De militaire toekomst

van Europa

 

Het Vlaams-Nederlandse culturele huis ‘de Buren’, gelegen achter de Muntschouwburg in hartje Brussel, was de locatie voor een debat over de Europese defensie dat op 26 september plaats vond. Organisator was het Mondiaal Magazine MO* dat eerder van de maand een dossier hieromtrent publiceerde (te lezen op www.mo.be), en vier genodigden: langs Vlaamse kant politicoloog Rik Coolsaet en ex-NAVO secretaris-generaal Willy Claes, uit Nederland kwamen defensiespecialist Kees Homan (van het Instituut Clingendael) en onderzoeker op het gebied van bewapening Martin Broek (tevens SP-er). Moderator was MO*-journalist Kristof Clerix.

 

De eerste vraag moet de krijtlijnen van het debat uittekenen: wat is eigenlijk een Europese defensie? Volgens Rik Coolsaet zijn er twee mogelijkheden: ofwel gaat het om de capaciteit van Europa om elders autonoom militair op te treden (het standpunt van Chirac), ofwel is ze een onderdeel van de NAVO, de facto onder Amerikaanse supervisie (de visie van Blair). Willy Claes pikt hierop in: wat de EU in Macedonië of Bosnië heeft gepresteerd kan men niet anders dan als ‘kleine operatietjes’ bestempelen. Tot een serieuze militaire interventie is de EU gewoonweg niet in staat. De technologische kloof tussen de VS enerzijds en alle Europese legers samen anderzijds is gigantisch en wordt met de dag meer onoverbrugbaar. Kees Homan nuanceert dit: militair-technologisch stelt Europa misschien niet zo veel voor, maar onze capaciteiten liggen eerder op het vlak van civiele, humanitaire en politionele operaties. Dat laten we ook zien in Afghanistan, waar we beter werk leveren dan de VS in Irak. Martin Broek echter vindt dat de operaties in Afghanistan niet meer op een vredesmissie lijken. Het ‘slaan en zalven’ van de Nederlandse troepen bijvoorbeeld werkt op zijn minst verwarrend. De bredere visie van de EU op het begrip ‘veiligheid’ wordt ondergraven door harde militaire acties die niet zelden ook burgers treffen.

 

Even nam het debat de wending van een match België-Nederland, toen Rik Coolsaet opmerkte dat België het besef heeft een klein land te zijn met weinig invloed, terwijl Nederland zichzelf toch ziet als ‘de kleinste van de grote militaire machten’. Kees Homan bevestigde dit: Nederland wil groot zijn, België heeft geen ambitie!

De relatie tussen de EU en de NAVO is niet altijd even duidelijk. Is er sprake van concurrentie? Volgens Willy Claes is dat zeker niet gewenst. De VS hebben in de militaire operaties een leidende rol, maar de EU moet een sterkere invloed uitoefenen, zeker als het gaat om de politiek van pre-emptive strike die door de VS sinds nine-eleven gehuldigd wordt. Volgens Rik Coolsaet is dat precies een reden voor de EU om zich militair sterker te ontwikkelen: alleen daardoor kan ze een invloed hebben binnen de NAVO. En hier is samenwerken de boodschap, het poolen van capaciteiten in gemeenschappelijke doelstellingen. Willy Claes haalt het project Airbus aan, hét schoolvoorbeeld van een geslaagde Europese samenwerking op civiel vlak. Het bouwen van een reuzenvrachtvliegtuig (groot genoeg om tanks in te vervoeren) zou Europa op slag een stuk minder afhankelijk maken van de VS bij het uitvoeren van missies overzee.

 

Slotvraag aan onze gasten: komt er ooit één Europees leger? Uitgesloten, meent Rik Coolsaet, want er komt geen Europese superstaat onder één regering. De Europese staten zijn veel te veel gesteld op hun autonomie. Positieve kant hieraan: het is quasi uitgesloten dat Europa een agressieve imperialistische macht wordt. De EU kan wel in tijdelijk samenwerkingsverband tussenkomen in conflicten op basis van verdragen. Kees Homan zit op dezelfde golflengte: een soevereine staat laat zich niet bevelen! Willy Claes ziet het wel een beetje anders: het moment is niet ver meer dat Europa zal inzien dat het moet gaan samenwerken en met één stem spreken, om op wereldschaal nog iets te betekenen en niet te moeten ondergaan wat anderen beslissen! Martin Broek tenslotte wijst op de meningsverschillen die in Nederland nu duidelijk tot uiting komen, met name tussen de Atlantische en de Europese stromingen.

 

Uiteindelijk was het aan ons, publiek, om een aantal vragen te formuleren. Een pertinente opmerking was dat de term ‘Europese defensie’ de lading niet dekt. Het gaat immers niet om Europese zelfverdediging maar om het handhaven van internationale veiligheid, iets wat eigenlijk een taak is voor de VN! Een andere terechte kritiek is dat de democratische controle op de EU-missies ernstig tekort schiet: noch het Europees parlement noch de nationale parlementen hebben er enige zeggenschap over. Zo eindigde een debat dat iets te gemoedelijk verliep om echt na te zinderen. Het ouwe-jongens-onder-mekaar-sfeertje werd meermaals aangewakkerd door uitspraken als “Ik herinner me nog goed, Willy,  jij was minister van Buitenlandse Zaken en ik zat op Defensie …”. De kritische stemmen zaten vooral in het publiek, dat op het einde iets te weinig tijd kreeg om het panel het vuur aan de schenen te leggen. Al bij al toch een lovenswaardig initiatief van MO*, want het is een belangrijk onderwerp dat de nodige aandacht verdient.