Georges Pire (1910-1969)

 

De reeks ‘Erflaters van de Vredesbeweging’ beschrijft een reeks persoonlijkheden die hebben bijgedragen tot de vredesbeweging. Naast een korte biografie wordt vooral ingegaan op hun doelstellingen, hoe zij die wilde verwezenlijken en tenslotte in hoeverre zij slaagden. De voorgaande verhalen gingen vooral over personen aan het einde van de negentiende eeuw omdat de vredesbeweging toen zeer sterk was. Maar ook de twintigste eeuw kende figuren die bezorgd waren over het geweld in de wereld. Zij waren geen vage idealisten en zagen in dat ontwapening alleen geen oplossing kan brengen want vrede is meer dan het zwijgen van kanonnen. Een belangrijke vertegenwoordiger is Georges (Dominique) Pire.

 

Georges Pire werd geboren op 10 februari 1910 in Dinant (België). Zijn vader was nogal autoritair, iets wat gecompenseerd werd door de blijmoedigheid en het optimisme van zijn moeder Berthe Revet. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog vluchtte de familie per boot via de Maas naar Frankrijk. Twee dagen later, op 23 augustus 1914, staken de Duitsers in Dinant 1300 huizen in brand en fusilleerden 600 inwoners. De beschuldiging luidde dat de reguliere Duitse troepen beschoten werden door francs-tireurs. De grootvader werd voor zijn woning doodgeschoten. Georges was dan 4 jaar oud maar deze oorlogsgebeurtenissen bleven hem zijn verder leven achtervolgen. Zijn vader aanvaardde een functie als onderwijzer in een plattelandsschooltje in Bretagne. Gedurende de rest van de oorlog volgde Georges les bij zijn vader. Na de wapenstilstand in 1918 keerde de familie terug naar België. Hij zette zijn studies verder en in 1927 beëindigde hij zijn retorica (laatste jaar gymnasium) in Dinant. Daarop trad hij binnen bij de orde van de Dominicanen en legde de geloften af onder de naam Dominique. Zoals de traditie dat in zijn orde vereiste werd hij naar Rome gestuurd voor theologiestudie. Als onderwerp van zijn doctoraatthesis wilde hij eerst het onderscheid tussen misericordia en justititia behandelen, uitgaande van een gezegde van Thomas van Aquino, volgens wie barmhartigheid in zekere zin een overvloed van rechtvaardigheid is. Op aandringen van zijn promotor werd het uiteindelijk een verhandeling over apatheia (onverschilligheid). Nadien werd hij naar de Universiteit van Leuven gestuurd en sloot er in 1937 zijn studies af met een licentie (doctorandus) in politieke en sociale wetenschappen. Gedurende de Tweede Wereldoorlog gaf hij les in filosofie en moraalwetenschappen en sloot zich later aan bij de weerstand. Na de oorlog hervatte hij zijn werk als leraar. In het kader van conferenties voor jongeren zocht Dominique Pire dikwijls naar onderwerpen uit het dagelijkse leven. Elke maand deed hij beroep op een vriend of kennis. Hij schreef hierover: “Op een dag in januari 1949 zocht ik een spreker. Niemand was aangemeld voor de kring in Brussel. Mevrouw Mertens – voorzitster van de meisjesgidsen (scoutgroepering) – stelde haar schoonbroer voor, een jonge Amerikaan die werkte in vluchtelingenkampen. Hij heette Ed Squadrille. Zoals zovelen wist ik wel dat er ergens in Europa groepen mensen waren die uit hun woning waren verdreven.” (Nota: als gevolg van de overeenkomsten van de geallieerden kwam Bohemen bij Tschechoslovakije. De Sovjet-Unie (Oekraïne) kreeg Oost-Polen en Polen schoof als compensatie op naar het westen met Pommeren en Silezië. De oorspronkelijke Duitse bewoners [Volksdeutsche] moesten vertrekken).  “De heer Squadrille kwam. Als ex-kamphoofd van een kamp in Kufstein (Tyrol) sprak hij zeer gedetailleerd over de leefomstandigheden van de 4000 ontheemden in dat kamp. Hijzelf had ontslag genomen wegens zijn toenemend gevoel van onmacht. Hij had de overtuiging dat de IRO (International Refugee Organisation) het ganse probleem slechts zag als een selectieprobleem. Handwerkers en vaklieden werden vlug geselecteerd en hadden mogelijkheden om uit het kamp te ontsnappen. Ouderen en kinderen bleven achter. Voor het ‘residu’ werd niets gedaan. Toen de spreker zweeg bleef de vergadering stil.”

 

Displaced persons – Europadorpen – Vredesdorpen

Domique Pire en de jongeren besloten naar de vluchtelingen te schrijven om hen duidelijk te maken dat zij niet werden vergeten. Zonder op toestemming van de officiële instanties te wachten bezocht Dominique kampen, sanatoria en weeshuizen. Terug in België startte hij een soort peterschap. Hij probeerde de oudjes uit de kampen te krijgen. Het was ontzettend moeilijk. Om te beginnen moest men een verblijfsvergunning krijgen voor België. Hij kreeg er twintig. Hij huurde een huis in Hoei, naast een bakkerij waar hij de eerste vluchtelingen opving. Voor ouderen zocht hij vooral plaats in de steden omdat ze daar gemakkelijker geïntegreerd raakten. Voor gezinnen werden huizen gebouwd aan de rand van een stad. Men noemde ze Europadorpen. Eigenlijk waren het eerder gehuchten met nooit meer dan 150 inwoners. Een groter aantal zou het risico van kliekjesmentaliteit in zich dragen. Een Europadorp lag altijd op een bereikbare afstand van een fabriek waar lichte handarbeid werd verricht. Dit omdat de meesten hun vroeger beroep niet meer konden uitoefenen. Leraren, kantoorklerken, militairen moesten veelal overgaan op ander werk dat fysisch niet te zwaar was. De voedselpaketten moesten verdwijnen en in ieder dorp moest ‘de collectieve wil tot leven’ worden opgewekt.

 

Er kwamen dorpen bij Aken (1956), Bregenz (1956), Augsburg (1957),

St Agatha-Berchem (1958), Spiezen (1959).Het zesde Europadorp werd in Wuppertal (1959) gebouwd en kreeg de naam van een 14-jarig joods meisje dat in het kamp van Bergen-Belzen was omgekomen (Anne Frank). Tevens werd de naam Vredesdorp gebruikt. De organisatie steunde uiteindelijk op drie actieniveaus: geïnteresseerden konden een familie sponsoren door brieven en daadwerkelijke hulp, op een tweede niveau kwamen er vier tehuizen voor ouderen. Omdat de vluchtelingen niet van aalmoezen alleen konden blijven leven moesten ze economisch onafhankelijk worden. Hij stichtte verschillende officiële verenigingen, elk met gedeponeerde statuten en een raad van beheer. Elk had zijn boekhouding die nauwkeurig door deskundigen werd gecontroleerd.

 

Otto Kildal, de Noorse gezant in Brussel, was vol belangstelling voor de ‘Hulp aan Ontheemden’. Mede op zijn aandringen droeg de Belgische regering Dominique Pire voor als Nobelprijswinnaar voor de vrede. Hij had het zeker verdiend, niet alleen voor zijn werk maar vooral voor de geest die dit bezielde. Uit de laudatio van de voorzitter van het Nobelprijscomité: “…  door zijn actie wil hij de geest van verbroedering helpen ontwikkelen onder mensen, volkeren en rassen…”.  Hij was geen filosoof, geen moralist en evenmin een socioloog. Hij was een mens van goede wil die zijn leven wijdde aan de moeilijke zaak die vrede onder de mensen is.

 

Vredesuniversiteit – de broederlijke dialoog

De bekendheid die hij verwierf met de Nobelprijs, gaf Dominique Pire de mogelijkheden om nieuwe initiatieven te ontwikkelen. In 1960 stichtte hij in het Luikse Tihange de Vredesuniversiteit. Hij vertelde hierover: “In 1959 verscheen in een internationaal tijdschrift een artikel over het werk ten behoeve van vluchtelingen uit Oost-Europa. Het artikel wekte de indruk dat wij bij de bouw van onze Europa-dorpen verlegen zaten om vrijwilligers. Idealistische jongeren wilden graag komen werken. Daarom schreven honderden jongeren mij om zich als vrijwilliger op te geven. Maar wij hadden de bouw van onze dorpen reeds toevertrouwd aan vakmensen en konden onze briefschrijvers geen enkel soort van handarbeid aanbieden. Om hen niet teleur te stellen heb ik hen voorgesteld drie weken bij mij door te brengen om samen te bestuderen hoe wij de beste bijdrage konden leveren voor de vrede. In 1960 kwamen de eerste maal 29 jongeren samen. Er waren nog geen lokalen en de eerste samenkomst gebeurde in tenten en bij regenweer in een lagere school.” Later ontving hij een belangrijke donatie van een Italiaanse dame om gebouwen op te richten. Zo ontstond de vredesuniversiteit die ook thans nog actief is.

 

Aanvankelijk waren het zomercursussen gewijd aan de bestudering van de positieve vrede en de broederlijke dialoog als weg daartoe. Vijf dagen handelden over algemene beginselen, richtlijnen, fenomenologie, psychologie van de ontmoeting, rechten, enz. Een dag was gewijd aan de getuigenis van iemand die de broederlijke dialoog in een speciale situatie had toegepast. Minstens een dag behandelde economische problemen, een andere dag informatie. De laatste dag was voor conclusies. Het niveau van de lessen bleef op peil door een academische raad die hoofdzakelijk was samengesteld uit universiteitsprofessoren en vooraanstaande figuren zoals Robert Oppenheimer (physicus), John Howard Griffin (journalist-rassengelijkheid), e.a.  Pire vertelde verder: “Vrede is een positieve zaak: het is het scheppen van een klimaat van begrip en respect. Het doel van de vredesuniversiteit is bij te dragen aan dit klimaat en het te laten groeien. Zeker in het begin was er twijfel over de invloed. De deelnemers gaan enthousiast naar huis. Maar al heel gauw botsen ze op de tegenstellingen, de verdeeldheid, de ruzies en de haat die mensen in hun eigen omgeving scheiden. Geweld lijkt soms onvermijdelijk. Dialoog zal altijd als een utopie of nutteloze bezigheid beschouwd worden door degenen die diep gegriefd zijn of zich onrechtvaardig behandeld voelen. Niet alles kan door dialoog en geweldloosheid worden opgelost.  Zeker in burgeroorlogen staan recht en rede bijna nooit aan één kant, des te minder als grote mogendheden er zich mee moeien. Soms is er geen goede oplossing en moet men zich tien, twintig, dertig jaar tevreden stellen met een slechte oplossing. De Vredesuniversiteit is nooit voorgesteld alsof ze bedoeld zou zijn om aan alle bestaande oorlogen een einde te maken. Wel om een klimaat te scheppen waarbij dialoog mogelijk blijft. Ideeën zijn  middelpuntvliedend. Een klein instrument is even onmisbaar als een groot. Ik dacht aan het spreekwoord: Het is beter een kaarsje aan te steken dan de duisternis te vervloeken.”

 

Vredeseilanden

In 1960 werd  Dominique Pire vijftig jaar. Hij had reeds veel verwezenlijkt en het aureool van de Nobelprijs gaf hem bekendheid. De regering van Pakistan zag in hem een geschikte persoon die misschien kon helpen bij het probleem van de vele duizenden vluchtelingen na de onafhankelijkheid en de splitsing van Brits Indië in het Hindoe-istische Indië en het Muzelmaanse Pakistan in 1947. Tijdens zijn bezoek was hij getuige van een ander drama: Oostelijk Pakistan (het huidige Bangladesh) werd geteisterd door een cycloon met een ongekende intensiteit. Alles was verwoest. Tevoren was er reeds weinig maar nu was er niets meer. Erger nog, de hoop op een betere toekomst leek eveneens verdwenen. Dominique Pire was getroffen door zijn ontmoeting met de slachtoffers. Terug in België vroeg hij advies aan verschillende specialisten die later zijn medewerkers werden. De basis van zijn handelen werd samengevat in de volgende beroemde formule: «Agir sans savoir est une imprudence, savoir sans agir est une lâcheté.» (Handelen zonder te weten is onvoorzichtigheid, weten zonder te handelen is lafheid).

 

Hij verwierp het idee om enkel voedsel en hulpgoederen te sturen. Wat hem bezighield was wat men kon doen na de eerste acute toestand. Men zei dat men moest heropbouwen wat verwoest was. Maar in de delta van de Ganges was er weinig om weer op te bouwen. Voor de overblijvenden was er niets dat bij hun terugkeer de kans op een economisch evenwicht, noodzakelijk voor overleving, mogelijk maakte. Het probleem was enorm, leek onoplosbaar. Een van zijn medewerkers stelde het volgende voor: “Laten wij een groep mannen en vrouwen helpen om hun lot in eigen handen te nemen zodat zij tot zelfstandigheid kunnen evolueren.” Het idee was simpel maar moest op kleine schaal worden uitgevoerd opdat de resultaten zouden zichtbaar zijn. Het was dit principe van self-help dat alle volgende projecten van de vredeseilanden zou domineren. Het werd gekarakteriseerd door een spreekwoord van Confucius: ‘Indien je een vis geeft aan een mens kan hij gedurende een dag eten. Indien hij leert vissen, kan hij zijn verder leven eten.’ Vrij vlug begon hij aan het project. Belangrijk bleef zijn respect voor de cultuur van de betrokkenen. Hierop steunde zijn dialogue fraternel, de tweede hoeksteen van de Vredeseilanden. De nadruk lag op samenwerking. Îles de Paix wilde werken als katalysator, eerder dan als leverancier van directe hulp. Daarom werden er geen pasklare oplossingen voorgesteld. De lokale bevolking werd aangemoedigd zelf een keuze te maken uit mogelijke oplossingen. De beslissingen werden zo eigen beslissingen.

 

Gohira, het eerste Vredeseiland

Met beperkte middelen en praktisch zonder garanties besliste Dominique Pire te beginnen met het eerste Vredes-eiland (Île de Paix). Gohira, een plaats even buiten de Gangesdelta, werd gekozen omdat er mogelijkheden waren voor langdurige projecten. Hij vertelde: “Ter plaatse wilden wij een realistische efficiëntie bewerkstelligen: alle krachten mobiliseren, self help en onze hulp beperken tot 5 jaar aanwezigheid.” In mei 1967 had de ganse equipe Bangladesh verlaten. Achtendertig coöperatieven bleven achter als bewijs van het succes en op eigen kracht ontstonden later nog bijkomende initiatieven.  Tussen 1967 en 1980 werden nog andere vredeseilanden opgericht door Îles de Paix waaronder Kalakad (Indië) en Timbouctou (Mali). Doorheen alle projecten en programma's waaraan Vredeseilanden meewerkte liep eenzelfde rode draad van blijvende structurele verandering. Vooral het streven naar een duurzame ontwikkeling op het vlak van voedselzekerheid stond op de voorgrond.

 

Theoretisch werd er gewerkt rond drie thema's: 1. Participatie, mondigheid van de mensen stimuleren. 2. Gender, vrouwen en mannen samenbrengen.

3. Cultuur, verscheidenheid van gemeenschappen promoten. ‘Vredes-eilanden’ trachtte deze thema's te verwezenlijken via kennismanagement en door lobbywerk.

 

Overlijden en nabeschouwing

1968 was een bewogen jaar: de moord op Maarten Luther King, mei ’68 in Parijs en Duitsland, de onderdrukking van de opstand in Praag, de moord op Robert Kennedy, … Ironisch genoeg werd op 10 december 1968 de 20e verjaardag herdacht van de verklaring van de Rechten van de Mens. Dominique Pire spaarde zichzelf niet: Vietnam, Biafra, Midden Oosten,..  alles vroeg zijn aandacht. Hij voelde zich moe en had problemen met zijn gezondheid. Midden januari 1969 werd hij opgenomen in het ziekenhuis van de Université Catholique de Louvain voor een ingreep aan de prostaat. De operatie verliep zonder problemen maar enkele dagen later kreeg hij een hersenbloeding. Hij overleed op 30 januari 1969.

 

Dominique Pire had goede ideeën en hij slaagde er ook in deze te verwezenlijken. Hiertoe droeg zeker zijn volhardingsvermogen bij maar ook zijn inzicht en aanpassingsvermogen. Hij slaagde erin de juiste medewerkers te kiezen en ze te blijven begeesteren. Zeker ging niet alles zonder problemen. Na het vertrek uit India bleek de cultuur van de kasten een hinderpaal bij het promoten van de gelijkheid. 

Arme mensen op een zinnige manier helpen, is buitengewoon moeilijk. Ontwikkelingshulp mislukt misschien vaker dan nodig is. Maar Dominique Pire toonde aan dat hulp  wel degelijk kan helpen.