Deel IX

De studie van de

hedendaagse oorlog

 

Theorieën (vervolg)

 

Territorialiteit, grenzen en oorlog

Een andere geopolitieke factor, vaak als oorzaak van oorlog aangewezen, is het territoriale geschil. In hedendaagse interstatelijke oorlogen zijn territoriale contiguïteit- en grensgeschillen door veel onderzoekers geidentificeerd als universele oorzaak. Territoriale onenigheden zijn de fundamentele bron van conflicten geweest die tijdens minstens de laatste vier of vijf eeuwen in oorlog eindigden (bv. Richardson, 1960; Rummel, 1968, 1972; Luard, 1968, 1970; Alcock, 1972; Singer, 1972; Singer & Small, 1972; Dowty & Kochan, 1974; Weede, 1975; Starr & Most, 1976, 1978; Wallensteen, 1981; Small & Singer, 1982; Gochman & Maoz, 1984; Diehl, 1985, 1999; Luard, 1986; Maoz, 1989; Gochman, 1990; Holsti, 1991; Bremer, 1992; Goertz & Diehl, 1992; Vasquez, 1993, 1995; Geller & Singer, 1998; Vasquez & Henehan, 1999, 2007).

 

Gemilitariseerde conflicten vinden voornamelijk tussen naburige staten plaats (Anselin & O’Loughlin, 1992; Blechman & Kaplan, 1978; Bremer, 1992, 1993; Gochman, 1990, 1995). Terwijl territoriale geschillen in vroeger eeuwen één van de belangrijkste oorzaken van oorlog waren, lijken strikt territoriale geschillen als voornaamste motivatie voor oorlog te zijn  afgenomen in de negentiende en twintigste eeuw, vooral na de Tweede Wereldoorlog. Geleidelijk worden zij vervangen door burgeroorlogen en etnische/etnopolitieke oorlogen. Toch blijven internationale oorlogen bestaan vanwege conflicterende territoriale claims (Cashman, 2000). Weede (1973) betoogde dat ‘de geschiedenis van oorlog en vrede grotendeels identiek is aan de geschiedenis van territoriale veranderingen als resultaat van voorafgaande oorlog en als oorzaak van de volgende oorlog’.

 

Deze algemene observatie lijkt te impliceren dat hoe meer staten er zijn in het internationale stelsel en hoe meer grenzen deze staten bezitten, des te meer oorlogen er in het systeem zullen zijn. Deze verwachting is consistent met verschillende bevindingen (Vasquez & Henehan, 1999; Rummel, 1968; Richardson, 1960; Wilkinson, 1980; Starr & Most, 1976). Bijvoorbeeld, Richardson’s (1960)

studie van 33 staten over de periode 1825-1946 vond een positieve correlatie tussen het aantal oorlogen van een staat en het aantal grenzen dat het deelde met andere staten. Daarom worden de meeste interstatelijke oorlogen gevochten en/of begonnen tussen buurlanden. Vasquez (1993, 1995)

presenteert een territoriale uitleg over de relatie tussen contiguïteit en oorlog, en plaatst het naast de ‘nabijheid’- en ‘interactie’-verklaringen. Grensconflicten vormen een grote bron van oorlog, beweert hij, maar wanneer eenmaal de grenzen duidelijk zijn afgebakend en zijn geaccepteerd kan er vrede heersen. Vasquez & Henehan (1999) sommen verscheidene theoretische redenen op waarom territoriale geschillen zo naar oorlog neigen. Eén duidelijke reden zou zijn dat het grondgebied in kwestie een intrinsieke waarde heeft in termen van hulpbronnen (bijvoorbeeld olie, mineralen, landbouwareaal) of economisch nut. Een tweede mogelijke reden is dat het grondgebied van strategische waarde is en vandaar nationale veiligheidskwesties beïnvloedt. Een derde reden voor territoriale geschillen ligt niet in de waarde van het land, maar in de mensen op het land; etniciteit wordt wel beschouwd als een wettige reden om grondgebied op te eisen, zelfs als het geen eigen bezit is. Volkeren construeren vaak hun identiteit rond territorium, en vanwege hun historische betekenis (vaak verbonden aan een vorige oorlog) hebben speciale stukken land een symbolische  en hevig emotionele waarde (bijvoorbeeld Kosovo voor de Serviërs). Voorts is de constitutieve functie van grondgebied verwant met de identiteitsfunctie. Het idee van soevereiniteit is nauw verbonden met controle van grondgebied en ‘veilige’ grenzen.

 

Wraak, eer, angst en oorlog

In pre-industriële samenlevingen is wraak het overheersende motief voor vetes en oorlogsvoering (bijvoorbeeld Davie, 1929; Turney-High, 1949; van der Dennen, 1995; Gat, 2000). Verscheidene auteurs hebben voorgesteld dat ook voor het hedendaagse staatssysteem eer, opgeblazen ego, narcistische woede en wraakzucht een belangrijke rol in de aanleidingen van oorlogen spelen (bijvoorbeeld Richardson, 1960; Waelder, 1966; Kennan, 1984; Scheff, 1994; Kagan, 1995).

Om Shakespeare’s karakter Hotspur (Henry the Fourth) te parafraseren:  alles kan een oorzaak voor vechten vormen als eer (honor, glory) op het spel staat. Thucydides observeerde al dat mensen ten oorlog trekken voor “eer, angst, en belangen”. Ook volgens Hobbes waren macht, wantrouwen en glory primaire motieven voor geweld op alle niveaus.

 

Het theoretischebelang van preventieve en pre-emptieve oorlog is op brede schaal erkend door politieke wetenschappers (Vagts, 1956; Lebow, 1981; Gilpin, 1981; Van Evera, 1984; Levy, 1987). Howard (1983) opperde dat de verklaring van Thucydides voor de oorsprong van de Peloponnesische Oorlog voor de meeste oorlogen geldt: “De oorzaken van hedendaagse oorlogen, evenzeer als in het pre-industriële tijdperk, blijven geworteld in percepties door staatslieden van de groei van vijandige macht en de angsten voor verlies, zo niet teloorgang, van eigen macht”. In zijn diplomatieke geschiedenis van Europa van 1848 tot 1918, stelt Taylor (1954) dat “elke oorlog tussen grootmachten (tijdens de periode van 1848-1918)... begonnen was als preventieve oorlog”. Ook in zijn andere historische werken benadrukt Taylor vrees (apprehension) en wederzijdse angst als belangrijke oorlogsoorzaken. Carr (1964) nam een gelijkaardig standpunt in: “De ernstigste oorlogen worden gestreden om het eigen land militair sterker te maken of, nog vaker, een ander land te verhinderen militair sterker te worden”. Kagan (1995) concludeert ook dat “angst, vaak onduidelijk en ongrijpbaar, niet altijd voor directe bedreigingen, maar ook van indirecte bedreigingen, waartegen mogelijk geen remedie is, zorgt voor de persistentie van oorlog als deel van de menselijke conditie die waarschijnlijk niet zal veranderen”.

 

Sociaal-psychologische theorieën

Andere huidige theorieën van oorlogsoorzaken vertonen een duidelijke sociaal-psychologische signatuur, bijvoorbeeld de frustratie-agressie-verplaatsings-theorie (F-A displacement) van Durbin & Bowlby (1939). De theorieën ‘Spanningen tussen naties’ (Tensions among Nations) en ‘Oorlog begint in de geest van Mensen’ (Minds of Men) kunnen worden beschouwd als verwaterde varianten van de frustratie-agressie-verplaatsings-theorie. In deze opinies zijn oorlogen eenvoudig het resultaat van onwetendheid, misperceptie, miscommunicatie en misverstanden, spanningen en frustraties onder volkeren, of problemen van geestelijke hygiëne (“Geen vrede zonder geestelijke gezondheid”: Rickman, 1950), die door rationeel onderwijs, morele solidariteit, ‘broederschap van de mensheid’, wederzijdse contacten, universele symbolen, gezamenlijke taal en ideologie kunnen worden verholpen, enz. (bijvoorbeeld Cantril, 1950; UNESCO, 1948). Theoretici van deze overtuiging hebben een tendens om het bestaan van ‘objectieve’ conflicten tussen naties te ontkennen.

Tot slot zijn er vele pogingen door psychoanalytici en psychologen geweest om de ‘primitieve’ zowel als hedendaagse oorlog te verklaren uit ‘oorlogskwekende complexen’ of uit de bevrediging die oorlog kan bieden door allerlei wensen, behoeften, instincten te vervullen (bijvoorbeeld een instinct van ‘vechtlust’ (Kampflust, pugnacity), of andere onweerstaanbare verlangens, zoals een grote behoefte aan avontuur, of vlucht uit de onbeduidendheid en verveling van het uitzichtloze bestaan, die oorlog met zich mee kan brengen (bijvoorbeeld James, 1890; McDougall, 1908; Trotter, 1915; MacCurdy, 1918; Hinkle, 1925; Fromm, 1941, 1973; Fluegel, 1950; Bouthoul, 1972; Sturm, 1972).

 

Andere (onorthodoxe) theorieën van hedendaagse oorlogen

Het gemeenschappelijke thema van de onorthodoxe oorlogstheorieën is dat oorlog niet is wat het op het eerste gezicht lijkt. Om het in de woorden van de Franse polemoloog Bouthoul uit te drukken: oorlog is een “doel dat zich vermomt als middel”. Niet verwonderlijk zijn de meeste van deze theoretici psychoanalytisch georiënteerd. Freud, en veel van zijn aanhangers, probeerden om oorlog te verklaren door een verlangen naar agressie en vernietiging of door de mysterieuze en onbewuste machinaties van de Todestrieb, of door diepe, irrationele behoeften, instincten, of pathologische ontsporingen. Volgens Ferguson (1984), heeft maar één antropoloog (Henry, 1941) ooit uitdrukkelijk de doodsdrift in het verklaren van een primitief oorlogscomplex (bij de Braziliaanse Kaingang-indianen) aangehaald. Anderen, min of meer in de orthodoxe psychoanalytische traditie, beschouwen oorlog als een terugkerende massakrankzinnigheid (“sadomasochistische orgie”) (bijvoorbeeld Volkan, 1991), een collectieve psychopathologie (bijvoorbeeld Penrose, 1963), geassocieerd met paranoïde projecties en sadomasochistische impulsen, compleet met therapeutische effecten. Een gelijksoortig idee wordt uitgedrukt in het begrip van oorlogen als ‘neuroses van de naties’. Een groep drukt collectieve agressie uit tegenover beangstigende en onacceptabele elementen die geprojecteerd worden op een vijandelijke groep (bijvoorbeeld Patrick, 1915; Money-Kyrle, 1937; Glover, 1947; DeMause, 1977). “Agressie en necrofilie worden gezien als de twee diepe bronnen van waaruit de oorlog zijn motivationele energieën afleidt” (Harva, 1969).

Sommige van deze psychoanalytisch georiënteerde theorieën zijn gefundeerd op de veronderstelling dat de ‘ware’ of ‘echte’ functie van oorlog de massale moord op mensen is: “feesten van slachting” (bijvoorbeeld Strachey, 1956; Helwig, 1958; Fornari, 1974; Bouthoul, 1953, 1970; Caillois, 1951, 1963; Volkan, Julius & Montville, 1990). Volgens Helwig (1958) dienen de oorlog en het weloverwogen doden van mensen de functie van zelftranscendentie. In zijn bijna onvertaalbare en omineuze proza stelt hij:

Der Krieg und die Handhabung des Tötens von Mitmenschen als Mittel zur Höchststeigerung der Lebendigkeit... Das Töten is ja nicht eine ‚betrübliche Begleiterscheinung des Krieges’, sondern das Mittel, mit dem diese Dramatisierungsform allein erreicht werden kann. Auf das gegenseitige Töten der Menschen arbeiten die Nationen, in Frieden hin, wenn sie ‚rüsten’. Die Rüstungsindustrie sowie alle Wissenschaften, die sich mit den Waffen und der Taktik der jeweils nächsten Krieges befassen, bemühen sich um möglichst wirkungsvolle Arten des Tötens. Der Krieg als die größte Kraftprobe der edelsten Tugenden ist zugleich ein ,Wettkampf’, wer am wirkungsvollsten töten kann... Das Töten im Krieg verursacht überhaupt keine Gewissensbisse. Weder Staat noch Kirche sehen im Töten der Mitmenschen etwas Unrechtes oder gar Sündiges, wenn es im Rahmen des Krieges geschieht... Das Grundproblem der Kriege heißt nicht; warum sich die Menschen so hassen, daß sie einander töten, sondern: warum sie einander töten, ohne sich zu hassen. Die Antwort heißt: weil das Töten die wichtigste Spielregel ist, um diese Höchstdramatisierung zu bewirken... die Vaterländer und ihr Wohl sind nicht Ziele der Kriege, sondern Mittel. Kriege entstehen nicht, weil Vaterländer bedroht werden, sondern Vaterländer entstehen und werden bedroht, damit Kriege als Höchststeigerung der Lebendigkeit möglich werden.

 

Andere psychoanalytici (bijvoorbeeld Walsh, 1971; Walsh & Scandalis, 1975) hebben een theorie van filicide of mannelijke vijandigheid tussen generaties uitgewerkt. Oorlog zou een grotendeels onbewuste vijandigheid zijn van oudere tegen jongere mannen, die naar de rijkdom, status en vrouwen van de oudere mannen hunkeren. Oorlogen, worden volgens deze zienswijze, inderdaad opzettelijk “gepland door de oude mannen om er de jonge mannen in te laten sterven” (Brodie, 1973). Bouthoul (1953, 1970) werkte een fundamenteel gelijkaardig idee uit van oorlog als ‘uitgestelde infanticide’. Weer andere psychoanalytisch-georiënteerde auteurs hebben een ‘rituele’ conceptie van oorlog voorgesteld, als een ‘reinigingsrite’ (een “een verwijdering van gevaarlijk vuil”) (Leach, 1965), of als een ‘totemfeest’ (Abraham, 1955), of ‘opperste feest’ (Bouthoul, 1951), of ‘offerritueel’ (Koenigsberg, 1999). In deze concepties is het min of meer rituele en/of feestelijke doden zowel doel als middel. In zijn Violence and the Sacred speculeerde Girard (1979) dat oorlog en offering oorspronkelijk hetzelfde doel kunnen hebben gediend: om de agressieve energie te temperen die een gemeenschap in tweeën kon scheuren en die energie af te buigen in de richting van een ‘externe’ zondebok: het offer-slachtoffer of, in het geval van oorlog, de buitenlandse vijand. Een dergelijk idee vinden we ook bij Ehrenreich (1997): “De menigte die zich verzamelt om de zondebok, gekozen als offer, te stenigen, of die de gladiatoren in de arena toejuicht, ondervindt een uitbarsting van angst-verlossende kracht”. Andere onderzoekers beweren dat wij vijanden nodig hebben (bijvoorbeeld Helwig, 1958; Guha & Papcke, 1985). Bouthoul en de Jungiaanse psychoanalyticus Stevens (2004) zien oorlog geworteld in fundamentele archetypische complexen. Fornari (1974) werkte een theorie uit van de “paranoïde verwerking van het rouwproces”, hetgeen eropneer komt dat na een dood in de gemeenschap de nabestaanden geloven dat zij hun rouw kunnen verminderen door iemand van een andere gemeenschap te doden. Otterbein (1968) noemde dit “doden uit verdriet” (grief killing), en Turney-High (1949) “vlucht uit verdriet” (flight from grief) en “gemoed luchten” (spleen venting). Codere (1950) stelde voor dat dit voortkomt uit een “wens om dood met dood te beantwoorden”. Het doel is om de andere gemeenschap dezelfde reden voor rouw en verdriet te geven als zij zelf hebben gehad, zoals Strehlow (1910) al observeerde.

Moeller (1992), tenslotte, concludeerde dat het uiteindelijke doel van oorlog niet vernietiging maar voortplanting is. In de Griekse mythologie, merkt hij op, hadden de godin van de liefde Aphrodite en Ares, de god van de oorlog, een hartstochtelijke liaison.