Deel VIII

De studie van de hedendaagse oorlog

 

Theorieën (vervolg)

 

Organski’s machtsovergangstheorie (power transition)

Organski (1958, 1968) bekritiseerde de machtsevenwichtstheorie als concept van militaire macht (in termen van grondgebied, bevolking, bewapeningsmacht en bondgenoten) omdat die fundamenteel statisch was en de rol van interne economische ontwikkeling als bron van de veranderende militaire macht van staten negeerde. Hij opperde dat dit concept geldig kan zijn geweest vóór de achttiende eeuw maar de laatste twee eeuwen is industrialisatie de primaire bron van nationale macht geweest. Deze heeft geleid tot tempoverschillen in de economische groei tussen staten wat op zijn beurt leidde tot veranderende machtsverschillen in het internationale systeem. Deze veranderende machtsverschillen (differential power distributions) zijn de primaire bron van oorlog, of op zijn minst van ‘belangrijke’ of ‘grote’ of ‘mondiale’ oorlogen (global wars). Deze wereldoorlogen ontstaan primair door ongelijke economische ontwikkeling en, secundair, door ongelijkheden van institutionele en sociale toestanden Deze hebben invloed op de efficiëntie waarmee de staat menselijke en materiële hulpbronnen kan mobiliseren voor het staatsbelang (raisons d’état). Dit vormt de basis van Organski’s theorie van de machtsovergang. Ze is verder ontwikkeld en getoetst door Organski & Kugler (1980) en Kugler (1999). Organski’s basisargument zegt dat de waarschijnlijkheid van een mondiale oorlog het grootst is wanneer de militaire macht van een ontevreden uitdager die van de belangrijkste staat in het systeem (de zogenaamde ‘hegemon’) begint te benaderen. Het is een aansturen op een soort ‘botsing van achteren’ omdat de uitdager uiteindelijk een oorlog zal beginnen om voordelen en voorrechten te verwerven – én invloed evenredig met zijn onlangs verworven militaire macht. Daarom is de belangrijkste voorwaarde voor oorlog niet per se de gelijkheid van mogendheden, noch de veranderingen in die mogendheden maar wel het interactie-effect tussen deze twee variabelen.

 

Organski & Kugler veronderstellen dat de zwakkere uitdager de oorlog tegen de sterkere, dominante staat zal beginnen. De ondoordachte agressie blijkt echter een strategische fout van de uitdager te zijn. De alliantie van de dominante natie is gewoonlijk sterker. De uitdager laat dikwijls na om de steun van de hegemon uit te hollen en wordt daarom met een superieure coalitie geconfronteerd, die tot de nederlaag van de uitdager en zijn blok leidt. Toch krijgt uiteindelijk de uitdager veelal zijn macht na vijftien tot achttien jaar terug en overtreft dan zelfs sommige leden van de winnende coalitie – een fenomeen dat Organski de feniks-factor (phoenix factor) noemt (naar de mythische vogel die verjongd uit zijn eigen as herrijst).Oorlogen voorkómen niet de groei van uitdagers op de lange termijn. Pogingen om de machtstoename van snelgroeiende staten tegen te houden zijn veelal gedoemd te mislukken. Het idee dat de veranderende machtsverhoudingen een primaire oorzaak van internationale oorlogen zijn, in het bijzonder van ‘grote’ oorlogen, is niet werkelijk nieuw. Het kan worden teruggevonden in Thucydides’ (I, 23) argument: “Dat, wat de Peloponnesische Oorlog onvermijdelijk maakte was de groei van de Atheense macht en de angst die dit in Sparta teweegbracht”.

 

Modelski’s en Thompsons lange-cyclustheorie

De hypothese van de machtsovergang is opgenomen in verscheidene recente theorieën van hegemonische oorlog. Een daarvan is de ‘lange-cyclustheorie’ die door Modelski (1978, 1987), Thompson (1982, 1983, 1986, 1988), Modelski & Morgan (1985) en Modelski & Thompson (1989) is ontwikkeld. Volgens deze theorie zijn er drie belangrijke structuren in het wereldsysteem: het mondiale politieke systeem, de wereldeconomie, en het mondiale culturele subsysteem. De langecyclustheoretici identificeren een mondiaal politiek systeem vanaf 1494 (historici laten het moderne Europese statensysteem meestal aanvangen in 1494 met de Italiaanse oorlogen die begonnen zijn met de Franse invasie van het rijk Napels, en waarbij voor het eerst infanterie, cavalerie, en artillerie samenwerkten). Regelmatige cycli van wereldleiding, systeembeheersing, en mondiale oorlog karakteriseren het mondiale politieke systeem gedurende de laatste vijf eeuwen. De leiding in het systeem is gebaseerd op de militaire mogelijkheden van mondiale bereikbaarheid (maritieme macht tot het midden van de twintigste eeuw, nadien luchtmacht). Een wereldmacht komt voort uit een mondiale oorlog met monopolistische controle over maritieme macht en wereldhandel, die het toelaat om de mondiale politieke en economische systemen in zijn eigen belang te structureren en te handhaven.

 

De kosten van wereldleiding en de opkomst van nieuwe rivalen leiden onvermijdelijk tot een deconcentratie van macht en een terugval van leiderspositie en uiteindelijk tot een nieuwe strijd voor wereldleiding en een hernieuwde periode van mondiale oorlog. Het gaat om een cyclus die zich, volgens deze school, eens in de honderd jaar herhaalt. De langecyclustheorie probeert niet alle oorlogen in het systeem te verklaren, maar slechts die mondiale oorlogen, die de grondwet of gezagsregeling van het mondiale politieke systeem bepaalden. Zij zijn het resultaat van een structurele crisis in het systeem en zijn fundamenteel successiegevechten om de hegemonie in het systeem. Daarom is hun fundamentele oorzaak de veranderende verdeling van de macht als gevolg van de ongelijke economische ontwikkeling. Elke cyclus begint met een mondiale oorlog die bepaalt hoe het systeem moet worden gevormd en welke wereldmacht het systeem zal organiseren.

 

Er zijn vier stadia van de lange cyclus: mondiale oorlog, wereldmacht, delegitimatie en deconcentratie. Theoretici van de lange cyclus claimen dat het internationale systeem vier complete cycli heeft afgerond (met als winnaars Portugal, Nederland (de Lage Landen), Groot Brittannië en nogmaals Groot Brittannië) en een deel van een vijfde cyclus (met als supermacht de Verenigde Staten). Critici hebben sommige analyses van de langecyclustheorie betwist. Bijvoorbeeld, Levy (1996) beweert dat de classificatie van mondiale oorlogen een probleem vormt. Lange-cyclustheoretici zouden verscheidene grote machtsoorlogen met belangrijke gevolgen voor het Europese systeem eenvoudig weglaten omdat ze niet in het theoretische patroon passen.

 

De theorie van Gilpin over hegemonische overgangen

Gilpins (1981) theorie van hegemonische oorlog en verandering is in veel opzichten gelijk aan de langeyclustheorie. De theorie is gebaseerd op een uitbreiding van de hegemonische stabiliteitstheorie, die stelt dat stabiliteit in een internationale politieke economie een enkele dominante staat of hegemon vergt. De hegemon speelt de rol van systeemmanager op basis van zijn macht en zijn wil om de kosten te dragen om de orde in het systeem te handhaven en overeenkomstig een informeel stelsel van normen en regels te handhaven. Bij afwezigheid van een leider om het systeem te beheren, zal de omvang van de economische conflicten in het stelsel stijgen.

Op dezelfde manier zou de neergang van een hegemon tot toenemende instabiliteit in het systeem moeten leiden, (Levy, 1989: 256-58; Cashman, 1993: 257; cf. Wallerstein, 1984; Väyrynen, 1983; Toynbee, 1954; Spiezio, 1990).

 

Benadering van de  wereldeconomie volgens Wallerstein

Wallerstein (1974, 1983, 1984) is de leider van een nogal gevarieerde denkschool, die afwisselend de wereldsysteem- of wereldeconomiebenadering wordt genoemd. Het wereldsysteemperspectief berust hoofdzakelijk op een politiek-economische (of neomarxistische) benadering van internationale relaties die zich op internationale ongelijkheid en afhankelijkheid concentreert. Hoewel zijn belangrijkste aandacht niet speciaal oorlog is, is zijn invloed op de studie van oorlog wijdverbreid. Het komt ook veel overeen met de benaderingen van Gilpin en Modelski (Cashman, 1993: 263). Wereldsysteemtheoretici plaatsen oorlog in het kader van de ontwikkeling en de uitbreiding van de kapitalistische wereldeconomie. Fundamenteel: “Het kapitalistische stelsel is een systeem dat verzamelaars van kapitaal tegen elkaar heeft opgezet” (Wallerstein, 1983: 62). Aldus, stelt Chase-Dunn (1981: 23), “Wereldoorlogen en de opkomst en ondergang van hegemonische supermachten... kunnen worden gezien als een heftige reorganisatie van de productierelaties op wereldschaal”, om de internationalisering van kapitalistische productie te verhogen (wat we tegenwoordig globalisering zouden noemen). Wereldoorlogen zijn hoofdzakelijk pogingen om de politieke structuur tussen staten te herstructureren om een veranderende economische werkelijkheid te weerspiegelen en de politiek-militaire sterkte van de uitdagers om te zetten in een groter aandeel van het wereldsurplus. Wereldoorlogen resulteren in het kronen van een nieuwe hegemonische macht, maar de hegemonie van de winnaar duurt niet eeuwig. Volgens wereldsysteemtheoretici heeft zijn ondergang veel meer te maken met economische factoren dan met militaire factoren. Bijna vanaf het moment dat de macht is geconcentreerd in de handen van de hegemon, begint het te verminderen, en vormt zo een cyclus van concentratie en deconcentratie van macht onder de hegemonische kernstaten.

 

De relatieve machtscyclustheorie volgens Doran

De relatieve machtscyclustheorie (Doran (1983, 1989) en Doran & Parsons (1980)) onderzocht oorlog in de context van de opkomst en de ondergang van de relatieve macht van belangrijke staten. Doran betoogt dat de machtsmogelijkheden van staten, met betrekking tot andere leden van het centrale systeem van grootmachten een cyclische weg van groei, rijping en aftakeling volgen. Hoewel deze theorie op het niveau van de natiestaat lijkt te werken is het in werkelijkheid een systemische theorie. De machtscyclus van Doran is een cyclus van relatieve macht. Oorlog zal waarschijnlijk uitbreken wanneer een staat vier kritieke punten langs de cyclus bereikt. Bij elk van deze punten komt een abrupte inversie in het traject van relatieve mogelijkheden voor. Een volledige cyclus bevat twee (laag en hoog) draaipunten en twee (halverwege) buigingspunten (Cashman, 1993: 269).

 

Goldsteins K-golventheorie

Zowel langecyclustheoretici als wereldsysteemtheoretici hebben economische cycli, die Kondratieff-golven (of K-golven) worden genoemd, opgenomen in hun theorieën van de cyclus van wereldsuprematie. De

Russische econoom Nikolai Kondratieff claimde in de jaren ’20 van de vorige eeuw vijftig-jaar-golven (of cycli) te hebben ontdekt in prijzen, productie en consumptie in de economieën van de belangrijkste kapitalistische naties. Hij betoogde dat deze cycli indicatief waren voor de ritmes binnen het internationale economische stelsel als geheel. Zijn onderzoek suggereerde ook dat toename in economisch lange golven gerelateerd was aan het vóórkomen van grote oorlogen. Een studie van mondiale economische cycli en oorlogen vanaf 1945 tot 1975 door Goldstein (1988) vond een sterke en positieve correlatie tussen de intensiteit van oorlog en economische toenamen (upswings van de golf). Vaak is er ook een psychologische verklaring voor de relatie tussen oorlog en economische toenamen. Zowel Macfie (1938) als Blainey (1973) stellen, evenals Goldstein, voor dat het economische herstel met een algemene stemming van optimisme wordt geassocieerd, die de echte oorzaak van oorlog is.

 

Terwijl vele economen tegenwoordig niet geloven dat K-golven werkelijk bestaan, claimen langecyclustheoretici niet alleen dat ze die inderdaad hebben gevonden, maar dringen eropaan dat zij parallel aan de cycli van de wereldleiding werken: honderd jaar wereldleiderschapscycli zijn verbonden met paren K-golven. En omdat de K-golven met leidingcycli verbonden zijn, worden zij ook geassocieerd met cycli van mondiale oorlogen. Goldstein heeft, volgens Levy (1996), geen relatie tussen K-golven en de frequentie van oorlogen kunnen vinden – het aantal oorlogen is min of meer gelijk in toe- en afnameperioden – maar Goldstein ontdekte wel een duidelijke associatie tussen K-golven en de cyclus van oorlogsintensiteit (gemiddeld aantal slachtoffers per jaar). Levy (1996) onderzocht de kwestie opnieuw en ontdekte een beeld dat totaal niet overeenkomt met de theorie van Goldstein.

 

De statusinconsistentietheorie

Tijdens de vorige decennia zijn psychologische verklaringen van oorlog in de belangstelling gekomen en hebben ze wat empirische aandacht gekregen. Onder de onderwerpen die zijn onderzocht is relatieve deprivatie, onder het mom van statusinconsistentie of statusonevenwichtigheid (Galtung, 1964; East, 1972; Wallace, 1971, 1972, 1973; Midlarsky, 1969, 1975; en Ray, 1974, 1979). Galtung ziet het wereldsysteem als hoofdzakelijk bestaand uit naties die voor hun vergelijkende status kunnen worden gerangschikt als ‘T’ (topdog ofwel de sterkste) of ‘U’ (underdog oftewel de zwakste) langs een aantal dimensies of schalen, bijvoorbeeld: industrialisatie, inkomen per inwoner, militaire macht, onderwijsniveau, en historische glorie: “....Een interactiesysteem is een multidimensionaal systeem van stratificatie, waar zij die hebben, en zij die niet hebben, zij die meer hebben en zij die minder hebben, ofwel zich kunnen vinden in hun posities [‘tevreden’ staten], ofwel zich gedwongen voelen in hun posities [‘ontevreden’ staten]”. Galtung betoogt dat een interstatelijk systeem onstabiel zal zijn als er hoge niveaus van statusdiscrepantie bestaan, namelijk, wanneer te veel staten niet harmonieus zijn in rang, maar hoog zijn op sommige dimensies en laag op andere. Aldus, “de statusinconsistentie leidt tot ontevredenheid binnen een natie omdat, vanuit zijn standpunt, het de essentiële systeemnorm overtreedt die zegt dat naties beloningen in verhouding tot hun positie in de pikorde ontvangen... De frustratie daardoor teweeggebracht, gekoppeld aan de hogere status, creëert zowel het motief als de mogelijkheid voor agressief internationaal gedrag. Dit resulteert in oorlog als de discrepantie ongecorrigeerd blijft” (Wallace, 1972: 53-54). Voorbeelden hiervan zijn Duitsland en Japan, die ontevreden waren over hun relatieve, toegeschreven machtspositie, aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.

Uiteindelijk is de statusdiscrepantie waarschijnlijk slechts een secundaire factor in de oorzaak van oorlogen. Niet alle oorlogen zijn geassocieerd met statusdiscrepantie en niet alle situaties van statusdiscrepantie leiden tot oorlog (Cashman, 1993: 231-32).

 

Zijdelingse druktheorie

(lateral pressure)

Een andere theorie waarin nationale groei een belangrijke variabele is, maar zich niet formeel beperkt tot de categorie van de hegemonische oorlogen, is Choucri & North’s (1975) zijdelingse druktheorie van een internationaal conflict. Het basisargument is dat de stijgende bevolking en de technologische vooruitgang een stijgende binnenlandse vraag naar hulpbronnen en -middelen genereert, waaraan over het algemeen niet kan worden voldaan door die betreffende staat. De toenemende vraag naar hulpbronnen en -middelen genereren ‘zijdelingse druk’ (lateral pressure) voor meer toegang tot grondstoffen en markten en vaak voor politieke controle over externe bevolkingen en gebieden. Deze zijdelingse druk neemt vaak de vorm aan van koloniale uitbreiding, en wanneer verscheidene staten een uitbreidingsbeleid voeren komen hun belangen hoogstwaarschijnlijk in conflict. Dit produceert een ‘intensiteit van snijpunten’, die leidt tot interne druk om de statelijke uitbreidingsbelangen te verdedigen, hetgeen vervolgens tot alliantievorming en verhoogde militaire uitgaven leidt. De allianties en de militaire uitgaven leiden tot wederkerige acties door tegenstanders, en het resulterende actie-reactie proces escaleert vaak in gewelddadig gedrag en mogelijk een volledige oorlog.

Er zijn, zoals Levy (1989: 259-60) aangeeft, een aantal theoretische (en methodologische) problemen met het model (die te technisch zijn om hier uitgebreid te behandelen). Populatiegroei als een grondoorzaak voor oorlog is reeds aangewezen door de Chinese filosoof Lao Tzu (Laozi) in de Tao Te Ching (Daodejing), en de Griekse filosoof Plato in zijn Republiek (Deel 2, boek 2: 373-74). Populatiedruk is de grootste kracht achter de internationale competitie om hulpbronnen en -middelen, en de competitie om hulpbronnen en -middelen (vooral territorium, landbouwareaal, voedsel, water, energiebronnen, etc.) is de meest voorkomende oorzaak van oorlog. Een bijproduct van snelle groei van de populatie is de scheve leeftijdsdistributie, met veel jonge mannen. Bouthoul (1970) en Mesquida & Wiener (1996, 1999) vonden enige evidentie voor een correlatie tussen het percentage jonge mannen in de populatie en oorlogsparticipatie van staten (en eveneens voor foeragerende samenlevingen).

 

Sorokins overgangstheorie van oorlog en revolutie

Sorokin (1937, 1957) betoogde dat oorlogen en revoluties hoofdzakelijk worden veroorzaakt door overgang (transitie) van het ene cultuurtype naar een andere cultuurtype: “De periodes van overgang van Ideational (ongeveer te vertalen als ‘religieus-ideologisch’) naar Sensate (ongeveer te vertalen als ‘meer empirisch’), of van Sensate naar de Ideational fasen van cultuur zijn de periodes van opmerkelijke verhoging van oorlogsactiviteiten en oorlogsomvang...” (1957: 570).

 

In een nieuwe analyse van de gegevens van Sorokin, vond Eckhardt (1983, 1992) weinig steun voor de overgangstheorie van Sorokin. Eckhardt (1992: 68) concludeert dat óf de metingen van Sorokin gebrekkig waren, óf dat zijn overgangstheorie niet deugde.

 

Rummels sociaal-veldtheorie

Gebaseerd op uitgebreid macrokwantitatief onderzoek (het Dimensionality of Nations project), stelde Rummel (1979) de volgende theorie van stappen-naar-oorlog (steps to war) voor: Oorlog wordt gegenereerd door een veld van socioculturele krachten geworteld in de bedoelingen, waarden, en normen van een staat. Voordat oorlog voor kan komen tussen twee staten moeten zij, in de eerste plaats, contact hebben en zich bewust zijn van elkaar. Ook moeten zij enkele tegengestelde belangen hebben, iets om voor te strijden (de intentie), en de capaciteit om te vechten (dat wil zeggen, een leger, wapens, infrastructuur, organisatie, enz.). Minstens één van de potentiële strijders moet een niet-libertaire (dat wil zeggen liberaal-democratische) staat zijn. De gedeelde binnenlandse zelfopgelegde beperkingen, wederzijdse banden en ideologie, sluiten oorlog tussen statelijke voorstanders van de liberale democratie uit. Als één van de partijen geen voorstander van vrede is, dan zijn er steeds extra eisen voordat er een oorlog kan uitbreken. Er moet een significante verandering plaatsvinden in het machtsevenwicht van de status quo. Ten tweede, moet er een wil, een bereidheid, zijn om oorlog te voeren. En ten derde moet elke potentiële strijder persoonlijk bepaald succes verwachten (een overwinning of althans enige winst in het kosten/ batenplaatje).

 

Factoren die de oorlogskansen verergeren zijn eer en geloofwaardigheid. Als deze in het geding zijn bij een conflictsituatie wordt deze explosiever waardoor geweld en oorlog waarschijnlijker worden, en wanneer zij gebeuren meer intens en moeilijker op te lossen. Een andere verergerende factor is machtspariteit, dit is een voldoende gelijkheid van macht en vermogen op zo’n manier dat elke partij gelooft dat ze zich met succes tegen de andere kan verzetten. De socio-culturele gelijkenis, de cognitieve balans, de gelijkheid van status, en de zwakheid van de staat beperken de tendens naar conflictgedrag en oorlog. De machtsgelijkheid verergert een potentiële oorlogssituatie; de machtsongelijkheid beperkt die. De oorlog kan ondanks een grote ongelijkheid in strijdkrachten en middelen toch plaatsvinden. Andere factoren zoals eer, geloofwaardigheid, overleving, of vastberadenheid kunnen het verschil uitmaken, zoals ze, bijvoorbeeld, in de Israëlisch-Arabische oorlogen hebben gedaan.