Ludovicus Zamenhof (1859-1917)

 

De reeks ‘Erflaters van de Vredesbeweging’ beschrijft een aantal persoonlijkheden die hebben bijgedragen tot de vredesbeweging. Vooral op het einde van de negentiende eeuw waren er veel mensen die zich inzetten tegen de wreedheid van oorlog. De toenmalige tijdgeest deed het geloof toenemen dat er niet alleen op technisch gebied vooruitgang was maar dat ook de samenlevingsvormen tussen volkeren zouden verbeteren. De vredesbeweging was modieus, ongeveer zoals nu de ecologische beweging. De meest bekenden waren invloedrijke mensen uit de adellijke of financiële wereld. Enkelen waren gewone burgers die originele ideeën hadden. Een voorbeeld hiervan is Ludovicus Zamenhof.

 

Omgeving, familie en opleiding

In tegenstelling tot Bertha von Suttner of Alfred Nobel was hij niet van aristocratische of rijke afkomst. Hij werd geboren in Bialystok, thans in Polen maar eertijds onder Russisch gezag. De landsgrenzen zijn ondertussen gewijzigd maar hijzelf zag zich als een Litouwer. Bialystok was rond 1900 een welvarende stad vooral vanwege zijn textielfabrieken die voor 90% in handen van joden waren. De familie Zamenhof was niet typisch voor een joodse familie. Zijn vader was geen handelaar maar leraar. Hij stichtte een school voor joodse meisjes waar hijzelf Duits, Frans en Russisch onderrichtte. Achteraf schreef hij een uitgebreid handboek over geografie en onderwees hij talen en aardrijkskunde aan de officiële middelbare school. Hij was volledig geassimileerd maar bleef zijn joods geloof trouw. Na het gymnasium studeerde Ludovicus geneeskunde, eerst in Moskou en vervolgens in Warschau. Na het afstuderen in 1885 startte hij op verschillende plaatsen een huisartsenpraktijk maar telkens met weinig succes. Met de hulp van zijn vader volgde hij dan in Wenen een opleiding tot oftalmoloog. Kort daarna huwde hij Klara Silbernik, dochter van een zeepfabrikant. Als bruidsschat ontving het jonge paar het voor die tijd aanzienlijke bedrag van 10.000 roebel. De helft van die som besteedde hij aan de uitgave van zijn leerboek ‘Esperanto’. Het creëren van een internationale hulptaal was een project waar hij al in zijn gymna-siumtijd mee bezig was.

 

Zionisme, Esperanto, Hillelisme

Voor ons komt een term als verbroedering wat wazig en onrealistisch over. Maar wanneer een gezin een kind verloor in straatgeweld, of wanneer een kleine handelaar zijn winkel zag stukgeslagen en in brand gestoken omdat hij Hebreeër was, dan had de droom van broederschap onder de mensen een reële voedingsbodem. In Bialystok en later in Moskou had Ludovicus regelmatig contact met joodse intellectuelen. In een interview met de Jewish Cronicle vertelde hij: "Ik heb altijd een grote interesse gehad voor de sociale geschiedenis van ons volk en in mijn jeugd was ik een overtuigde zionist…. Al in 1881 in Moskou, richtte ik met 15 andere studenten een studiekring op. Wij wilden een Hebreeuwse kolonie stichten". Tegelijkertijd werkte hij aan een taal voor de joden. Hij ijverde voor de herleving van de Hebreeuwse taal. Het was later Ben Jehuda die – tegen de verwachting van velen – hierin toch slaagde met het Ivriet, het moderne Hebreeuws. Zamenhof nam actief deel aan de discussies over de plaats waar het nieuwe land voor de emigrerende joden moest komen. In een essay wees hij Palestina af en ijverde voor een emigratie met de vorming van een staat in de Verenigde Staten. Hij schreef: “Tot ziens, mijn volk, in onze eigen staat aan de vrije oevers van de Mississippi”.

 

Communicatieproblemen bleef hij zien als het grote struikelblok voor een vreedzaam samenleven. Op de plaats waar hij leefde werden Jiddisch, Pools en Russisch naast elkaar gebruikt. Hij concludeerde dat slechte communicatie een oorzaak was van veel ellende en wilde een taal maken die iedereen kon verstaan. Goede communicatie zou een vreedzaam samenzijn bevorderen.  Op 26 juli 1887 verscheen in Warschau een 40-paginadikke brochure Unua libro, eerst in het Russisch en enkele maanden later in het Pools, het Frans en het Duits. Het bevatte de theorie en enkele praktische toepassingen van de nieuwe plantaal Esperanto. Naast de 16 regels van de grammatica (alle substantieven eindigen op –o, alle adjectieven op –a, alle bijwoorden op –e, enzovoort ) bevatte het ook een woordenlijst van 917 wortels van woordbegrippen, waardoor bij middel van voor- of achtervoegsels werkwoorden en andere woorden konden worden gevormd. Het was niet de eerste poging om een hulptaal te creëren. Velen hadden het al voor hem gedaan. Hij slaagde omdat hij zich met zijn kennis van Russisch, Frans, Duits, Engels, Latijn en Grieks concentreerde op de praktische toepassing en minder op een theoretisch concept. Zijn doel was om door middel van een hulptaal de communicatie tussen de mensen te verbeteren. De tijdgeest was er gunstig voor. Vooral in Frankrijk kende zijn project een enorm succes. Vele hoogleraars en leden van de Académie Française zetten zich in voor het project. Ook in Duitsland en Rusland steeg het aantal leden. Het Esperanto kende een enorme opbloei tot het door het nationaal-socialisme en de paranoia van Stalin als een staatsgevaarlijke ideologie werd bestempeld en vervolgd. Hoewel minder bekend, hebben op dit ogenblik ongeveer 1 miljoen mensen Esperanto gestudeerd. Vele paren met verschillende taalachtergronden gebruiken het als huistaal onder elkaar en met hun kinderen. Het wordt verder veel gebruikt om te reizen. In elk land vindt men adepten en door de contacten met gelijkgestemde autochtonen leert men de landen op een betere manier kennen.

 

Ludovicus Zamenhof bleef verder zoeken naar regels en methoden om vreedzaam samen te leven. In april 1901 verscheen zijn werk over Hillelisme. De naam Hillelisme komt van de rabbijn Hillel (1e eeuw na Christus). Hillel schetste de essentie van de Tora als volgt: “Doe een ander niet aan wat jij niet wilt dat aan u geschiedt”. Dit principe komt in verschillende godsdiensten voor. Confucius formuleerde het ongeveer op dezelfde manier en het komt ook voor in de bergrede van Jezus. Het 78 pagina’s tellende boekje was vooral gericht naar de joodse intellectuelen in Rusland. Opnieuw sprak hij zijn twijfel uit over Palestina als thuisland voor alle joden. ‘Het Hebreeuwse probleem’ zoals het destijds geformuleerd werd, had een religieuze en een taaloorzaak. Voor de taalproblemen zou het Esperanto een oplossing bieden. Het religieuze probleem zou opgelost worden indien de mensen een eenvoudige en tolerante godsdienst zouden aanvaarden die voor iedereen openstaat. Er was een analogie met Esperanto. Zoals iedereen in eigen kring zijn taal moest kunnen spreken, zolang hij maar in het verkeer tussen verschillende bevolkinggroepen een ‘neutrale taal’ gebruikte, zo moest ook iedereen thuis zijn eigen godsdienst kunnen belijden, naast de ene, algemene godsdienst. Hij kreeg weinig steun voor dit project. De mensen die zich hadden ingezet voor de hulptaal Esperanto vonden dat dit niet mocht vermengd worden met een wazige ideologie. Van de joodse gemeenschap die sterk aan haar identiteit gehecht was kreeg hij uiteraard evenzeer tegenkanting. Hij veranderde de naam Hillelisme in Homaranisme opdat het universeler zou zijn en minder beperkt tot het joodse geloof.

 

Is hij geslaagd in zijn doelstellingen?

Zamenhofs visie was als volgt: iedereen is in de eerste plaats mens en pas daarna lid van een bepaald volk. Alle volkeren zijn gelijkwaardig. Daarom heeft geen enkel volk het recht de ander zijn taal of godsdienst op te dringen of zich een gedeelte van de aarde toe te eigenen, waar iemand anders geen recht zou hebben in vrijheid te leven. Men mag dus niemand dwingen een bepaalde taal te spreken of een geloof te belijden alleen vanwege het feit dat de persoon in kwestie in een bepaald land woont.

 

Bij de meeste godsdiensten en ideologieën gebeurt het verspreiden van het idee niet door de leermeester zelf maar door zijn volgelingen. Het was Marx die verkondigde dat de heersende ideeën van elk tijdperk altijd de ideeën van de heersende klasse zijn geweest. Dit was ook zo voor het idee van Esperanto. Ludovicus Zamenhof had machtige volgelingen die zich inzetten om het concept van een hulptaal te verspreiden. Zij behoorden tot het establishment. Een van de eerste verdedigers in Frankrijk was Louis Eugène Albert Chevreux, beter bekend onder zijn pseudoniem Louis de Beaufort. Hij stopte met zijn eigen project (Adjuvanto) om zich helemaal in te zetten voor Esperanto, dat hij beter vond. Verschillende Franse professoren, persoonlijkheden uit de hogere legerleiding, uit de financiële wereld en zelfs leden van de Académie Française sloten zich bij hem aan. In Frankrijk alleen telde de organisatie in 1905 vele duizenden leden. In dat jaar werd in Boulogne-sur-Mer het eerste congres gehouden. De gepubliceerde verklaring bevatte volgende zin: “Het is een hulptaal die niet wil binnendringen in het interne leven van de volkeren en zeker niet de bestaande nationale talen verdringen, maar wel aan de verschillende naties de mogelijkheid wil geven onderling op gelijkwaardige wijze te communiceren”. De eerste wereldoorlog stopte de steile opgang van Esperanto. Het vooroorlogse geloof in een grote familie stortte in elkaar. Toch werd zelfs tijdens de oorlog de taal verder gebruikt voor informatie-uitwisseling tussen de vijandige kampen. Esperantomagazines drukten uitgebreide lijsten af van overleden esperantisten. Deze verschenen zowel in Frankrijk en Italië als in Duitsland. Toch moest men vaststellen: la interna ideo krevis kiel sapveziko (het idee over samenwerking tussen volkeren spatte uit elkaar als een zeepbel (Gregory Demidjuk).

 

Ludovicus Zamenhof stierf terwijl de Eerste Wereldoorlog nog volop aan de gang was. Na de oorlog herleefde het Esperanto. Maar Hitler zag het internationalisme van de hulptaal als een gevaar voor de Duitse identiteit. De familie Zamenhof heeft zeer veel geleden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Als joden werden zij geïnterneerd in kampen. Velen kwamen om. Stalin stond aanvankelijk positief tegenover Esperanto maar tijdens de grote zuiveringen deelden de aanhangers van Esperanto in de klappen, velen werden omgebracht. Na de Tweede Wereldoorlog sloeg het idee niet meer zo aan. Engels werd de wereldtaal. Misschien als reactie hiertegen werd Esperanto ondersteund in de Sovjet-Unie en in China. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de nieuwe economische koers van China verminderde de steun. Toch lijkt in de laatste jaren Esperanto terug in de belangstelling te komen. Over de ganse wereld vinden jaarlijks honderden samenkomsten plaats. Elk jaar wordt een wereldcongres georganiseerd waarbij telkens een dag aan de vrede is gewijd.

 

Noot

De tekst is voornamelijk gebaseerd op een biografie van Edmond Privat, Vivo de Zamenhof (1920)

en Aleksander Korsjenkov, Historio de Esperanto (1998).