Karl Jaspers (1883-1969)

 

De reeks ‘Erflaters van de Vredesbeweging’ beschrijft  een reeks persoonlijkheden die hebben bijgedragen tot de vredesbeweging. Een bijzondere plaats neemt de Duitse filosoof Karl Jaspers in.

Hij ondervond de verschrikkingen van de oorlog aan den lijve. Hij had veel aandacht voor de manieren waarop de vredesbeweging haar doelstellingen zou kunnen waarmaken. Zeker een begrip als  geweldloos verzet behandelde hij uitvoerig.

 

Karl Jaspers werd op 13 februari 1883 geboren in Oldenburg, Duitsland, niet ver van de Noordzeekust. Over zijn vader die bankdirecteur was, vertelde hij het volgende: ”Hij heeft mij in een geest van redelijkheid en trouw opgevoed, door zijn voorbeeld en zijn oordelen op beslissende momenten.” Zijn moeder moet een lieve, begripvolle vrouw zijn geweest die de kinderen een geborgen gevoel gaf.

 

Reeds op het gymnasium verzette Jaspers zich tegen blinde gehoorzaamheid aan regels die hem onredelijk leken. Na zijn examen studeerde hij eerst drie semesters rechten en vervolgens geneeskunde. De reden van de wissel was zijn eigen gezondheidstoestand. Sedert zijn kindsheid leed hij aan brochiëctasieën die hem zeer vatbaar maakten voor luchtweginfecties. In 1908 promoveerde hij als dokter in de geneeskunde met een proefschrift over Heimweh und Verbrechen. Daarna wordt hij wetenschappelijk assistent aan de psychiatrische kliniek te Heidelberg. In tussentijd leerde hij Gertrud Mayer kennen waarmee hij in 1910 huwde. Zij was de zuster van een studiegenoot en bleef haar leven lang zijn trouwe gesprekspartner en levensgezellin. Zij stamde uit een orthodox-joods koopmansgeslacht en het was dank zij haar huwelijk met Jaspers dat zij de holocaust kon doorkomen. Reeds in 1916 werd hij benoemd tot buitengewoon professor en in 1920 tot ordinarius. In hetzelfde jaar begon zijn vriendschap met Martin Heidegger die duurde tot deze laatste lid werd van de NSDAP (Nationalsozialistische Deutsche Arbeiterpartei). In het begin hield Jaspers zich vooral met de ‘Seinsfrage’ bezig. Later concentreerde hij zich op de geschiedenis en systematiek van de filosofie. Dit vond uitdrukking in zijn driedelig hoofdwerk: Grundriss der Philosophie dat hij in 1924 in nauwe samenwerking met zijn vriend en schoonbroer Ernst Mayer ontwikkelde. De nationaal-socialistische maatregelen over de gelijkschakeling van de Duitse universiteiten raakte hem in het begin nauwelijks, ondanks zijn jüdische Versippung. Maar omdat hij niet bereid was zich van zijn vrouw te laten scheiden werd hij in 1937 in voortijdig pensioen geplaatst en vanaf 1938 werd hem publicatieverbod opgelegd. Toch zette hij zijn werk en studie verder. Vele vrienden bleven hem trouw zodat hij zich niet geïsoleerd voelde. Uiteindelijk wilden de nationaal-socialisten hem in 1945 toch naar een  Konzentrationslager overbrengen, zoals hij van een vriend vernam. Omdat zij dit niet wilden accepteren, hadden Jaspers en zijn vrouw zich cyaankali aangeschaft. Gelukkig werd Heidelberg op 30 maart door de Amerikaanse troepen bezet zodat deze uiterste maatregel niet nodig was.

 

Na het einde van de oorlog werd Jaspers gevraagd stelling te nemen over het feit of Heidegger terug les mocht geven (Lehrbefugnis). Wegens Heideggers activiteiten bij de nationaal-socialisten (de nazi’s) gaf Jaspers als advies: beperkt leerverbod dat na een periode kon herzien worden. Maar hij zette zich gelijktijdig in voor een publicatietoelating. Zijn advies werd gevolgd en het Lehrverbot eindigde voor Heidegger in 1951. Ook hun briefwisseling werd hervat al was er geen sprake meer van de vriendschap die vroeger tussen hun beiden bestond.

Uiteraard werd hij na de oorlog uitvoerig geëerd (Eresenator van de Universi-teit van Heidelberg, Goetheprijs van de stad Frankfurt). Toch was hij teleurgesteld in de ontwikkelingen van de na-oorlogse Bundesrepubliek. In 1948 aanvaardde hij een ambt aan de Universiteit van Bazel. En meer, toen Kurt Georg Kiesinger, een voormalig lid van de NSDAP tot bondskanselier gekozen werd, vroeg en verkreeg hij het Zwitserse staatsburgerschap. In 1961 ging hij met emeritaat. Hij overleed in 1969. Op zijn schrijftafel lagen ’Notizen zum Heidegger’ die posthuum werden gepubliceerd. Zijn werk omvat meer dan 30 boeken en enige duizenden brieven. Zijn voornaamste geschriften handelen over het begrip van existentie (existeren en communiceren is voor Jaspers hetzelfde), over wetenschapskritiek en over het transcendentiebegrip met het belang van symbolen. Hieronder wordt slechts ingegaan op enkele aspecten van zijn gedachten.

 

Macht, geweld en politiek

Alles wat leeft, voert een strijd om het bestaan. De mens vormt hierop geen uitzondering. ‘Mijn bestaan als zodanig staat anderen in de weg, zoals anderen mij in de weg staan. Elke positie die ik verwerf sluit een ander uit en legt beslag op een plek binnen de begrensd beschikbare ruimte. Elk succes dat ík heb, verkleint de mogelijkheden van anderen’ (Philosophie 11, 235). Maar omgekeerd geldt ook: ‘Elk bestaan berust op wederzijdse hulp. Ik heb mijn bestaan te danken aan de zorg van mijn ouders; mijn hele leven ben ik aangewezen op hulp en bied ik van mijn kant hulp binnen de samenhang van de menselijke gemeenschap’. De mens kan niet ontkomen aan deze fundamentele tegenstelling van het bestaan. Probeert hij het toch, dan rest hem slechts de toevlucht tot schijnoplossingen. Wanneer men afstand doet van alle bestaansvoorwaarden die baseren op macht jegens anderen, dan geeft men zijn eigen bestaan prijs. ‘Als ik nergens wil leven ten koste van ander leven, dan moet ik afzien van het leven. Nooit weerstand willen bieden leidt tot zelfvernietiging’. Men kan hier tegen inbrengen: indien een leven zonder strijd empirisch niet te vinden is, dan is het onze taak een dergelijk leven tot stand te brengen. Een definitieve toestand van rust is binnen de menselijke samenleving noch empirisch gegeven, noch als mogelijkheid te construeren. ‘Als ik wil leven, dan moet ik gebruik maken van geweld; dan moet ik zelf op een gegeven moment geweld ondergaan; dan moet ik hulp bieden, hulp aannemen en dankbaar worden; dan moet ik het duidelijk of/of dat iedere keer aanwezig is, ombuigen in overeenstemming en compromis’. Binnen deze conflictsituatie bestaat geen permanente oplossing. Daarom luidt telkens de beslissende vraag: waar maak ik gebruik van een machtspositie en waar ben ik lijdzaam? De beslissing vloeit niet voort uit algemene principes maar uit de bestaande situatie. Als ik strijd en riskeer, dan heeft dat in de wereld gevolgen die ik niet kan overzien; daardoor wordt ik schuldig, aldus Jaspers. Maar wie denkt dat hij de schuld kan ontlopen door zelf niet meer te handelen, vergist zich want niet-handelen is evenzeer een handelen, namelijk een nalaten dat ook gevolgen kan hebben. Dat betekent dat ik onvermijdelijk schuld op mij laad, of ik nu handel of niet... Verantwoording houdt in: de bereidheid om schuld op zich te nemen. (Philosophie 11, 247).

 

Hij maakt onderscheid tussen criminele, politieke, morele en metafysische schuld. De eerste is een taak voor het gerecht, de tweede de opdracht van de overwinnaar. Morele schuld ontstaat door handelingen die niet strafbaar zijn omdat zij bevolen werden. Aan de morele schuld kan niemand zich onttrekken zelfs niet wanneer hierover geen rechtspraak komt. De schuld blijft. Alleen degene aan wie onrecht is geschied, kan vergeving schenken. Metafysische schuld is de medeverantwoordelijkheid voor alle onrecht in de wereld (wanneer ik niet alles doe wat ik kan om dit te verhinderen, ben ik mede schuldig). Jaspers gebruikt een extreem doorgedreven begrip van schuld. Gewoonlijk wordt iets pas schuld genoemd wanneer iemand bewust, dus in vrijheid, het slechte uitvoert of nastreeft. Wanneer negatieve gevolgen ontstaan door het onvoorzienbare van mijn daden wordt dat doorgaans niet als schuld beschouwd.

Wat hier over de enkeling gezegd wordt geldt volgens Jaspers in wezen ook voor de wereld van de politiek. ‘Wie zijn oog sluit voor realiteit van de drang tot geweld... zal in zijn politiek handelen nooit echte verantwoording bereiken. Wie het tegenovergestelde denkt: oorlogen zijn er altijd geweest en zullen er altijd zijn, het komt er enkel op aan mij in deze roofdierenwereld staande te houden, die verraadt het idee van mens en de kans op politieke vrijheid’. In zijn boek Die Atombombe und die Zukunft des Menschen gaat hij verder in op deze problematiek. Geweld kan principieel niet uit het menselijk bestaan worden buitengesloten. Alleen in een rijk van engelen zou die er niet zijn. Voor mensen kan het dus enkel gaan om de ordening van het geweld, zoals die in een rechtstaat plaats vindt. Daarbij mag de mens zich geen illusie maken: ‘Het bestaan van elke menselijke orde is gebaseerd op geweld, niet in het idee, maar in werkelijkheid. Alle staten blijven behouden door geweld of door met geweld te dreigen. Het is onlosmakelijk verbonden met macht die gebruik kan maken van geweld. Deze grondsituatie van de mens versluiert men maar al te graag tegen alle feitelijkheid in... Die versluiering betekent niet de verheerlijking van het geweld... De dromers dienen echter te beseffen dat de rechtsgedachte alleen is te verwezenlijken door middel van geweld’.

 

In het leven van de heiligen die de bergrede volgen, wordt tegelijk met het afzien van geweld ook het afzien van zelfbehoud uitgedrukt. Het is een leven dat onverschillig staat tegenover zichzelf zolang het door de gegeven omstandigheden wordt meegesleept door iets buiten-wereldlijks, waar de wereld niets voor betekent. De idee van geweldloosheid werd zelfs verheven tot een politiek ideaal, in de hoop dat het geweld overwonnen kon worden door lijdzaamheid. Natuurlijk is vrede het uitgesproken doel. Maar het is een illusie te verwachten dat vrede mogelijk is door af te zien van geweld. Gandhi, die India bevrijdde van de Engelsen, wordt als voorbeeld aangehaald om het tegenovergestelde te bewijzen. Jaspers ontkent dit ten stelligste. Want in de eerste plaats bedreef Gandhi wel degelijk politiek door het geweld van de massa's in te zetten, in de tweede plaats was zijn succes alleen mogelijk tegen het geciviliseerde Engeland. Gandhi zelf gebruikte geen lichamelijk geweld, hij onderging het. Maar zodoende oefende hij een ‘morele dwang’ uit op de Engelsen. Gandhi's ‘succes’ was slechts mogelijk onder het Engeland van die tijd. Een dergelijke politiek van geweldloosheid zou vroeger nooit een dergelijk resultaat hebben gehad en zal in de toekomst alleen slagen indien de condities analoog zijn. Met het Europees pacifisme is het anders gesteld. ‘Het pacifisme is actief door te protesteren. Maar in feite protesteert het daarmee tegen het menselijk bestaan. Het wil de grens niet zien. Wie wil dat de mensenwereld bestaat, wie wil dat menselijke historie zich voortzet tot het onafzienbare, moet erkennen dat ons tegenover geweld niets anders rest dan tegengeweld of onderwerping’. Dit komt neer op onderwerping aan het geweld van het totalitaire. Daarom ziet Jaspers de geweldloosheid niet als een politiek begaanbare weg. De absolute pacifisten bedreigen de vrede meer dan de politiek denkende realisten, die erkennen dat geweld onvermijdelijk is. Het is niet mogelijk boven de geschiedenis uit te stijgen. Waarom hebben wij zoveel moeite dit te aanvaarden? Waarschijnlijk omdat het fenomeen van macht – net zoals dat van vooruitgang – als geen ander, ons een tweespalt duidelijk maakt, een tweespalt die wij niet gaarne accepteren. Als uitweg ziet Jaspers dat macht moet vallen binnen de context van recht en gerechtigheid. Hier biedt de democratische, vrije rechtstaat de grootste zekerheid voor. Vooruitgang is daarbij mogelijk in het kennen en in het besef van wat moreel is.

 

 Literatuur

- Werner Schüssler. Jaspers zur Einführung

   (1995). Vertaald door Frank Bestebreurtje.

   Lemniscaat 2003

- Karl Jaspers. Wikipedia

- Encyclopedie van de Filosofie. Samenstelling

   Laurens ten Kate. Boom/Amsterdam (2007)