Nederlandse missie Afghanistan

Een gidsland dat moeite heeft zijn weg te vinden

 

Zeker voor ons, zuiderburen, heeft Nederland altijd als een gidsland gefunctioneerd waar men met een zekere bewondering naar opkeek. Nederlanders waren dapper, moreel hoogstaand en zeer principieel. Dapper: hadden zij niet tegen een machtig Spaans leger hun onafhankelijkheid afgedwongen en achteraf dapper gevochten tegen Engelsen, Fransen, Duitsers of wie dan ook op dat ogenblik hun vijanden waren? Principieel: wanneer de vader van de toekomstige bruid van de toekomstige koning mogelijk fout is geweest dan wordt zo open gedebatteerd over toelaatbaarheid en huwelijksprotocollen dat het voor de buitenwereld zelfs wat gęnant overkomt. Nederlanders maken het zich niet gemakkelijk maar ze zijn consequent en rechtvaardig.

 

Het is daarom voor iedereen aanvaardbaar dat Den Haag functioneert als de wereldhoofdstad van internationaal recht en vrede. Joegoslavië-tribunaal, Rwanda-tribunaal, Internationaal Gerechtshof, Vredespaleis. De wereld ziet het Nederland als stad en land waar uiteindelijk recht wordt gesproken.

 

Dan komt het sturen van troepen naar Afghanistan: de rechter wil politieman worden. Als buitenlander komen de gebeurtenissen onwezenlijk over.  Eerst duiken ex-generaals, rechtse volksvertegenwoordigers en allerlei zelfbenoemde deskundigen op die voortdurend de woorden goed doordacht, goed voorbereid, goed onderzocht,… gebruiken. Het heeft veel weg van verkooppraatjes en maakt wantrouwig. Een zakelijk debat over de essentie, het waarom van het sturen van troepen, lijkt niet mogelijk. Wanneer men toch gaat zoeken naar argumenten vindt men via Google vreemd genoeg een lessenpakket voor de scholen. Het is opgesteld door het ministerie van Buitenlandse Zaken en behandelt de vredesmissies (sic). Het bestaat uit zogeheten factsheets en biedt materiaal voor zowel de onderbouw als de Tweede Fase van het voortgezet onderwijs. Ook is een docentenhandleiding beschikbaar. Men kan zich vragen stellen over indoctrinatie in een schoolopleiding. Maar goed, kinderen zal men toch niet beliegen. Er staat: Wanneer de bevolking van een land de voordelen van vrede en veiligheid ziet, is de kans op een nieuwe oorlog kleiner. Nederland en andere landen kunnen een land daarbij helpen. Dit komt bekend voor. Zeker wij Belgen kennen zulke verhalen. Leopold II trok naar Congo om de slavenhandel te bestrijden en beschaving te brengen. Ook Bush trok naar Irak om massavernietigingswapens uit te schakelen en democratie (het woord beschaving evolueerde naar democratie) te brengen. Later kwamen andere beweegredenen als rubber en petroleum aan het licht. Moest Afghanistan ook niet een betrouwbaar, pro-westers land worden omdat men een pijpleiding wilde aanleggen? Was er geen sprake van basissen om Iran of China te controleren? Het ideële is echter zoveel mooier, zeker om eigen mensen te overtuigen. Nederland gaat dus goed voorbereid helpen en opbouwen. 

 

Toch lijkt wat twijfel te groeien, waar schoolgaande jeugd uiteraard niet mee mag worden lastiggevallen. Zijn de mensen in Uruzgan ermee gediend? Leidt dat tot vrede, of in elk geval tot minder aanslagen, minder terreur, minder verkrachtingen, slachtpartijen, vernietigingen van alles wat beschaving heet? De voorgestelde missie geeft daar geen enkele garantie voor. Sterker, het biedt ook geen uitzicht op verbeteringen. Dat komt onder andere door de onduidelijke relatie tussen de twee operaties die naast elkaar gaan functioneren: enduring freedom (hard militair ingrijpen van de VS om terrorisme te bestrijden) en de ISAF-missie (met mandaat van de Verenigde Naties, onder NAVO-commando) om “de harten en de hoofden van de mensen” te winnen. De Amerikaanse soldaten zijn en blijven voorlopig actief in Uruzgan. Hoe kan de plaatselijke bevolking een onderscheid maken tussen de Amerikaanse soldaten en de Nederlandse? Hoe kun je nou een oorlog voeren en op hetzelfde moment werken aan de wederopbouw? De kans is groot dat je eerder olie op het vuur bent dan olie op de golven. De ambiguďteit is duidelijk. Het was te voorspellen dat men in ene of andere richting zou uitwijken. Bronnen op het ministerie van Defensie bevestigden dat tussen Nederland en de NAVO-partners spanningen ontstonden over de militaire strategie van de ISAF-missie. De bondgenoten wilden de taliban ‘onder druk’ houden met gevechtsoperaties. Nederland was bezorgd over het escalerende geweld, en hamerde op wederopbouw (november 2006). Canada en Australië bleven zware kritiek uiten op de Nederlandse troepen in Afghanistan. Die zouden veel te slap optreden tegen taliban terroristen en bij het minste of geringste verzet huilend terugrennen naar hun basiskamp. De ontwikkeling van Afghanistan zou in hoge mate afhangen van het vermogen van de NAVO-troepen om de taliban te vernietigen. Nederland daarentegen hanteerde daarvoor de T.A. methode, ontwikkeld door Burgemeester Cohen van Amsterdam. De Tea Anyone-methodiek hield in dat Nederlandse soldaten taliban-terroristen uitnodigden om thee te komen drinken. De taliban vertelden dan aan de Nederlandse troepen wat zij wilden en de Nederlanders deden dat vervolgens. Volgens de commandant van de Nederlandse troepen was de methode een succes. “Net als in Amsterdam is het hier in Uruzgan relatief rustig. Je moest alleen bepaalde gebieden mijden… eigenlijk alles wat buiten een cirkel van 1 km van de basis lag.” De Australische bevelhebber was niet te spreken over de aanpak: “wij hanteren een andere aanpak die we K.O. noemen, Knock Out. Dat lijkt effectiever.”

 

Nederland leek noodgedwongen deze aanpak te volgen. Nederlandse militairen zetten zwaar geschut in tegen talibanstrijders in Kandahar, de onrustige provincie naast Uruzgan. Een zogeheten Pantserhouwitser-2000 werd in stelling gebracht. Het nieuwe, zestig ton zware kanon van de landmacht deed volop mee aan Operatie Medusa waarbij ongeveer tweeduizend NAVO- en Afghaanse militairen enkele taliban-bolwerken in de regio Panjwayi in Kandahar bestreden. Het aantal doden onder de talibanstrijders bleef onbekend. Het is een vreemde manier van opbouw maar de onderlinge verstandhouding tussen de geallieerden leek erdoor te verbeteren. De meningsverschillen werden toegedekt: “De Verenigde Staten hebben Nederland dinsdag geprezen om zijn bijdrage aan de Amerikaanse militaire gevechtsmissies tegen de taliban in Zuid-Afghanistan.” (21-11-06).

De essentiële vraag over het waarom blijft. Het is onwaarschijnlijk dat Balkenende of zijn omgeving – in tegenstelling tot Leopold II of Bush en zijn omgeving – persoonlijk voordeel hebben aan de verovering. Het is dus loyaliteit aan de VS. Maar hoeveel Afghanen mogen nog gedood worden, hoeveel Nederlanders nog opgeofferd worden voor de middelen erger worden dan het doel – wat dat doel ook mag zijn? Nu reeds komen bijwerkingen van de interventie aan het licht die moreel verwerpelijk zijn.  Nederlandse troepen maken Afghaanse krijgsgevangenen die worden uitgeleverd aan de Afghaanse geheime diensten waar zij kunnen mishandeld en zelfs gefolterd worden (Human Rights Watch). De papavervelden hebben ondanks – of is het dankzij – de Nederlandse troepen nog nooit zoveel opgebracht. De export gebeurt vooral via Iran. Misschien een nieuwe casus belli?

 

Ondanks de ronkende verklaringen tijdens de aanvang lijken doel en middelen niet goed te zijn afgewogen. Het doel is onduidelijk, de middelen zijn niet goed te praten en het resultaat lijkt op het tegengestelde van wat men beoogt. Wie is verantwoordelijk? De regering? De bevolking die de regering kiest? De mensen lijken alleszins gemanipuleerd. De media brengen weinig over het leed van de Afghaanse families of over de zinloosheid van de Nederlandse slachtoffers. Erger nog dan een ‘Wir haben es nicht gewusst’-gevoel wordt er een zeker supportergevoel gekweekt zoals bij een voetbalwedstrijd. Maar ja ook met voetballen is veel geld gemoeid. Alleen zijn hier de gevolgen in blijvend menselijk leed niet zo erg. De gids lijkt verward. Ook voor hem is het misschien principieel niet helemaal correct maar de aangeboden voordelen zijn te groot. Welke die voordelen zijn wordt ook in het lessenpakket niet behandeld.