Hoe verschoof het zwaartepunt van redenen en gevolgen naar middelen?

 

Wapens en morele Verontwaardiging

 

Oorlog is verschrikkelijk. Dit geldt niet alleen voor de onmiddellijke doden maar evenzeer voor degenen die overblijven. Een oorlog eindigt niet met een wapenstilstand. De verwoestingen, de verminkingen en de doden blijven hun gevolgen hebben in de volgende generaties. Het is daarom logisch dat al eeuwen lang het belang van vrede wordt benadrukt. Maar het blijft vreemd dat deze overtuiging zich maar zelden in concrete maatregelen heeft omgezet en nog vreemder dat de enkele keren dat dit toch gebeurde, het zo weinig succesvol was.

 

In tegenstelling met de strijd tegen slavenhandel of de strijd voor de gelijkberechtiging van de vrouw lijkt de vredesbeweging weinig succesvol te zijn. Nochtans gebruikt zij dezelfde middelen als de voorgaande ideologieën: morele overtuiging. Maar bij de vredesideologie ziet men al vlug dat de morele verontwaardiging zich verlegt. Gaandeweg focust ze meer op de middelen – de wapens – dan op de redenen om die wapens te gebruiken. Daarom is het interessant na te gaan hoe het zwaartepunt verschoof van redenen en gevolgen naar de middelen – de wapens.

 

Eerste geweldpleging tussen mensen

Een eerste beschrijving van geweld vinden wij in de bijbel, Genesis 4:

8. Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan. Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. 9. Toen vroeg de HEER: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’

10. ‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. “Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde mij schreeuwt. 11. Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt (Genesis 4 - Nieuwe Bijbelvertaling).” Over het wapen wordt hier niet gesproken. Het werktuig – een knuppel of een steen – is neutraal, niet goed of slecht. Wel is er verontwaardiging over het feit dat hij een familielid doodde. Neo- Darwinisten kunnen hierin een afspiegeling zien van het betoog dat sinds de oertijd, niet alleen individuele genen van belang zijn maar dat de groepsgenen (de eigenheid, de identiteit van de groep) nog belangrijker zijn. Deze erfdragers moedwillig vernietigen is een zwaar misdrijf. Hiervoor geldt terecht de straf van de vervloeking: het uitstoten uit de gemeenschap. Toch niet vergeten dat een knuppel een geducht wapen blijft. Bij de recente volkerenmoord in Rwanda werden met dit middel meer mensen gedood dan door de bommen van Hiroshima en Nagasaki samen. Toevallig – of toch niet – luidde ook hier de argumentatie bij het moorden dat men het eigen ras (het eigen genenmateriaal) moest beschermen.

 

De Kruisboog

Een heel ander verhaal krijgen wij eeuwen later met de kruisboog (arbalète in het frans). De kruisboog was al uitgevonden door de Chinezen maar werd in de Middelleeuwen een geducht oorlogswapen. Het tuig werd beschouwd als een deloyaal wapen omdat het de tegenstander geen kans gaf zich te verdedigen. Met de kruisboog kon men op enkele tientallen meters afstand een maliënkolder doorboren. Dit was in strijd met Gods wil. Het Tweede Lateraans Concilie (1139) bepaalde dat christenen dit wapen alleen mochten gebruiken tegen ongelovigen. Innocentius II bedreigde elke vorst die gebruik maakte van huursoldaten met kruisbogen (les arbalé-triers) met excommunicatie. De dreigementen hadden echter weinig succes en de kruisboog werd veelvuldig gebruikt – vreemd genoeg in het begin vooral door Italiaanse huurlingen.

 

Hier zien wij een kentering. Er werd minder gekeken naar de gevolgen – ook wapens als zwaard, piek of handboog konden verwonden – maar meer naar het wapen zelf. Het feit dat er zoveel verschil was in de mogelijkheden bij de strijders riep weerstand op en was volgens de geestelijkheid (publieke opinie) van die tijd tegen Gods wil.

 

Chemische wapens

Een van de doeltreffendste chemische wapens wordt gebruikt in het dierenrijk. Er bestaat een groep van sluipwespen die hun eitjes leggen in een parasiterende vlinderlarve die door mieren wordt verzorgd. Wanneer de sluipwesp de mierenkolonie binnendringt dan scheidt ze een scheikundige stof af – een feromoon – die maakt dat de mieren in verwarring geraken. De mieren beginnen onder elkaar te vechten en de sluipwesp kan ongehinderd tot bij de vlinderpoplarve komen en voor haar nageslacht zorgen. Dergelijke geraffineerde middelen bezit de mens nog niet. Hij beperkt zich tot irriterende en invaliderende stoffen. Tijdens de eerste wereldoorlog zorgde de chemicus Fritz Haber voor de eerste ernstige toepassingen.

 

Haber was chemicus en had samen met Carl Bosch in 1910 een procédé ontwikkeld om NH3 te produceren uit de N2 van de lucht. Haber had dit in laboratoriumomstandigheden gedaan maar het lukte de ingenieur Bosch om apparaten te ontwikkelen die de benodigde druk (300 bar) konden weerstaan. Haber kreeg hiervoor de Nobelprijs in 1918. Het bekomen ammoniak kon gebruikt worden bij de productie van kunstmeststof maar minsten even belangrijk in die tijd was de mogelijke omzetting naar salpeterzuur en springstoffen. Dit maakte de latere Britse blokkade om ondermeer de aanvoer van salpeter uit Chili te verhinderen alvast op dit vlak onefficiënt. Haber ging volledig op in het militaristische denken van die tijd. Zijn devies was: Im Frieden der Menschheit, im Krieg dem Vaterland. Hij kreeg de rang van kapitein in het leger en vroeg niet beter dan zich in dienst te stellen van de oorlogsinspanningen. Als chemicus kende hij de uitwerking van vele chemische substanties en hij zocht naar manieren om deze in te zetten op het slagveld. Ammoniak dat hij uiteraard goed kende was irriterend maar voor zijn doel ongeschikt. Het is lichter dan de lucht en zou onmiddellijk opstijgen en verdunnen. Om na te gaan of iets lichter of zwaarder is dan de lucht hoeft men slechts de atoomgewichten te vergelijken met die van lucht – ongeveer 29. NH3 heeft een gewicht van N=14 en H = 1. Totaal 17, dus duidelijk lichter dan de lucht. Chloor was beter geschikt Cl2 (Cl = 35), met een gewicht van 70 duidelijk zwaarder dan lucht.

 

Eigenlijk was Haber niet de eerste die met oorlogsgassen experimenteerde. Reeds in Augustus 1914 gebruikten de Fransen een voorraad traangas om de vijand te bestoken. Traangas was irriterend maar bij de gebruikte concentraties niet dodelijk. De Fransen hadden het traangas zonder veel militair succes aangewend want het is niet eens zeker dat de Duitsers er wat van gemerkt hadden. Om het gebruik van “hun” gas te verantwoorden – wat eigenlijk tegen het “oorlogsrecht” was, vervat in de conventie van Den Haag – verwezen de Duitsers naar een onderschept Frans document waarin het praktisch gebruik van traangas werd toegelicht. De Duitsers hebben dit (vermeende) gebruik van traangas als rechtvaardiging gebruikt om de dodelijke gassen, militair in te zetten.

De daaropvolgende chloorgasaanval bij Ieper was strikt juridisch niet tegen de toen al geldende Haagse conventie omdat het gas niet via “ontploffing” bij de vijand werd gebracht (de Duitsers openden tegelijk een aantal vaten en lieten de wind het gas naar de vijand drijven).

 

Hier zien wij terug de tweespalt die bij elk krijgsgebeuren naar voren komt: de wil om te slagen in de opdracht en anderzijds het gevoel dat er grenzen bestaan voor de middelen die men gebruikt. Ook speelt weer het gevoel dat men zich niet kan weren tegen het middel en dat dit dus weinig sportief is. Het werd min of meer als vanzelfsprekend geaccepteerd dat een vijand in stukken werd geblazen door artillerie of doorzeefd werd door mitrailleurkogels, maar niet dat hij stikte. Duitsland werd in de Brits-Franse pers en in legercommentaren hard aangevallen voor dit grootschalige gebruik van gifgas. Een kop in de The Daily Mirror luidde bijvoorbeeld: Devilry, thy name is Germany. Er werd uitdrukkelijk op gewezen dat gas een verboden en barbaars wapen was. Hoewel Duitsland sterk werd veroordeeld voor de barbaarse daad, vormde dat geen belemmering voor de Britten en de Fransen om dezelfde weg te gaan volgen. De wedloop van de gasoorlog was begonnen. In september 1915 zijn de Britten in staat op hun beurt chloorgas aan te wenden tijdens de slag bij Loos (ten zuiden van Lille). Er liep daar heel wat bij verkeerd door de verraderlijke wind. Zij zullen bijna de hele oorlog een technische achterstand blijven hebben in de “gasoorlog”. Toch overtreffen ze de Duitsers kwantitatief. Zo hebben de Britten veruit de meeste chloorgasaanvallen uitgevoerd (400 tegen 50 voor de Duitsers). In december 1915 zullen de Duitsers, weeral voor het eerst ten noorden van Ieper en hoewel louter als experiment, fosgeen aanwenden toen nog als mengsel met chloor. Fosgeen is net als chloor een stikgas, maar tien maal “krachtiger” en bovendien kon het later ook als granaatvulsel afgeschoten worden zodat men niet langer afhankelijk was van een gunstige windrichting. Het is zwaarder dan Chloor. Fosgeen = COCl2 : C=12, O=16, Cl= 35; totaal= 98.

 

De Geallieerden hadden op dat ogenblik reeds een mogelijk gebruik van fosgeen voorzien waardoor gasmaskers voorhanden waren die (een zekere) bescherming boden. Zo werd het aanwenden van fosgeen geen beslissende factor aan het front. In juli 1917, weeral bij Ieper, wordt een nieuw oorlogsgas gebruikt. De Duitsers schieten mosterdgas, ook Yperiet genoemd, af. Bij kamertemperatuur is mosterdgas een kleurloze, olieachtige vloeistof met een geur van mosterd of knoflook, maar deze geur is niet krachtig. Het kookpunt van deze vloeistof is 217° C en het smeltpunt is 14° C. Na het uiteenspatten van de granaat wordt de vloeistof verstoven. Dit werkt in tegenstelling tot fosgeen en chloor (aanvankelijk) niet verstikkend maar blaartrekkend en tast de huid aan, zelfs doorheen de kledij. Na verloop van tijd, werkt het in op ogen en longen. In de nacht van 12 op 13 juli 1917 wordt het gebied tussen “Hooge” en “’t Wieltje” bestookt. In de komende nachten die droog waren (regen doet het effect van het Yperiet grotendeels verloren gaan) worden over de hele breedte van het Belgische front (van Armentières tot Nieuwpoort) troepenconcentraties aangevallen met mosterdgas. Aanvankelijk wisten de “getroffenen” niet goed wat hen overkwam. Er brak een zekere paniek uit maar de voorbereidingen voor het komende offensief kwamen er toch niet door in het gedrang. De individuele soldaat die er door getroffen werd kon vreselijk worden toegetakeld, maar militair gezien was de “verspreidingsfactor” te gering. Om dat afdoende te verhogen moesten enorme hoeveelheden worden aangemaakt (of de verstuiving aanzienlijk verbeterd) wat voor het einde van de oorlog niet meer mogelijk of bij offensieve acties ook niet wenselijk was, omwille van de dan wel erg zwaar besmette bodem waar men dan daarna overheen moest. Ook de Geallieerden zullen met de gebruikelijke vertraging (bij het eindoffensief) op hun beurt en met ongeveer dezelfde efficiëntie mosterdgas aanwenden. Uiteindelijk bleef het aantal gasdoden verrassend beperkt. In elk westers leger overschreed dat cijfer, volgens de officiële tellingen, de tienduizend niet. Al moet natuurlijk met de registratie van die aantallen opgepast worden. Een “dodend” neven-effect was bijvoorbeeld dat het gas dat zwaarder was dan de lucht, zich concentreerde in de bom- en obusputten waarvan de bodem dan nog eens extra “besmet” werd (door bijvoorbeeld mosterdgas), waardoor de soldaten die anders daarin een enigszins veilige schuilplaats hadden, zich meer moesten blootgeven en gemakkelijker ten prooi vielen aan mitrailleurvuur…

 

Hoe ging het verder met Fritz Haber? Zijn vrouw was het niet eens met zijn werk aan gifgassen maar daarbuiten waren er ook relationele problemen in het gezin. Zij pleegde zelfmoord met zijn dienstwapen toen hij persoonlijk toezicht hield op de eerste inzet van gifgas in Ieper. In 1919 werd Haber

ermee geconfronteerd dat zijn naam op de lijst met Duitse oorlogsmisdadigers stond. Hij was opnieuw gehuwd en met zijn gezin week hij enkele maanden uit naar Zwitserland. Maar de storm ging over en op een nieuwe, verkorte lijst kwam zijn naam niet meer voor. Als gevierd chemicus werkte hij daarna in Berlijn aan het Kaiser Wilhelm Instituut. Gedurende verschillende jaren leidde hij een programma om goud uit zeewater te extraheren. Dit zou moeten dienen om de Duitse herstelbetalingen gemakkelijker te maken. De opbrengst was echter zo gering dat het project na enkele jaren verlaten werd. Kort na het aantreden van de nazi’s werden de antisemitische decreten met betrekking tot de ambtenarendienst en het onderwijs uitgevaardigd. In april 1933 moesten alle joden hun banen opgeven. Dat gold ook voor de joodse medewerkers van Habers Kaiser Wilhelm Instituut. Gezien zijn oorlogsverleden mocht Haber nog aanblijven, maar hij zag de bui wel hangen en verklaarde zich solidair met zijn joodse medewerkers. Op 30 april 1933 diende hij zijn ontslag in.

 

Hoewel hij bekeerd was tot het protestante geloof, directeur was van een wetenschappelijk topinstituut en tijdens de oorlog voor de Duitse zaak had gestreden, bleef hij voor de nazi’s toch gewoon een jood. In een brief aan Einstein drukte hij het uit als volgt: ‘Ik heb me in mijn leven nog nooit zo joods gevoeld’. Haber wist niet goed meer wat hij moest doen. Zijn gezondheid was slecht; hij had problemen met zijn hart. Begin augustus 1933 verliet hij Duitsland voor het bijwonen van een conferentie in Spanje en zou niet meer in Duitsland terugkeren. Het laatste halfjaar van zijn leven werd een zwerftocht door Europa. Hij vond voor enkele maanden onderdak aan de Universiteit van Cambridge. Zijn gezondheid speelde hem echter sterk parten en hij ging naar Zwitserland voor een kuur. De zionist Chaim Weizmann probeerde hem over te halen een betrekking aan te nemen aan de Universiteit van Jeruzalem. Een definitief besluit is daar niet over genomen, want in de nacht van 29 januari 1934 overleed Haber aan een hartaanval in Basel.

 

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd gifgas niet door Nazi-Duitsland gebruikt. De bewegingsoorlog in het begin leende er zich ook niet toe. De geallieerden hadden echter een grote hoeveelheid en zouden die ook hebben ingezet tegen de burgerbevolking in de steden moesten er aanwijzingen zijn dat de Nazi’s gifgassen zouden inzetten. Wie zou geloven dat gifgassen daarmee hadden afgedaan had het mis. Tijdens het langdurige conflict tussen Irak en Iran in de tachtiger jaren van vorige eeuw werd 350 maal mosterdgas en zenuwgas ingezet, Ongeveer 1800 ton mosterdgas, 140 ton Tabun en 400 ton Sarin werden gebruikt. Meer dan 1 miljoen mensen werden blootgesteld. Er was weinig of geen reactie van de Veiligheidsraad omdat Iran weinig steun vond. Een vergelijkende studie maakte ook duidelijk dat psychologische impact (het post-traumatisch stressyndroom) zwaarder is na chemische (41,1 % depressies) dan na mechanische verwondingen (20,6 % depressies).

 

Bescherming

De legerleiding wilde de manschappen zo vlug mogelijk een gevoel van veiligheid geven, zeker ook om het moreel van de troepen hoog te houden. Men concentreerde zich op het gasmasker want beschermende kledij tegen blaartrekkend gas (mosterdgas) was in de eerste wereldoorlog nooit voorhanden. Aanvankelijk waren er zelfs helemaal geen gasmaskers al hadden de geallieerden vrij snel door dat een in urine gedrenkt stukje textiel voor neus en mond al hielp (niet alleen vanwege de ammoniak in urine maar nog meer omdat fosgeen in waterig milieu ontbindt). Zelfs bij de Duitsers zijn er eerst ongevallen moeten gebeuren met de gascilinders (onbewust veroorzaakt door geallieerde beschietingen) alvorens “beschermende” maatregelen genomen werden.

Wetenschappers uit het geallieerde kamp zetten zich aan het werk en bestudeerden een buitgemaakt Duits rudimentair gasmasker. Hun oplossing was aanvankelijk eveneens erg primitief: een monddoekje gedrenkt in een chemisch mengsel (soda hyposulfiet o.a). De Britten noemden het eufemistisch “respirators”. Maar het werd steeds verbeterd en in een later stadium al preventief voorzien om gassen te neutraliseren waarmee men mogelijks in de toekomst kon bestookt worden. Talloze modellen hebben elkaar opgevolgd en boden steeds betere bescherming tegen steeds nieuwere gassen en of hogere concentraties. Fosgeen echter was bij lage concentraties die toch nog gezondheidsbedreigend waren, moeilijk waarneembaar. Het was haast geur- en kleurloos waardoor het gasmasker nogal eens te laat werd opgezet. Daar tegenover bleek dat er ook veel onterecht “gasalarm” werd gegeven wat psychisch erg afmattend was en de soldaten uit hun slaap hield. Eens de gasmaskers opgezet waren, was in principe het verstikkingsgevaar geweken maar de inzetbaarheid van de manschappen nam sterk af. Met bepaalde types gasmaskers hoorde men nauwelijks bevelen, het zicht werd erg wazig door de beslagen oogglazen en zware inspanningen kon men niet meer leveren. Ook voor de paarden (transport), honden en zelfs duiven die ingeschakeld waren als berichtenbestellers, werden gasbeschermde voorzieningen getroffen. Voor duiven ging het om gasvrije kisten maar honden en paarden kregen een specifiek gasmasker waarmee ze redelijk goed bleven functioneren.

 

Naast de individuele bescherming, kwamen de Geallieerden er al vlug achter welke collectieve maatregelen er konden genomen worden om het gasgevaar (enigszins) af te wenden. Door het ontsteken van vuren maakte het chloorgas, met de stijgende warme lucht, een opwaartse beweging. Schuilplaatsen konden min of meer efficiënt afgeschermd worden met gasdekens: paardendekens die geïmpregneerd werden. Er werd zelfs een soort “gaswaaier” ontworpen waarmee men chloorgas enigszins vooruit kon drijven. Alle baten hielpen en allerlei technieken werden verder geperfectioneerd, die al dan niet waardeloos werden door nieuwe gassen. Na het beperkte succes van de gasaanvallen werd op 30 juli 1915 weer een nieuw wapen door de Duitsers getest: de vlammenwerper. Dit gebeurde met succes op het Hooge in Zillebeke. De vlammenwerper spoot een straal vuur onder hoge druk over een afstand van dertig meter. Ook dit wapen zorgde niet voor een doorbraak, maar was wel een angstaanjagend wapen, dat de gruwel van de oorlog versterkte.

 

Nucleaire Wapens

Het Manhattanproject, genaamd naar de plaats waar het bureau oorspronkelijk was gevestigd (90 Church Street in Manhattan), was een zeer geheime operatie waarmee de VS tijdens WO II de atoombom ontwikkelden. Op het hoogtepunt in 1945 werkten er 130.000 mensen aan het Manhattan-project, en de totale kosten bedroegen 2 miljard dollar (in dollars van 1945 – anno 2000 zou dat ongeveer het tienvoudige zijn). Het project slaagde erin drie nucleaire wapens te maken in 1945: een testbom met plutonium op 16 juli (Trinity test), een bom op basis van verrijkt Uranium, Little Boy genaamd, op

6 augustus op Hiroshima en een tweede plutoniumbom, Fat Man genoemd, op 9 augustus boven Nagasaki.

 

De basis voor de theorie van kernsplitsing gaat terug op de atoomleer van Democritus. Maar het was door het werk van Pierre en Marie Curie op radium dat duidelijk werd dat atomen die vroeger als onveranderlijk en stabiel werden beschouwd enorme hoeveelheden energie in zich droegen.

 

Maar zelfs in de dertiger jaren van de vorige eeuw konden vooraanstaande fysici als Ernest Rutherford en Albert Einstein niet inzien hoe die energie op een andere manier zou kunnen vrijgemaakt worden dan op natuurlijke wijze. In 1933 verklaarde de Hongaarse fysicus Leo Szilard, dat indien een neutron aangedreven proces meer neutronen deed vrijkomen dan nodig om het op te starten een nucleaire kettingreactie kon in gang gezet worden. Kettingreacties waren een gekend fenomeen in de chemie – typisch bij explosies – maar Szilard stelde ze voor de eerste keer voor bij een nucleaire reactie. In 1939 beschieten Otto Hahn en Fritz Strassman uraniumzouten met thermische neutronen en ontdekken barium tussen de reactieproducten. Lise Meitner en Otto Frisch besluiten dat er kernsplitsing plaatsvindt bij de Hahn-Strassman-experimenten. Uit experimenten bij splijting van uranium bleek dat gemiddeld twee of meer neutronen vrij kwamen en dat een kettingreactie alleszins in theorie mogelijk was. Szilard zelf en twee andere gevluchte Hongaarse joodse fysici – Edward Teller en Eugen Wigner – geloofden dat de Duitsers werkten aan een bom op basis van kernsplitsing. Zij overtuigden Albert Einstein en gezamenlijk schreven zij een brief naar de Amerikaanse president Franklin Roosevelt, de zogenaamde Einstein-Szilard brief van 2 augustus 1939. Zij spoorden de president aan om dringend fondsen in het leven te roepen voor onderzoek of de mogelijkheden van nucleaire wapens te onderzoeken.

 

Dikwijls wordt de bouw van de atoombom gezien als de triomf van theoretische wetenschappers die een theorie konden materialiseren. Maar in werkelijkheid was het minstens evenzeer een triomf van management. De wetenschappers kwamen onderling niet tot overeenstemming. Omwille van de oorlog was er dikwijls een tekort aan staal en andere basismaterialen.

 

In de zomer van 1942 werd Generaal Leslie Groves benoemd om de leiding op zich te nemen van het ganse Manhattan project. Hij was een alom gerespecteerde, intelligente, ietwat bruuske officier die de naam had dingen gedaan te krijgen. Hij had zijn sporen verdiend bij de bouw van het Pentagon en hoopte zelf eigenlijk op een commandopost over zee. Uiteindelijk aanvaardde hij de job. Hij benoemde Robert Oppenheimer als wetenschappelijk directeur (ondanks diens verdachte linkse sympathieën), confisqueerde alle beschikbare uranium en begon aan de verrijking ervan.

Reeds een week na zijn benoeming had hij de meest dringende knelpunten van het Manhattan project uit de weg geruimd. De wetenschappers moesten zich neerleggen bij zijn gezagvolle en efficiënte tussenkomsten. Er bestonden verschillende manieren om het splitsingsmateriaal tot een kritische massa te brengen waarbij de kettingreactie spontaan zou verder lopen. De eenvoudigste wijze zou zijn een cilindervormige wig te schieten in een cilinder met actief materiaal. Een andere mogelijkheid was een vorm van implosie. Edward Teller opperde reeds het idee van een meer krachtige bom: de ‘Super’. Wanneer de detonatiegolf bij de explosie van een splijtingsbom door een mengsel van deuterium en tritium zou gaan, dan zouden deze samensmelten en nog veel meer energie vrij zetten. Het idee werd ondanks het aandringen van Teller toch verworpen en alle aandacht concentreerde zich op de productie van de splijtingsbom. Teller opperde ook het speculatieve idee dat bij de eerste explosie van een atoombom een fusiereactie van stikstofatomen in de atmosfeer zou optreden. Berekeningen toonden echter aan dat de ontbranding van de atmosfeer niet mogelijk was.

 

Effecten

In het begin ging de meeste aandacht naar de mogelijkheden en effecten van de explosie. De gezondheidseffecten van ioniserende straling en zeker de locale effecten op huid en onderliggende weefsels, waren reeds vroeg gekend (1900). Radium was geïsoleerd door de Curie’s in 1898. Becquerel deed een eerste persoonlijke vaststelling. Hij droeg een onbeschermde tube met uraniumzouten in zijn jaszak gedurende 6 uren met erytheem in de onderliggende huid tot gevolg. Curie wilde dit onderzoeken en plaatste een buisje radiumchloride gedurende 10 uren op zijn arm. Gevolg was een erytheem en een ulcus. In 1921werd anemie vastgesteld bij werknemers die werkten met radium. In 1925 werd bij een chemische ingenieur die werkte met Radium en Thorium een myeloide leukemie vastgesteld. Zijn collega, nochtans blootgesteld aan de dezelfde hoeveelheid, stierf aan een aplastische anemie. Leukemie kwam beduidend meer voor bij radiotherapeuten dan bij de gewone bevolking. Interessant is het op te merken dat zowel Marie Curie als haar dochter Irene Joliot-Curie stierven aan leukemie. Logisch dat er veel belangstelling was voor de biologische effecten van ioniserende straling na de explosies van de kernbommen.

 

Tegenwoordig worden de effecten ingedeeld in deterministische en stochastische effecten. Deterministisch – het effect is afhankelijk van de dosis – zijn o.a. huidletsels en staar. Afhankelijk van de dosis verschijnen verder misselijkheid, braken, hoofdpijn, stupor en overlijden. De stochastische effecten hebben als eigenschap dat de dosis niet de ernst bepaalt, wel de kans dat het effect optreedt. Het is het principe van de loterij: hoe meer lootjes men heeft hoe groter de kans op het grote lot. Stochastisch zijn mutagene, carcinogene en teratogene effecten. Het zijn vooral deze laatste die morele verontwaardiging veroorzaken. Niet alleen de onmiddellijk getroffen individuen zijn het slachtoffer ook hun nageslacht kan schade toegebracht worden. Onwillekeurig denkt men terug aan de Genesis:

“10. ‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde mij schreeuwt. 11. Daarom: vervloekt ben jij!“. Het genetisch materiaal van de toekomst (familie, bevolking) wordt beschadigd. Het lijkt erop dat dit uniek is voor dit soort wapen. Toch moet men ook dit relativeren. Ioniserende stralen bezitten niet het alleenrecht op mutaties. Vele chemicaliën waaronder mosterdgas zijn eveneens mutageen.

 

Voor de explosie van kernbommen waren de biologische effecten van ioniserende straling alleen gekend door ongevallen en medische toepassingen (bestraling van patiënten met Bechterev of huidaandoeningen). Na Hiroshima en Nagasaki had men plots een menselijke populatie voor studie ter beschikking. Men startte zeer vroeg met de zogenaamde Life Span Study (LSS) door een gemeenschappelijke onderzoekgroep uit de VS en Japan. De te onderzoeken populatie bedroeg ongeveer 100.000 overlevenden (van 0 tot 2499 meter van het hypocentrum) uit beide steden. Het eerste rapport was gebaseerd op de waarnemingen tussen oktober 1950 tot september 1959. Iedere persoon werd geïnterviewd om zo goed mogelijk de plaats waar hij was tijdens de explosie vast te stellen en zo indirect de dosis te bepalen. De follow-up gebeurde via de familieregisters die in Japan opmerkelijk volledig waren. Zeker op gebied van dosisschatting werd de studie herhaaldelijk gereviseerd: de neutronendosis in Hiroshima werd overschat, de gammadosis in Hiroshima werd onderschat, de gammadosis in Nagasaki werd overschat (hier is de neutronendosis nog kleiner dan in Hiroshima). Veel aandacht ging aanvankelijk naar mogelijke misvormingen bij nieuwgeborenen.

 

Experimenten op Drosophila vliegen hadden de aandacht op dit fenomeen getrokken. Dit bleek echter nog mee te vallen. Waarschijnlijk speelt de wet van alles of niets in de eerste dagen van de embryonale ontwikkeling. Maar er was wel een statistisch significante toename van het aantal waargenomen kankergevallen ten opzichte van het verwacht aantal. Niet alleen voor leukemie (toename 2 jaar na de bestraling) maar ook voor het aantal vaste tumoren (toename na 10 jaar na de bestraling). Het verschil in incidentie voor leukemie nam geleidelijk terug af maar voor vaste tumoren bleef zij verhoogd en zou wel tot het einde van het leven kunnen blijven duren. Dat is de reden waarom de epidemiologische opvolging van deze cohort nog steeds doorgaat (en de toegelaten dosissen voor werknemers en algemene bevolking regelmatig nog verlaagd worden).

 

Nabeschouwing

Oorlog is verschrikkelijk. Het intentioneel doden van mensen om een politiek doel te bereiken is verwerpelijk. Hierboven werden een viertal wapens besproken: knuppel, kruisboog, chemische oorlogsgassen en nucleaire wapens. Alle zijn korte of lange tijd oorzaak geweest van morele verontwaardiging. Waarop was deze gebaseerd? In het eerste geval ging het om het feit dat iemand een deel van eigen familie vernietigde. Bij de kruisboog en chemische wapens was er meer het unfaire dat op de voorgrond stond: het is niet fair een wapen te gebruiken waartegen men zich niet verzetten kan. Bij de nucleaire wapens zitten wij terug bij de eerste argumentatie. Men tast het erfelijk materiaal aan. Dit heeft gevolgen op lange termijn. Het wordt gezien als een bedreiging van de ganse menselijke soort.

 

Toch blijft het waarschijnlijk dat ook dit geen doorslaggevend argument is. Het verschil in perceptie is daarbij groot tussen degenen die al dan niet het nucleaire wapen bezitten (the have’s and the have-nots). De morele verontwaardiging is bij de niet-bezitter groter en hij zal, zoals Pakistan, alles doen om dezelfde wapens te hebben als zijn buurman.

 

Er zijn altijd oorlogen geweest en altijd heeft men die wapens die men het meest geschikt vond om een doel te bereiken, ook gebruikt. Er is geen toestand in de geschiedenis bekend en ook denkbaar waarbij het ‘Kwaad’ helemaal zou zijn uitgeschakeld. Toch is er vooruitgang: individuen kunnen elkaar niet straffeloos uitmoorden. Clans zijn meer en meer onderworpen aan rechtspraak. Maar volkeren, zeker indien zij zich sterk wanen, zijn nog oncontroleerbaar. De eventuele rechtspraak achteraf wordt geschreven door de overwinnaar. Op lange termijn is de enige mogelijkheid: een supranationale macht. Maar die zal alleen aanvaard worden wanneer een voldoende aantal mensen overtuigd zijn dat het intentioneel doden van mensen zo slecht is, dat in dat geval een supranationale macht mag ingrijpen. Dit houdt in dat men zich niet blijft fixeren op bepaalde wapens of technieken. Techniek blijft altijd een middel – op zichzelf neutraal. De techniek is niet an sich een bedreiging. Het is alleen de mens die haar tot een bedreiging maakt. Zowel de machinevernietiging als de machinecultuur is onredelijk. De eis ‘Terug naar de natuur’ is als zodanig onzinnig. Daartegenover zou de eis moeten staan; ‘Terug naar de cultuur’. Een andere manier van denken met geloof in de mens. Wij moeten de gevaren van de techniek onder ogen zien maar mogen daarbij haar kansen voor de mens niet vergeten. De pelgrimstocht der mensheid is ooit voorgesteld als een spiraal, altijd in beweging, maar altijd in opgaande lijn.

 

Bronnen

Het grootste gedeelte van de tekst over oorlogsgassen en nucleaire wapens komt uit de syllabus van mijn lessen over ‘Industriële Toxicologie’ en ‘Radioprotectie’ voor veiligheidsingenieurs en bedrijfsartsen. De nabeschouwing steunt vooral op boeken over en van Karl Jaspers. Vooral Die Atombombe und die Zukunft des Menschen (München, 1958) was belangrijk.