Deel XI

De studie van de hedendaagse oorlog

 

Theorieën (vervolg)

 

De apologeten van de oorlog . Zoals we bij verschillende theorieën hebben kunnen constateren, wordt oorlog dikwijls onvermijdelijk geacht, omdat oorlog essentiële functies zou vervullen. Van onvermijdelijkheid naar wenselijkheid en noodzaak il n’y a qu’un pas. Als apologeten worden die auteurs aangeduid die de noodzaak van oorlog proclameren – variërend van fatalistisch tot verheerlijkend. In vergelijking met de vorige afleveringen is de apologetische school niet zozeer een verzameling theorieën van oorlogsoorzaken, maar veeleer een manier van denken gecentreerd rond de verontschuldiging en rechtvaardiging van de oorlog (apologie = verontschuldiging). In de meest geëxalteerde vorm culmineert de verheerlijking van de oorlog bij sommige auteurs zelfs in een regelrechte vergoddelijking. De apologie van de oorlog is, in verschillende ideeën-constellaties – ‘gekleed naar de mode van de dag’ – en zelfs tot op heden te beschouwen als een constante in het westerse denken.

 

We zullen hier de voornaamste varianten bespreken.

Historisch gezien is oorlog op verschillende manieren bekeken en gewaardeerd. De Griekse filosoof Gorgias, een tijdgenoot van Hippocrates, vergeleek oorlog met ziekte en vrede met gezondheid, terwijl de Elizabethaanse Alarmisten het tegenovergestelde dachten. Voor hen was vrede een ziekte, waarvoor oorlog de remedie was.

 

Mensen hebben naar oorlog gekeken als een ‘daad van God’, een tragedie van het lot voorbij de macht, en zicht van het individu – vergelijkbaar met rampspoed en pestilenties, even onbegrijpelijk en ongrijpbaar. De apologie van de oorlog heeft ook een lange traditie in Europese geschiedenis (van der Dennen, 1977; Ike & van der Dennen, 1989). In feite is oorlog doorheen de geschiedenis bewierookt. De vroegste meesterwerken van de Westerse literatuur – Homerus’ Ilias, Xenophon’s Anabasis, Herodotus’ Historiën, en Caesar’s De Bello Gallico – gaan over vrijwel niets anders dan oorlog.

 

Op dezelfde manier is in de loop van de afgelopen eeuwen de verontschuldiging van de oorlog een constante onderstroom in de literatuur geweest. Periodiek mondde dit uit in een complete verheerlijking. Nicolai’s (1919) observatie dat geen bedachtzaam mens ooit iets goeds gezegd heeft over oorlog ontkent niet het feit dat er veel denkende mensen zijn geweest die oorlog rechtvaardigden of zelfs prezen. Deze individuen worden ‘apologeten’ genoemd, en hun argumentatie ‘de apologie van de oorlog’. De apologeten lopen uiteen van de fatalisten, zoals bijvoorbeeld Thomas de Quincey (1896) die de noodzaak van oorlog beschouwde als een triest,  overheersend principe waartegen weerstand tevergeefs is, tot de echte oorlogsverheerlijkers, zoals bijvoorbeeld de geopoliticus Friedrich Ratzel (1905) die uitriep: Schade daß es nicht mehr Kriege gibt.

Kenmerkend voor de apologeten van de oorlog is de mening dat vrede een ongunstige en zelfs pathologische conditie is. Daartegen is oorlog functioneel, wenselijk en onvermijdelijk. Derhalve wordt oorlog verheerlijkt en soms zelfs gesacramentaliseerd: “... oorlog de grootste en de meest glorieuze van alle menselijke activiteiten...” (de Montaigne, 1580). Dit idee werd geassocieerd met een populaire middeleeuwse overtuiging dat oorlog een periodieke, onontkoombare catastrofe is, een “werk van God”, even onvermijdelijk als een epidemie van builenpest. Doordrenkt met apocalyptisch of chiliastisch denken en met geloof in de erfzonde, werd een dergelijke cataclysmische theorie gemakkelijk omgezet in het concept van oorlog als penitentie of goddelijke straf (bijvoorbeeld, Attila de Hun werd ‘Gesel Gods’ genoemd).

Een aantal varianten van de apologie van de oorlog kunnen worden onderscheiden (a) de metafysische, (b) de mercantilistische, (c) de étatistische,

(d) de sociaal-Darwinistische, en (e) de eschatologische variant.

 

(a) de metafysische variant

De metafysische variant heeft betrekking op de judaeo-christelijke godsdienstige traditie in het Europese denken. De oorsprong van oorlog, volgens de 14de-eeuwse chroniqueur Honoré Bonet, ligt in de oorlog van Lucifer tegen God: “Het is geen groot wonder als in deze wereld oorlogen en gevechten gebeuren aangezien deze eerst in de hemel bestonden” (Bonet, L’arbre des batailles, ca 1385). In het Oude Testament vinden we vele uitroeiingsoorlogen op uitdrukkelijk bevel van de God der Wrake ten behoeve van Zijn uitverkoren volk. Deze houding tegenover oorlog vinden we terug bij de christelijke patristische en scholastische denkers vanaf Augustinus. Dit niet alleen in de theologische conceptie van het ‘bellum iustum’ (de rechtvaardige oorlog), maar ook in de mystiek religieuze of metafysische doctrine van de noodzakelijkheid van oorlog, die uitloopt in de heiligverklaring van de oorlog bij Proudhon en de vergoddelijking door Joseph de Maistre (rond 1800). Ons woord ‘oorlog’ is af te leiden van het woord ‘noodlot’. Verwant aan het noodlotsidee was de, vooral in de Middeleeuwen ‘populaire’ conceptie van oorlog als een periodieke teistering of catastrofe, even onvermijdelijk als een pestepidemie. Dit is de zogenaamde cataclysmische conceptie van oorlog (in de negentiende eeuw door Tolstoi welsprekend en met veel inzicht uitgewerkt). Deze opvatting van oorlog als een door bovenaardse factoren teweeggebrachte ramp kan gemakkelijk overgaan in het denkbeeld van oorlog als straf, boetedoening, tuchtmiddel, Gesel Gods. Tot in de Elizabethaanse periode (rond 1600) vinden we vele bronnen die hierin de verklaring en de functie van oorlog zien: Gods straf voor de zonde. Vooral in vredestijd floreerde de zondigheid. Met morbide fantasie en suggestiviteit werden de kwalen en trauma’s van de vrede door de Elizabethaanse schrijvers voorgesteld, zodanig dat vrede synoniem werd van een in het geniep voortwoekerende ziekte. Oorlog was de therapie: een louterende en vernieuwende kracht voor de morele vooruitgang van de mensheid. Een tonicum tegen de decadentie en het zedelijk verval van de vrede.

 

De metafysische variant van het apologetisch denken bereikte een voorlopig hoogtepunt in de Elizabethaanse Alarmisten (rond 1600). De Alarmisten en clericale (religieus en moralistisch bevlogen), zegslieden koesterden een al even getourmenteerde visie op de ‘Vrede op Aarde’. Van Augustinus en andere kerkvaders uit de vroege patristiek stamde een in die tijd nog steeds vigerend wantrouwen tegen een al te volmaakte harmonie op dit ondermaanse, waar immers het leven zelf strijd betekende en zonde. Vooral in vredestijd floreerde de zonde. Vele Elisabethaanse sermoenen luidden derhalve eveneens de alarmistische noodklok. Vrede, zo verkondigden de Alarmisten in ontelbare preken en traktaten, leidt tot verachtelijke luiheid, luxe, verval, corruptie, verwijfdheid, overspel en moreel bederf: een betreurenswaardige stand van zaken die slechts door een correcte hoeveelheid van het therapeutische tonicum oorlog kan worden genezen (de functie van oorlog als afrodisiacum kende men al langer): When the Lord meaneth to plague a wicked nation for sinne and to translate them to the power and scepter of another nation; then He filleth them with the fatnesse of the earth, and geeveth them peace that they may wax rotten in idleness, and become of dulle wittes, and slowe of courage, weak handed, and feeble kneede (Geoffrey Gates, 1579).

Op zulk een suggestieve manier en met zoveel morbide fantasie werd de ziekte ‘vrede’ gediagnosticeerd, dat vrede bijna een pathologische conditie werd: a swelling soer, that festers sowndest mynd and so bursts owtt in bylls, in botch or ulcerrs greatt (Thomas Churchyard, 1578). Een dergelijk abces kon slechts door oorlog worden gedraineerd. Het begrip van oorlog als therapeutisch tonicum was een logische conclusie, gezien hun vooropgestelde ideeën.

 

De seculaire schrijvers van de Renaissance bepleitten over het algemeen een cyclische theorie van oorlog en vrede. Thomas Fenne (1590) drukte het als volgt uit: Warre bringeth ruine, ruine bringeth poverty, poverty procureth peace, and peace in time increaseth riches, riches causeth statelinesse, statelinesse increaseth envie, envie in the end procureth deadly malice, mortall malice proclaimeth open warre and bataille, and from warre again as before is rehearsed. Keegan & Darracott (1981: 43) presenteren een andere variant van deze cyclische theorie: peace brings riches; riches brings pride; pride brings anger; anger brings war; war brings poverty; poverty brings humanity; humanity brings peace; peace… brings riches, and so the world’s affairs go round.

De Kerk, echter, stond niet sympathiek tegenover een dergelijk mechanistisch en oorzakelijk cyclisch verloop dat weinig ruimte voor Goddelijke Voor-zienigheid liet. Voor hen had oorlog slechts één functie: het was de “Goddelijke gesel voor zonde”. (Nog steeds duiden Amerikaanse christen-fundamentalistische predikers elke ramp als straf voor ’s mensen zonden).

De vergoddelijking van oorlog door Joseph de Maistre (1822) kan worden beschouwd als apotheose van een mystiek-metafysisch concept van oorlog, waarin het cataclysmische denken en oorlogsapologie samenkomen. De oorlog is inherent goddelijk omdat het een natuurwet is. Door oorlog wordt de Goddelijke Wraak op de mensheid verwezenlijkt. De oorlog zuivert en regenereert de mensheid. Een werk dat misschien de Maistre’s thanatische visie benaderd is Proudhon’s La guerre et la paix (1861), waarin oorlog een heilig karakter wordt toegekend. Oorlog is alomtegenwoordig, moreel, noodzakelijk, rechtvaardig, deugdzaam, heilig, en het symbool van de ‘grandeur’ van de mensheid. Vrede verlaagt de mensheid alleen maar. Oorlog is, voor Proudhon, niet alleen heilig, het is, bovenal, “indispensable au développement de l’humanité”. Oorlog is de Grote Schepper van godsdienst, moraal en ethiek, de staat, de wet en de rechtvaardigheid, zelfs esthetiek. Oorlog is ook de Grote Tucht-meester van de mensheid.

 

De oorlog wordt ook verheerlijkt in John Ruskin’s (1903) morele vermaning: “Ik ontdekte, kortom, dat alle grote naties hun waarheid van woord en kracht van denken in oorlog leerden; dat zij in oorlog werden gevoed en in vrede werden verspild; onderwezen in oorlog en bedrogen door vrede; opgeleid door oorlog en verraden door vrede – zij waren, in één woord, geboren in oorlog en gestorven in vrede”. Wanneer oorlog blijkt de uitvoering te zijn van een “ontwerp van de Voorzienigheid”, dan behoeft het geen verwondering te wekken dat de christelijke kerken bolwerken van militarisme zijn geweest. Geheel in deze geest schreef Von Moltke in 1880: “Oorlog is een element van de Goddelijke wereldorde. Oorlog wekt de nobelste deugden in de mens: moed, gehoorzaamheid, plichtsbesef, zelfopoffering... Zonder oorlog zou de wereld stagneren en in materialisme verzinken.” Dezelfde Von Moltke verklaarde kernachtig: “Vrede is een droom, en niet eens een mooie droom”.

 

(b) Mercantilistische variant

Mercantilisme was een school van politieke economie die gedijde van de zestiende tot de negentiende eeuw. Voor mercantilisten wortelde de onvermijdelijkheid van oorlog in de conceptie van handel als vorm van offensieve en predatorische oorlog en economische relaties als een zero-sum conflict: de verrijking van de ene partij impliceerde de verarming van andere partij. Internationale handelsbetrekkingen waren niets anders dan vormen van industriële oorlog: Il commercio esterno in sostanza non è, che una tacita, ma leggitima guerra d’industria (Paolini, 1785; zie ook Silberner, 1957). Mercantilisten vonden belangrijke instrumenten voor hun beleid van nationalisme en oorlog in etnocentrisme en vreemdelingenhaat. Ook diende de ‘export’ van een intern conflict (Botero, 1588; Bodin, 1606) om een natie te verenigen achter de krijgsbanier en zich te keren tegen een gemeenschappelijke externe vijand. In Shakespeare’s Henry IV adviseert de koning zijn zoon: Be it thy course to busy giddy minds / With foreign quarrels (Deze observatie, dat een extern conflict, d.w.z. oorlog, kan dienen om interne vrede en saamhorigheid te bewerkstelligen, en een volk te verenigen ten behoeve van een gemeenschappelijk doel, is in vrijwel de gehele wereldgeschiedenis en in alle windstreken te vinden).

Een verder voordeel of ‘bonus’ van oorlogsvoering was dat het tot “demografische ontspanning” leidde: de soldaten gedood in de strijd waren slechts the very scomme, theeves, and roges of England and the Realme (being so full of people) is very well ridde of them (Smythe, 1590; zie ook Jorgenson, 1956).

 

(c) Etatistische variant

Met Machiavelli’s Il Principe (1513), deed Realpolitik zijn entree in de Europese geschiedenis. Het omvatte een verhandeling over de krijgskunst in dienst van de Raison d’Etat, een traditie die in India al zowat 20 eeuwen eerder bestond: de Arthasastra van Kautilya. Bodin (1606) en Hobbes (1651) hadden reeds de absolute amoraliteit van de staat verkondigd, en voegden daar absolute soevereiniteit aan toe. In de eerste formuleringen van internationaal recht werd de oorlog als instrument van politiek uitdrukkelijk erkend als gefundeerd op de natuurwetten. Voorts waren staten vrijgesteld van sancties voor het voeren van oorlog (bijvoorbeeld Grotius, 1625).

Het was Hegel (1821), die de meest consistente en totalitaire étatistische apologie van de oorlog formuleerde. Voor hem is de staat het Goddelijke Idee dat zich in de wereld openbaart. De staat is vollendete Sittlichkeit. De diepere betekenis van oorlog wordt zo geïdentificeerd: oorlog is als de beweging van de wind over zee die een bederf verhindert dat een constante rust anders zou veroorzaken. Door middel van oorlog is de staat geboren en de mensheid ontsnapt aan de ondeugden van de vrede: intellectuele en morele stagnatie, degeneratie en bederf, corruptie, verwijfdheid, verval, apathie, materialisme, en andere rampen en ondeugden van de vrede. Voorts heeft de oorlog het karakter van een Goddelijke Beproeving want Die Weltgeschichte ist das Weltgericht. Scheler (1915) vat in één zin de Hegeliaanse étatistische oorlogsapologie samen: Der kriegsführende Staat ist der Staat in der höchsten Aktualität seines Daseins. Verscheidene van de hierboven genoemde visies zijn “Sociale Vitamine”-theorieën genoemd door May (1943), omdat zij oorlog zien als essentieel voor de groei, de kracht en de vitaliteit van staten, zoals vitaminen dat voor individuen zijn. Verder biedt oorlog voor het individu een vlucht uit de verstikkende existentiële verveling. Het is een glorieus alternatief voor de banaliteit van het dagelijkse leven. Het appelleert aan ’s mensen behoefte aan opwinding, avontuur en zijn hunkering naar macht, grandeur, identiteit en zelfrespect.

 

(d) Sociaal-Darwinistische variant

Vroeg in de negentiende eeuw werd de mythe van het Arianisme door een aantal (voornamelijk Duitse) filologen gelanceerd. Het was gebaseerd op de onjuiste identificatie van een hypothetische taalkundige groep met een Arisch ‘ras’. Spoedig zou dit zich ontwikkelen tot een rasseninterpretatie van de geschiedenis door de Gobineau (1853), de Lapouge (1899), Gumplowicz (1883), en Chamberlain (1911). De Gobineau en Chamberlain interpreteerden de geschiedenis van de beschaving in termen van superieure en inferieure rassen. Rassenvermenging veroorzaakte  verontreiniging en degeneratie hetgeen later zou worden vertaald in het ideaal van raszuiverheid en het onderscheid tussen ‘Übermenschen’ en ‘Untermenschen’. Gumplowicz verklaarde de geschiedenis als product van een eeuwig en dodelijk rassenantagonisme. Bagehot (1872), Spencer (1873), en Steinmetz (1899, 1907, 1929) vertaalden deze interpretatie in meer biologische termen van intergroepsselectie. Oorlog werd beschouwd als instrument van evolutie en werktuig van vooruitgang (agent of progress) door de eliminatie van ‘inferieure’ volkeren. Spencer verklaarde: Warfare... had had the effect of continually extirpating races which, for some reason or other, were least fitted to cope with the conditions of existence they were subject to.

Bagehot was van mening dat oorlogszuchtige competitie tussen de menselijke samenlevingen in vroegere tijden degene met het beste leiderschap en meest gehoorzame bevolking zou hebben geselecteerd: The tamest are the strongest.

Steinmetz, meer dan ieder ander, bepleitte de biologische ultima ratio aspecten van oorlog. Hij beschouwde oorlog als veroorzakende kracht achter de perfectie van het ras, van cultuur in het algemeen, van morele en intellectuele vooruitgang, enz., een ware agent of progress. De litanie van de ondeugden en verschrikkingen van de vrede worden door Steinmetz nog eens uitgebreid herhaald, en hij stelt er oorlog tegenover als “een instelling van God, die de naties in Zijn schalen weegt”. Deze Nederlandse socioloog is de geschiedenis ingegaan als meest fanatieke ‘wetenschappelijke’ apologeet van de oorlog.

 

Na Spencer stemden de meeste sociaal-Darwinisten er mee in dat in moderne tijden de oorlogsselectie binnen de groep (intragroepsselectie) negatief was en juist achteruitgang betekende door het elimineren van ‘de beste elementen’ van de oorlogsvoerende samenlevingen (d.w.z., de jonge, gezonde en moedige mannen). Voor Steinmetz, daarentegen, was de natuurlijke en sociale selectie in tijden van vrede nóg schadelijker en regressiever. Zelfs in dit opzicht was de afschaffing van oorlog niet slechts een ernstige fout maar een doodzonde. In het werk van Generaal von Bernhardi, zelfgestileerd discipel van Fichte, Hegel en Darwin, zijn verwrongen Hegelianisme en sociaal-Darwinisme vervlochten met Pruisisch militarisme: “Oorlog is een biologische noodzaak van het eerste belang, een regulerend element in het leven van mensheid dat niet kan worden afgeschaft, aangezien zonder oorlog een ongezonde ontwikkeling zal volgen, dat elke vooruitgang van het ras uitsluit, en daarom alle echte beschaving... de oorlog is niet alleen een biologische noodzaak, het is ook in bepaalde gevallen een morele verplichting, en, als zodanig, een onontbeerlijke factor van beschaving. De wens naar vrede heeft de meeste beschaafde naties bloedarm gemaakt, en een bederf van de geest en politieke moed betekent zoals vaak is getoond door een ras van epigonen” (von Bernhardi, 1914). De afschaffing van oorlog, stelt hij, zou absoluut immoreel zijn. Oorlog, Stahlbad der Seele, is niet alleen een morele verplichting, het is ook een  beschavende kracht.

 

(e) Eschatologische variant: shortcut naar het millennium

Novicows, Spencers en Vaccaro's interpretatie van de strijd om het bestaan leidde tot het optimistische idee dat oorlog, bij de mens op zijn huidige trap van organische en sociaal-culturele evolutie, zijn functie heeft verloren en als “kinderziekte van de mensheid” (Emerson) afgeschaft kan worden, of tenminste progressie vertoont in de zin van toenemende humanisering (Steinmetz). Deze evolutionistische ideeën convergeerden met andere sociale vooruitgangsideeën, zoals die van Montesquieu en Kant, die de vrede op den duur onontkoombaar achtten, omdat oorlog onverenigbaar zou zijn met de internationale handel. Saint Simon, Comte, Jaures en Spencer meenden dat oorlog in de industriële samenleving zinloos zou zijn. Cobden, Angell en vele andere economen zagen oorlog als een te kostbaar en financieel catastrofaal gezelschapsspel. Constant en Nobel voorspelden de onmogelijkheid van oorlog door de ontwikkeling van de wapentechnologie. Fourier en Bakoenin proclameerden het verdwijnen van de staat, en daarmee van de oorlog. Vanuit verschillende ideologieën en doctrines is het idee gegroeid dat oorlog zijn functie heeft verloren en zichzelf overbodig heeft gemaakt. Dit vinden we in verschillende vermommingen terug in de eschatologische variant, maar (en hier zit de joker achter de hand) het is dan wél conditioneel: op voorwaarde dat eerst het proletarisch paradijs, de heilstaat, de nieuwe maatschappij, het Duizendjarige Rijk gerealiseerd zal zijn, de staat afgeschaft, het kapitalisme ineengestort of de war to end all wars uitgevochten.

 

In de tussentijd, in de wachtkamer van de meedogenloze, onontkoombare geschiedenis, blijven (klassen)strijd en oorlog instrumenteel en functioneel, én noodzakelijk om het utopische, messianistische, chiliastische of millenarische ideaal te verwerkelijken of te bespoedigen.