Deel X 

 

De studie van de

hedendaagse oorlog

 

Jaarlijks wordt door het Nederlands Genootschap voor Internationale Zaken een genootschapsprijs uitgereikt aan een student die een afstudeerscriptie heeft geschreven op het gebied van oorlog en vrede. Ik ben door dit illustere genootschap gevraagd om een laudatio uit te spreken ter ere van de uitreiking van deze genootschapsprijs aan Ruben Scholte voor zijn winnende scriptie New Killers: analysing the causes of contemporary conflict-related violence at the level of the individual. Deze laudatio treft u hieronder woordelijk aan – als intermezzo in de serie ‘De studie van de hedendaagse oorlog’ – omdat het een bijzonder interessant onderwerp betreft dat ik de lezers van de NVMP/AVV-Nieuwsbrief niet wil onthouden.

 

Geachte aanwezigen,

Geëerde laureaat, hartelijk gefeliciteerd met uw Genootschapsprijs.

 

In 1424, tijdens de Slag bij Zagonara, sneefden de condottiere Lodovico degli Obizzi, met twee van zijn krijgsgezellen, niet door krijgsgeweld, maar omdat ze per ongeluk van hun paard vielen en door het gewicht van hun harnassen stikten in de modder. De slag verliep geheel bloedeloos. De condottieri hadden er belang bij om zo weinig mogelijk manschappen te verliezen. Niccolo Machiavelli fulmineert tegen deze nieuwe oorlogen in zijn pleidooi voor een stadsmilitie in plaats van deze militaire uitvreters.

 

Ongeveer twee eeuwen later, tijdens de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) is het oorlogsbedrijf gedegenereerd tot schier ongebreideld geweld van ongeveer iedereen tegen ongeveer ieder ander.

Er wordt op grote schaal en dikwijls op een gruwelijke manier gemoord, geroofd, geplunderd, gebrandschat, gemarteld, verkracht, en gemolesteerd. Michael Howard (War in European History, 1976: 37) schrijft over deze nieuwe oorlog: “In the Thirty Years War warfare reached the nadir of brutality and pointlessness portrayed in the etchings of Callot and the black humour of Grimmelshausen’s prose. In order to survive at all, mercenary forces had to batten on the civil population. In order to survive at all civilians in their turn, their homes burned and their families butchered, had to turn mercenary. A soldier, in this period, was well described as a man who had to die so as to have something to live on… It was a period in which warfare seemed to escape from rational control; to cease indeed to be ‘war’ in the sense of politically-motivated use of force by generally recognized authorities, and to degenerate instead into universal, anarchic, and self-perpetuating violence”.

 

Herfried Münkler, in zijn boek Die Neuen Kriege (2002), trekt een expliciete parallel met de nieuwe oorlogen van deze tijd, eveneens gekenmerkt door universeel, anarchistisch en zichzelf-instandhoudend geweld, waarbij geen enkele van de betrokken actoren (om de term ‘combattanten’ te vermijden) belang heeft bij de beëindiging van het conflict. Het is duidelijk, zo betoogt Münkler, “dass in vielen der neuen Kriege politische Konflikte, die anfangs im Mittelpunkt gestanden haben mögen, im Verlauf des Krieges zunehmend von ökonomischen Interes-sen überlagert werden. Je länger ein Krieg dauert, desto stärker tritt die Ökonomie der Gewalt als eine das Handeln der Akteure bestimmende Macht hervor, und dabei verwandelt sie die ursprünglichen Motivationen mehr und mehr in Ressourcen eines verselbständigten Krieg” (2002: 163).

 

Oorlog is altijd ‘nieuw’; oorlog verandert voordurend van gestalte, een gestalte die niemand voorzien heeft. Maar de nieuwe oorlogen van na de Tweede Wereldoorlog, of in elk geval na 1989, hebben inderdaad een karakteristiek gezicht. Tegenwoordig zijn vrijwel alle oorlogen burgeroorlogen of etnopolitieke conflicten gevoerd binnen de grenzen van een, voornamelijk, Derde Wereldland. Aldus heeft de civiele, of liever de onciviele oorlog in Snow’s toepasselijke terminologie, de internationale oorlog als dominante vorm van oorlog vervangen als bijna enige vorm van oorlog, door Mary Kaldor (1999) gekarakteriseerd als een mengsel van (guerrilla-) oorlog, georganiseerde misdaad en grootschalige schendingen van mensenrechten. De overgrote meerderheid van deze onciviele oorlogen, asymmetrische conflicten, en Low Intensity Conflicts (LICs) – om een ander modern militair eufemisme te gebruiken – zijn in lagelonenontwikkelingslanden, waar oorlog gezien kan worden als deel van het pakket van ontwikkelingsfalen. Hebzucht (greed) kan onciviele oorlog aansturen, maar armoede en grieven (grievance) spelen eveneens een rol, hoewel potentiële zelfverrijking veel significanter is als oorzaak van de nieuwe oorlogen dan chronische armoede. In veel van deze landen concurreren de krijgsheren met elkaar en/of overheidsstrijdkrachten over economisch surplus en/of (monopoliseerbare, ‘plunderbare’) delfstoffen en andere goederen (zoals ‘bloeddiamanten’, coltan, olie, ivoor, goud, hout, enz.) en/of het recht de bevolking uit te buiten of belasting te heffen, verwant aan gangsteroorlogen. Een informele gecriminaliseerde economie is ingebouwd in het functioneren van de ‘nieuwe oorlogen’.

 

In de ‘conventionele’ of ‘reguliere’ oorlog is de overwinning een belangrijk doel van de oorlogvoerende partijen. In de nieuwe uitzichtloze conflicten kan winnen niet eens het doel zijn van de betrokkenen vanwege verborgen economische agenda’s van afpersing, beroving en plundering, wat de voortzetting van het conflict een prominent doel maakt. De eigentijdse uitzichtloze conflicten zijn slordig en complex: er is geen duidelijk onderscheid tussen politiek en crimineel geweld meer; niet meer een duidelijk onderscheid tussen de ‘oorlogvoerende’ partijen in kwestie (iedereen is een potentiële vijand die elk moment kan doden); er is niet langer een duidelijk slagveld of ‘theater’ van oorlog (oorlog is gefragmenteerd, de killing zone is overal); er is niet meer een duidelijk begin of eind aan het conflict, er is zelfs niet meer een duidelijk idee waar het conflict ook alweer over ging, of wat de casus belli zijn. De lichte en kleine wapens (zoals Kalashnikovs en draagbare raketwerpers) zijn de favoriete wapens. Zelfs ‘primitieve’ wapens, zoals de machete, kunnen bijdragen tot massale menselijke vernietiging, zoals de genocide in Rwanda in 1994 liet zien. Favoriet zijn guerrillatactieken (hit and run) en onverhoedse overvallen, met inbegrip van systematische verkrachting, etnische zuivering en verhongering. Er is nauwelijks enig onderscheid tussen gewone soldaten, paramilitaire eenheden, criminele bendes, locale warlords, terroristen, huurlingen en burgers. Het is vaak gezegd dat terroristen geen gezicht en geen adres hebben. Alles is vaag, rommelig en smerig. Het enige patroon dat te ontdekken valt is dat de strijdende partijen de neiging hebben zich te organiseren langs religieuze,

tribale of etnische breuklijnen.

 

Ruben Scholte heeft zich tot taak gesteld om in deze chaos enige orde te ontdekken, in zijn scriptie New Killers: Analysing the causes of contemporary conflict-related violence at the level of the individual (Universiteit van Amsterdam, 2005), een tour de force, maar bijna geniaal van eenvoud: waarom vechten deze new killers eigenlijk? Wat bezielt deze new killers?

 

Merk op dat de auteur de term ‘killers’ (doders, moordenaars) bezigt, en niet ‘soldiers’; niet ‘soldaten’, maar ook geen ‘warriors’ (krijgers), of meer neutraal ‘strijders’. ‘Doders’ of ‘moordenaars’ doet eerder denken aan crimineel dan aan politiek geweld, en misschien is dat ook de bedoeling van de auteur. In mijn Origin of War heb ik betoogd dat de psychologie van de solistische krijger bijna diametraal verschilt van de psychologie van de gedisciplineerde soldaat. Deze scriptie lijkt dat te bevestigen. Scholte presenteert een catalogus van motivaties (drijfveren) van geweld zoals die in de relevante literatuur te vinden zijn, en de faciliterende factoren dan wel remmingen/constraints op geweldsgebruik. Bij motivaties moet u bijvoorbeeld denken aan zelfverdediging, dwang, machtsstreven of dominantiestreven, hebzucht (wat bij de klassieke Grieken en Romeinen pleonexia en cupiditas heette: het streven naar bezit en rijkdom), gehoorzaamheid, haat en/of wreedheid, en het seksuele motief dat bij verkrachtingen een rol speelt (het is een verademing te lezen dat de auteur niet trapt in het feministische dogma dat verkrachting niets met seks te maken heeft: een idiotie die de sociale wetenschappen al veel te lang heeft verziekt).

 

Bij de ontremmingen en remmingen of inhibities moet u denken aan wat heet de ‘diffusie van verantwoordelijkheid’, de groepssanctie van geweld, de geografische afstand, maar ook de psychische distantie tussen dader en slachtoffer, desensitizatie (het verlies van medegevoel), en vooral dehumanizatie (het vermogen van de mens om zijn medemensen tot ongedierte te reduceren). Deze motivaties en remmingen/-ontremmingen, die zich in steeds wisselende constellaties manifesteren en in de tijd van gedaante veranderen, neemt de auteur als uitgangspunt om een vijftal strijdgroepen of krijgsbendes te analyseren. Dit zijn de ‘Arkan Tigers’, die in het voormalig Joegoslavië huishielden; de reguliere soldaten van het Joegoslavische volksleger; de Bosnische Mujahideen (de ‘heilige krijgers’), onderdeel van een mondiaal netwerk van islamitische militanten; de employees van de Executive Outcomes, een Zuid-Afrikaanse privé-militaire firma die op bestelling huurlingen (vaak vroegere beroepssoldaten) levert; en tenslotte de West Side Boys, een bende (of zootje ongeregeld) jonge straatkinderen, criminele pubers en voormalige soldaten, die Sierra Leone teisterde.

Een aantal bevindingen van deze scriptie wil ik u niet onthouden. In de eerste plaats: hebzucht of het economisch motief (het profit motive zoals de auteur het noemt) speelt bij alle groepen in meerdere of mindere mate een rol. De Arkan Tigers kunnen zelfs gekarakteriseerd worden als violent entrepreneurs die zich verrijkten te koste van alles en iedereen, vriend of vijand.

 

Ten tweede, morele principes en loyaliteit aan, of identificatie met de grotere conflictpartij speelden nauwelijks een rol. Alleen bij de Mujahideen speelde geloofsovertuiging en solidariteit mee in de geweldpleging. De Arkan Tigers en de West Side Boys doodden, plunderden, en verkrachtten onder het mom van nationalisme, maar waren in feite onscrupuleuze, wreedaardige, en soms zelfs sadistische killers, die duidelijk lust beleefden aan zowel het doden an sich als aan de macht over leven en dood.

 

Ten derde, door de prevalentie van lichte en kleine wapens is de geografische afstandsgradiënt als geweldsfacilitator bij deze ‘nieuwe’ conflicten relatief onbelangrijk. Wolfgang Sofsky schreef al in 2003: “It is not true that human beings can kill each other only from a safe distance. Far from it: they seek close contact, striking the body until the bleeding flesh is visible and the internal organs show… Proximity rather than anonymity incites people to their worst deeds. Far from raising the threshold of inhibition against violence, it heightens the neighbourly spirit of cruelty” (Violence: Terrorism, Genocide, War. 2003: 55, 165).

Voor de grondlegger van de ethologie Konrad Lorenz (1966), maar vooral voor de militair-psycholoog luitenant-kolonel Dave Grossman (1996), was geografische afstand een belangrijke verklaringsfactor voor de gevechtsmotivatie van regulier personeel (denk aan lange-afstandswapens, bommenwerpers, etc.). Dit is in de nieuwe oorlogen niet, of niet meer, het geval. Integendeel, de ‘new killers’ lijken, meestal onder invloed van alcohol of drugs, een pervers soort wellust te peuren uit het persoonlijk en van zeer nabij slachten, verminken en verkrachten van willekeurige medemensen. Ten vierde, de voornaamste slachtoffers in de nieuwe oorlogen zijn noncombattanten, de gewone burgers. De auteur leidt daaruit af dat de warrior spirit en zelfverdediging als motivaties onbelangrijk zijn. De meeste burgers worden afgeslacht, niet gedood in een ‘regulier’ gevecht of veldslag.

 

Ten vijfde, het is al ter sprake geweest, de wellust van de persoonlijke macht en dominantie kan zich gemakkelijk manifesteren als moord- en verkrachtingslust, door de decentralisatie van de militaire besluitvorming en de verregaande autonomie van de krijgsbendes.

 

Ten zesde, het slachtofferen van degenen die tot dezelfde gemeenschappelijke groep of conflictpartij behoren impliceert dat noch identificatie met die groep noch enige morele regel die daaraan kan worden ontleend invloed heeft op de geweldpleging. Het geweld is opportunistisch en houdt zich niet aan groepsloyaliteit of aan de Conventies van Genève.

 

Tenslotte, in de eigen woorden van de auteur: “The main decisive conclusion, however, is that current motivations for conflict-related violence are various and complex and that there thus is no single motive, diminished inhibition or motivation, which on its own explains contemporary conflict related violence in general… Even in one conflict, people kill for multiple and diverse reasons”.

 

Naar aanleiding van deze, terecht gelauwerde, scriptie heb ik een aantal aantekeningen en bespiegelingen genoteerd… maar die zal ik u besparen, want ons wachten de spiritualia.

 

Dank u voor uw aandacht.