen over het buitenlands beleid kunnen beïnvloeden. Bijvoorbeeld: (1) besluitvormers neigen ertoe om nieuwe informatie bij te stellen zodat het met hun bestaande uitgangspunten en beelden (beliefs and images) verenigbaar is; (2) besluitvormers zullen waarschijnlijk eerder een gevestigde mening aanhangen dan nieuwe interpretaties van gebeurtenissen onderzoeken;

(3) misverstand is waarschijnlijk wanneer er incongruentie bestaat tussen belangen en informatie van de afzender en de ontvanger van berichten. In het kort, cognitieve processen kunnen de perceptie ernstig vervormen en beslissingen aangaande het buitenlands beleid op niet-rationele manieren beïnvloeden (Geller & Singer, 1998).

 

Groepsdynamiek

Groepsdynamiekmodellen poneren dat groepsdruk de interpretatie van informatie kan beïnvloeden en daardoor ook de beleidskeuze. De onderliggende veronderstelling van deze modellen is dat egoverdedigingsmechanismen een van de belangrijkste krachten in het menselijke bewustzijn vormen. Spanning, vermoeidheid en emoties zoals angst kunnen ook cognitieve processen sterk beïnvloeden en kunnen verdedigingsmechanismen oproepen om emotionele conflicten en tijdsdruk te minimaliseren. Het best bekende analytische voorbeeld van cognitieve bias is misschien wel toe te schrijven aan ‘Groepsdynamica in buitenlands beleidsbesluitvorming’ van Janis (1972, 1982). Dit model stelt dat ‘groepsdenken’ (groupthink) een reeks van disfunctionele symptomen bij de crisisbesluitvorming veroorzaakt. Bij de gevolgen van groepsdenken op buitenlands beleid bestaat er een verhoogde tendens tot het nemen van risico’s (‘risicoverschuiving’) en de creatie van simplistische stereotypen in de vijandige staat (Geller & Singer, 1998).

 

Specifically, Janis (1972, 1982), Janis & Mann (1977), and Herek, Janis & Huth (1987) argue that defective decisionmaking (groupthink) results from a small-group dynamic to which crisis decisionmaking units are particularly susceptible. The individual-level ego-defensive mechanisms become reinforcing within the context of small-group deliberations and produce the follow-ing set of dysfunctional symptoms in crisis decisionmaking units: (1) Gross omissions in surveying alternatives; (2) Gross omissions in surveying objectives; (3) Failure to examine major costs and risks of the preferred choice; (4) Poor information search; (5) Selective bias in processing information at hand; (6) Failure to reconsider originally rejected alternatives; (7) Failure to work out detailed implementation, monitoring, and contingency plans…

Vasquez (1993: 65) postulates that different ‘types’ of wars will be characterized by different modes (nonrational or rational) of decisionmaking. Specifi-cally, he notes that ‘wars of rivalry’ (i.e., wars between states with approximately equal capabilities) are often preceded by a growing mutual hostility: This makes both sides willing to hurt and harm the other side as an end in itself, often with minimal regards to the costs (Geller & Singer, 1998: 35-36).

 

Prospect-theorie

De prospect-theorie (Kahneman & Tversky, 1979) is oorspronkelijk ontworpen als psychologisch-realistische (empirische) tegenhanger van de expected utility-theorie (een normatieve theorie) en stelt dat psychologische principes zowel de waarneming als de opties bepalen. Deze principes leiden vaak tot systematische schending van de regels van connectiviteit en transitiviteit. Bij conflicten tussen grootmachten veronderstelde Bueno de Mesquita (1981) besluitvormingsrisico-neutraliteit of risico-acceptatie. Prospecttheorie, echter, poneert dat risico-oriëntaties variëren volgens het inschatten van de uitkomst als afwijking van een bepaald referentiepunt. Specifiek wordt geponeerd dat besluitvormers neigen naar het accepteren van risico in geval van verlies maar afkerig zijn van risico in het geval van winst. Zoals een bekende militair het verwoordde: “I hate to lose even more than I love to win”. Voorts poneert de prospect-theorie ook dat een verandering in de ‘omlijsting’(framing) van het referentiepunt een voorkeursvolgorde tussen de opties kan omkeren (Geller & Singer, 1998).

 

Organisatietheorie

Organisatietheorie hangt niet af van psychologische factoren om niet-rationele beslissingen te nemen maar concentreert zich op organisatorische belangen die tegengesteld aan een rationeel beleid kunnen lopen. Volgens het model van Allison (1969) worden de besluitvormers, in naam verantwoordelijk voor de massieve burgerlijke en militaire bureaucratieën, in feite beperkt in hun keuzen door procedures en parochiale belangen van hun organisaties. Organisatietheorie stelt dat organisaties werken op basis van (1) beperkte rationaliteit; (2) routines en organisatorische regels eerder dan berekende besluiten; en (3) eigenbelang en de concurrentie met andere bureaucratische eenheden (Geller & Singer, 1998).

 

Misperceptie en oorlog

Levy (1983, 1989), Cashman (1993), S. Brown (1994, 2002), Geller & Singer (1998), e.a. onderscheiden twee basisvormen van cognitief falen: (1) het nalaten om essentiële informatie te verkrijgen over de bedoelingen en de mogelijkheden van de tegenstander en eventuele coalitiepartners en (2) het nalaten om de gevolgen van de acties correct te voorspellen: een fout die soms direct is terug te voeren tot verkeerde informatie, maar soms ook het product is van verkeerde informatieverwerking. Het eerste type van cognitief falen wordt vaak misperceptie genoemd. Het tweede miscalculatie.

In de relevante literatuur is gewoonlijk een onderscheid te vinden tussen misperceptie van de intenties en misperceptie van de capaciteiten van de tegenstander.

 

Misperceptie van intenties

Het overdrijven van de vijandigheid van de tegenstander is een van de belangrijkste en meest gemeenschappelijke vormen van misperceptie (Levy, 1983, 1989). Hierbij is het nuttig onderscheid te maken tussen mispercepties op korte termijn en op lange termijn. Elk kan het uitbreken van oorlog beïnvloeden, maar de oorzakelijke mechanismen verschillen. In crisis-situaties op korte termijn kan de overdrijving van vijandelijkheden leiden tot de verwachting van een aanval van de tegenstander en een beslissing om preventief (of preëmptief) te handelen om zodoende het voordeel van de eerste slag te hebben en de kosten van oorlog, die als onvermijdelijk wordt gezien, te minimaliseren. Stoessinger (1973: 211) vat de situatie keurig samen: “When a leader on the brink of war believes that his adversary will strike him, the chances of war are fairly high. When both leaders share this perception about each other’s intent, war becomes a virtual certainty”. Het overschatten van de vijandelijke bedoelingen van de tegenstander kan ook op lange termijn belangrijk zijn. Het leidt tot een grotere inspanning dan noodzakelijk om de eigen militaire mogelijkheden te verhogen om agressie af te schrikken of tot het treffen van voorbereidingen voor oorlog voor het geval afschrikking niet werkt. Dit beweegt over het algemeen de tegenstander om op een gelijke manier te reageren, wat leidt tot verhoogde spanningen en een toegenomen kans op een conflictspiraal, wapenwedloop en, uiteindelijk, oorlog (Levy, 1989). Het is ook mogelijk, al komt het misschien minder voor, dat staten de vijandelijkheid van hun tegenstander onderschatten. Dit kan de waarschijnlijkheid van oorlog vergroten, maar via andere oorzakelijke trajecten. Een andere secundaire categorie van misperceptie is een verkeerd beeld van het soort oorlog dat de tegenstander van plan is te gaan voeren (Jervis, 1983; Levy, 1989; Geller & Singer, 1998).

 

Misperceptie van capaciteiten

“A leader’s misperception of his adversary’s power is perhaps the quintessential cause of war... Thus, on the eve of each war, at least one nation misperceives another’s power. In that sense, the beginning of each war is a misperception or an accident. The war itself then slowly, and in agony, teaches men about reality” (Stoessinger, 1974: 227-9). [Blainey (1973: 249) zou hier waarschijnlijk tegenwerpen: “No wars are unintended oraccidental’. What is often unintended is the length and bloodiness of the war. Defeat too is unintended”].

Misperceptie van de capaciteiten van de tegenstander kan even belangrijk zijn als de misperceptie van de bedoelingen. Blainey (1973), Lebow (1981) e.a. toonden aan dat de onderschatting van de capaciteiten van de tegenstander een historisch feit is. Staatslieden neigen er niet alleen toe om de waarschijnlijkheid van overwinning te overdrijven, maar ook om de duur en de kosten van de oorlog te onderschatten (Levy, 1983, 1989). Cashman (1993) heeft de krachtige multiplier-effecten van misperceptie belicht. Een overperceptie van vijandigheid in een tegenstander gekoppeld aan een verkeerd beeld van zijn relatieve militaire zwakheid zou zeker een machtige combinatie zijn. De waarneming dat de oorlog onvermijdelijk is, gecombineerd met de waarneming dat het nu militair voordeliger zal zijn om toe te slaan dan in de toekomst, leidt tot een uiterst gevaarlijke toestand.

 

Voorts zijn er de misconcepties van de bedoelingen en de mogelijkheden van derde staten. Het typische waanidee (dat gezien mag worden als een soort wishful thinking) is de hoop dat potentiële vijanden neutraal zullen blijven terwijl eigen bondgenoten aan hun verplichtingen trouw blijven (Blainey, 1973; Levy, 1983, 1989). De perceptie dat de oorlog kort, economisch handelbaar en militair te winnen is zonder verrassingen, creëert een soort gevoel van optimisme (of militaire overmoed) die Blainey (1973) en anderen zien als dé oorzaak van oorlog. Uiteindelijk berusten de besluiten voor oorlog waarschijnlijk op de veronderstelling dat de oorlog onvermijdelijk is, of dat die met succes gevoerd kan worden, of, in het minste geval, dat de kosten van oorlog acceptabel zullen zijn (Cashmann, 1993). Levy (1983, 1989) vraagt zich af hoe wij tussen misperceptie en pure pech (bad luck) onderscheid kunnen maken.  Is het bijvoorbeeld zinvol om te zeggen dat de Span-jaarden de militaire balans in de lancering van de Spaanse Armada in 1588 verkeerd hebben ingeschat wanneer, in feite, ongunstige winden de voornaamste oorzaak was van hun nederlaag? Is het gezien de onvoorspelbaarheid van oorlog, zinvol onderscheid te maken tussen misperceptie en pech?

 

The use of the outcome of war as a standard for determining the accuracy of relative capability estimates is generally reasonable, but it does involve a difficult analytical problem. Clausewitz argues that “War is the province of uncertainty,” that “in War all is undetermined,” and that “the law of probability must... guide.” If the outcome of a war is determined by ‘chance’ factors beyond the conceivable knowledge of control of statesmen, is it analytically useful to attribute an ill-fated decision for war to misperceptions, or a success-ful war to an astute calculation of the military balance? Is it meaningful to say that the Spanish misperceived the military balance in launching the Armada in 1588, when in fact unfavorable winds and storms had much to do with their defeat? Is it meaningful to say that William the Conqueror correctly perceived the military balance on the eve of his invasion of England, when in fact his victory at Hastings was assured largely by the weakening of Harold’s forces by the unexpected and unpredictable Norwegian invasion just weeks before?

 

Diplomatic calculations of the intentions of third states are also relevant. Prussia was saved in the Seven Years’ War only by the death of Empress Elizabeth of Russia and the accession of Peter III, who withdrew from the anti-Prussian coalition because of his admiration for Frederick the Great. In view of the unpredictability of war, at what point do we make the analytic distinction between misperception and bad luck? (Levy, 1983: 95).

 

Tenslotte

Het zuivere ‘rationele keuze’-model verwerpend, verkiezen Singer (1995) en Geller & Singer (1998) een hybride model van besluitvormingsprocessen dat als ‘psychopolitiek’ zou kunnen worden beschreven. Het accepteert sommige voorstellen van de begrensde rationaliteitsbenadering maar neemt ook kennis van het extrarationele.

Zie Farkas (1996) voor een verklaring van het verschijnsel dat collectieve actoren, zoals staten, ‘rationeel’ kunnen handelen ondanks het feit dat de individuele besluitvormers níét de regels van de rationele keuze volgen.