Deel VII

De studie van de

hedendaagse oorlog

 

Realistische theorieën en het veiligheidsdilemma

Zoals we in de vorige afleveringen hebben kunnen vaststellen is de studie van de hedendaagse oorlog een moeras van onduidelijke, soms tegenstrijdige, begrippen en denkbeelden. Over vrijwel niets bestaat er consensus. De disciplines die zich met (welk aspect dan ook van) oorlog bezighouden zijn verdeeld in stromingen, scholen en zienswijzen op verschillende niveau’s-van-analyse. Het is in dit verband interessant om te memoreren dat het United Nations Charter het begrip ‘oorlog’ zorgvuldig vermijdt, en alleen spreekt over acts of aggression, breaches of the peace en threats to peace. Volgens artikel 2, paragraaf 4, dienen alle deelnemende staten die ondertekend hebben zich in their international relations te onthouden van the threat or use of force against the territorial integrity or political independence of any state.

 

Deze innerlijke verdeeldheid bestaat ook, zoals we zullen zien, bij de huidige theoretische benaderingen van de oorzaken van oorlog. In vorige NVMP/AVV-nieuwsbrieven heb ik een summier overzicht gepresenteerd van theorieën van oorlogsoorzaken, van systemische tot psychologische. In het vervolg zal ik vooral de zogeheten ‘realistische’ school behandelen omdat die de theorievorming al eeuwen domineert.

 

Volgens Waltz’ (1959) derde niveau-van-analyse (zie aflevering 1), maakt de tekortkoming in de verhoudingen tussen de staten – het zogenaamde statensysteem – het voor elke staat noodzakelijk om zijn eigen belangen en ambities na te streven. Dit houdt in dat hij als rechter in zijn eigen voordeel beslist en handelt wanneer hij een geschil met een andere staat heeft. Het uitbreken van conflicten, met inbegrip van occasionele oorlogen, wordt daarbij onvermijdelijk en leidt tot de verwachting van oorlog als ‘normale’ eigenschap van het statensysteem (Dougherty & Pfaltzgraff, 2001).

 

De meeste oorlogstheorieën op systemisch niveau vallen binnen het zogenaamde ‘realistische’ paradigma van internationale politiek. Ideeën van realisten kunnen worden teruggevonden in Thucydides’ Geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog, en zelfs eerder in de Chinese (Shang Yang [beter bekend als Lord Shang], Han Fei Tzu) en Indische (Kautilya) filosofische tradities. Een centrale veronderstelling van het realistische paradigma is dat de wereldpolitiek staatscentrisch is, dat de territoriale en soevereine staten de belangrijkste actoren in het systeem zijn (Levy, 1998).

Een centrale determinant van staatsgedrag, volgens het politiek realisme, is de anarchistische structuur van het staatssysteem. Anarchie verwijst naar het ontbreken van enig wettig gezag in het internationale systeem om wetten te maken en af te dwingen, geschillen te bemiddelen, en gedrag tussen staten onderling te regelen. Bij gebrek aan een handhavingsmechanisme moeten de soevereine staten hun eigen belangen in een zelfhulpsysteem behartigen. Hierin is  macht de uiteindelijke rechter bij geschillen – de ultima ratio van internationale politiek. Aldus wordt het systeem vaak beschreven als een Hobbesiaan-se natuurlijke staat, die gelijk is aan een staat van oorlog vanwege het ontbreken van handhavingsmechanismen waardoor efficiënte samenwerking tussen staten om hun wederzijdse belangen te behartigen is uitgesloten (zoals Hobbes die in 1651 beschreef in zijn Leviathan).

Realistische theorieën veronderstellen dat de staten kunnen worden beschouwd als gecentraliseerde actoren met één enkele reeks redelijk duidelijk omlijnde belangen. Realistische theorieën veronderstellen eveneens dat de staten kunnen worden beschouwd als min of meer rationele actoren: hun belangen zijn transitief. Zij berekenen de gevolgen van elk beleidsalternatief in termen van kosten en baten voor die belangen (behoudens onzekerheid en beperking van informatie). Zij selecteren aldus het beleid dat het beste hun belangen dient. Realistische theorieën gaan nog verder dan deze veronderstellingen door te postuleren dat wegens de mogelijkheid van geweld in een anarchistisch systeem van hoge dreiging het streven naar veiligheid alles overheerst. Het primaire middel van het streven naar veiligheid is macht. Realisten zien traditioneel een beeld van macht in termen van militaire macht en de economische basis hiervan. Sommige eigentijdse realisten definiëren macht ruimer. Omdat macht noodzakelijk is om andere doeleinden/belangen te bereiken, en omdat macht relationeel is, wordt macht, voor alle praktische doeleinden, een doel op zichzelf. Zoals Morgenthau (1967) schrijft, is de internationale politiek een strijd om macht. Hieraan moet men toevoegen dat omdat macht een middel voor veiligheid is, de maximalisering van macht onderworpen is aan de beperking dat de veiligheid niet wordt geschaad.

Daarom zijn soevereine staten bezig met een ononderbroken streven naar macht en veiligheid. De acties die een staat onderneemt om zijn veiligheid te vergroten verminderen vaak de veiligheid van andere staten  Deze voelen zich dan gedwongen om tegenmaatregelen te nemen om hun eigen veiligheid te verhogen, die op hun beurt weer bedreigend zijn voor anderen, enzovoort. Dit genereert acties die oorspronkelijk bedoeld waren om de veiligheid te vergroten vaak een actie-reactie spiraal of vicieuze cirkel ontketenen. Staatslieden verkiezen over het algemeen zich te vergissen naar de kant van veiligheid. Zij veronderstellen het slechtste betreffende de bedoelingen en de acties van andere staten, en deze tendens in de richting van worst case-analyse voedt de actie-reactie spiraal in de internationale politiek (Levy, 1989). Dit is het klassieke veiligheidsdilemma. Het is belangrijk omdat het verklaart hoe staten die vrede verkiezen en die geen offensieve bedoelingen hebben door de structuur van het systeem kunnen worden bewogen om acties te ondernemen die niemand werkelijk wenst en waardoor alle staten slechter af zijn dan daarvoor. In bepaalde omstandigheden kan het veiligheids-dilemma leiden tot oorlog zonder ‘echte’ conflicten in de strategische, economische of ideologische belangen tussen staten. Aldus kunnen staten vrede verkiezen maar rationeel voor oorlog kiezen.

Jervis (1983) stelde dat het centrale thema van de internationale relaties niet het kwaad is, maar de tragedie die rond het veiligheidsdilemma draait: het resultaat van pogingen door elke staat om grotere veiligheid voor zich tot stand te brengen – waardoor uiteindelijk niemand veiliger is. Het resulteert in een spiraal van steeds hogere niveau’s van agressiviteit als naties proberen te reageren op de voorgaande acties van anderen. Uiteindelijk kan deze poging om grotere veiligheid te creëren resulteren in oorlog.

 

De Franse filosoof Rousseau verklaarde lang geleden al de tragische logica van deze ongelukkige aaneenschakeling van gebeurtenissen. “Waar dan ook… anarchisme heeft bestaan... daar is het ‘veiligheidsdilemma’ opgedoken voor mensen, of groepen, of hun leiders…[die] bezorgd moeten zijn, en meestal ook zijn over hun beveiliging tegen aanvallen, onderwerping, overheersing of vernietiging… Aangezien niemand zich ooit helemaal veilig voelt in een dergelijke wereld van competitieve eenheden volgt de machtsconcurrentie, en de wrede cirkel van veiligheid en machtsaccumulatie is begonnen”.

Het is belangrijk om op te merken dat de belangrijkste motivatie niet zelfverheerlijking is maar angst. Staten beginnen een oorlog omdat zij geloven dat anderen binnenkort een oorlog zullen beginnen. In dergelijke omstandigheden eist voorzichtigheid van ze om een goede aanval als beste verdediging te beschouwen (preventieve of preëmptieve oorlog). Een opeenvolging van vijandige acties en reacties tussen staten overtuigt elk van de vijandige bedoelingen van zijn rivalen; de conflictspiraal stijgt in intensiteit als ieder reageert op de provocaties van de ander. Op een zeker moment wordt de drempel van militair gevecht overschreden en breekt de oorlog uit. Niemand ‘wilde’ het (Cashman, 1993). Het punt kan inderdaad worden gemaakt dat de meeste oorlogen in het internationale systeem, gevoerd tussen 1816 en 1965, niet vooropgezet waren. Bij het najagen van andere doeleinden struikelden staten als het ware een oorlog in (b.v. Singer & Small, 1970).

 

Blainey (1973) zou tegen deze formulering waarschijnlijk bezwaar maken: “Geen oorlogen zijn onbedoeld of ‘per ongeluk’. Wat vaak onbedoeld is, is de lengte en de bloederigheid van de oorlog. Een nederlaag is ook vaak onbedoeld”. Niet alle veiligheids-dilemma’s leiden tot oorlog. Er kunnen ‘echte’conflicten over grondgebied of over hulpbronnen (olie, mineralen, water, enz.) zijn, en andere kwesties (b.v. strategische locaties) die staten ertoe brengen van mening te zijn dat hun belangen het best gediend zijn bij de inzet van strijdkrachten uitmondend in oorlog als de geprefereerde uitkomst voor beide staten (Levy, 1989). Mearsheimer (2001) is de openhartigste recente verdediger van de maximalisering-van-macht-visie op internationale politiek, die hij ‘offensief realisme’ noemt (tegenover Waltz’ [1979] ‘defensief realisme’ met zijn nadruk op veiligheid). Mearsheimer beweert: “De structuur van het internationale systeem dwingt staten die alleen veiligheid zoeken agressief te handelen... staten kunnen nooit zeker zijn van de bedoelingen van andere staten. Gezien deze angst die nooit geheel kan worden geëlimineerd erkennen staten dat hoe krachtiger zij met betrekking tot hun rivalen zijn, des te beter hun kansen op overleving. Inderdaad, de beste waarborg voor overleving is het hebben van een suprematie omdat geen andere staat een dergelijke macht ernstig kan bedreigen.”

 

Machtsevenwicht

Het machtsevenwicht is een van de oudste concepten in de literatuur over internationale relaties, maar ook een van de meest dubbelzinnige en minst handelbare. Er bestaat geen unieke machtsevenwichtstheorie maar, in plaats daarvan, een veelvoud van theorieën, waarvan elk met de harde kernveronderstellingen van het realisme begint. Het onnauwkeurige gebruik van de uitdrukking ‘machtsevenwichtstheorie’ heeft tot aanzienlijke verwarring geleid (Bueno de Mesquita, 1980). Zoals Claude (1962) heeft verklaard: “Het probleem met het machtsevenwicht is niet dat het geen betekenis heeft, maar dat het teveel betekenissen heeft.” In zoverre de machtsevenwichtstheorieën hypothesen genereren over oorlog, geldt dat voornamelijk voor de ‘grote’ oorlogen tussen de grootmachten (ook genoemd ‘algemene oorlogen’, ‘hegemonische oorlogen’, ‘wereldoorlogen’ of ‘mondiale oorlogen’ [global wars]), die verondersteld worden andere oorzaken te hebben dan oorlogen in het algemeen. Bovendien verwijzen de hypothesen betreffende het in evenwicht brengen meer naar de grootmachten dan naar andere staten. Grootmachten balanceren tegen potentiële hegemonieën terwijl de zwakkere staten in de nabijheid van sterkere staten doen wat noodzakelijk is om te overleven. Dit houdt vaak in dat men meedoet met de sterkste in plaats van te balanceren tegen hen.

 

De machtsevenwichtstheorie vormt geen basis om te geloven dat een machtsevenwicht tot vrede leidt. Integendeel, wanneer het systeem weg begint te schuiven van een balans, kan oorlog één van de strategieën zijn die worden gebruikt om de bedreiging van overwicht te elimineren. Op dezelfde manier suggereert de veronderstelling dat elke staat impliciet probeert zijn macht te maximaliseren, de mogelijkheid dat staten dat zullen doen door oorlog te voeren, ongeacht de verdeling van de macht. Veel realisten maken onderscheid

tussen revisionistische (ontevreden) staten en status quo (tevreden) staten. (Hoe dit onderscheid werkt is niet altijd duidelijk.) Zij betogen dat hoe groter de militaire superioriteit van een revisionistische staat tegenover een rivaal is, des te groter is de waarschijnlijkheid dat die zijn toevlucht zal nemen tot militaire actie om zijn macht verder te vergroten. Deze hypothese wordt weerspiegeld in de zogeheten Melische Dialoog (in Thucydides’ Peloponnesische Oorlog) met het recht-van-de-sterkste-argument dat “in feite de sterkeren [de Atheners] doen wat in hun vermogen ligt en de zwakkeren [de Meliërs] accepteren wat ze eenvoudigweg moeten accepteren” (Thucydides, V, 89).

 

Levy ( 1989) betoogt dat het redelijker is om de hypothese op te stellen dat de staten meer op basis van verwacht nut dan op basis van alleen waarschijnlijkheid handelen. De actoren zullen namelijk de waarschijnlijke kosten en baten van oorlog evenals de waarschijnlijkheid van overwinning overwegen. Acties, met inbegrip van het beginnen van een oorlog die een lage waarschijnlijkheid van slagen met zich meebrengt, kunnen rationeel worden ondernomen als hun resultaten, hoewel onwaarschijnlijk, wezenlijke voordelen impliceren en de kosten van een nederlaag op de een of andere manier beperkt zijn. Bovendien moeten de kosten en de baten van alternatieve acties met de kosten en de baten van de status-quo (non-actie) worden vergeleken. Daardoor kunnen de zwakkere staten voor oorlog kiezen als zij zelfs een kleine kans hebben om wezenlijke winsten te oogsten, of als de bestaande status-quo zo onaantrekkelijk is dat zij van mening zijn dat zij toch niets te verliezen hebben. Zoals Bob Dylan het uitdrukte: “If you got nothing, you’ve got nothing to lose.”

 

Rosens en Blainey’s machtsverhoudingstheorieën

Rosen (1970) redeneerde dat de belangrijkste functie van oorlog, de ultima ratio is: het uiteindelijke besluitvormingsinstrument wanneer groepen of staten iets van waarde betwisten. De schaal van de waardevoorkeur is niet een eenvoudige perfecte ordening – er zijn mankementen in consistentie, transitiviteit, en instrumentaliteit – maar het is een ruwe operationele schaal. De oorlog wordt slechts gebruikt om conflicten over de meest essentiële waarden te regelen. Oorlog bepaalt de distributie van het betwiste gewaardeerde met de ‘regel van de relatieve oorlogsmacht’ (macht maakt recht). Deze ‘oorlogsmachtsverhoudingen’ zijn afhankelijk van (a) het vermogen van ieder om de ander schade toe te brengen (‘sterkte’); en (b) de bereidheid om nadeel eerder te accepteren dan overgave (‘kosten-tolerantie’). De machtsverhoudingen zijn niet nauwkeurig bekend en duidelijk totdat ze echt getoetst worden in een oorlog.

 

Gelijksoortige voorstellen zijn gedaan door Simmel (1904), Coser (1961), en vele andere onderzoekers. Een andere theorie die de oorzaken van oorlog aan de tweevoudige machtsverhouding tussen twee staten wijdt, maar een die de nadruk legt op de waarneming van deze verhouding eerder dan de objectieve machtsbalans, is voorgesteld door Blainey (1973). Hij betoogt dat oorlog een geschil is over de machtsverhouding tussen twee staten, en dat oorlogen gewoonlijk beginnen wanneer twee staten van mening verschillen over hun relatieve sterkte, bepaald in termen van militaire macht. Als staten het eens zouden kunnen worden over de ‘objectieve machtsbalans’, dan konden zij de uitkomst van de oorlog voorspellen, hun geschillen regelen op basis van compromissen evenredig aan hun gedeelde verwachtingen betreffende het resultaat van de oorlog, en derhalve de kosten van de militaire confrontatie en het gevecht vermijden. Aldus behoeft een duidelijke pikorde in internationale relaties niet noodzakelijk rechtvaardigheid voort te brengen, maar het bevordert wel de vrede. Een ruwweg gelijk (althans als gelijk gepercipieerd) machtsevenwicht, daarentegen, maakt misrekening gemakkelijker. De sleutel tot vrede is duidelijkheid over de distributie van macht. Blainey besluit dat “optimisme [over de uitkomst van de oorlog] een essentiële aanleiding voor oorlog is. Alles wat het optimisme verhoogt is een oorzaak van oorlog. Alles wat het optimisme tempert is een oorzaak van vrede” (1973: 53). Blainey verwerpt wat men gemeenlijk noemt de ‘zondeboktheorie’ van oorlog (dat wil zeggen dat door interne strijd verscheurde landen eerder oorlog zullen beginnen. Volgens Simmel (1964: 93), bijvoorbeeld, is “Oorlog met de buitenwereld... soms de laatste kans voor een staat gekweld door inwendige vijandelijkheden om deze te overkomen, of anders voor onbepaalde tijd uiteen te vallen”). Integendeel, betoogt Blainey, een externe vijand, die politieke strijd binnen een land als teken van zwakheid ziet, zal eerder proberen om de situatie uit te buiten door oorlog te voeren.

 

Mesquita’s ‘verwachte nut’-theorie (expected utility)

De theorie van het ‘verwachte-nut’ had en heeft een brede belangstelling bij onderzoekers op het gebied van internationale politiek. De basis van het besluitmodel is gevestigd in micro-economische theorie die veronderstelt dat besluitvormers zullen proberen om door kansberekening de grootste beschikbare netto winst voor hen veilig te stellen. Dit doen zij op basis van een kosten-batenvergelijking van opties die afhankelijk zijn van de risiconiveaus  verbonden aan elk resultaat. Bueno de Mesquita (1981 et seq.; cf. Bueno de Mesquita, Newman & Rabushka, 1985; Bueno de Mesquita & Lalman, 1992) begint met een vrij klein aantal belangrijke veronderstellingen: (1) Besluitvorming over kwesties van oorlog en vrede kan worden beschouwd alsof er één enkele dominante leider is die de beslissing neemt. (2) Besluitvormers kunnen worden beschouwd alsof ze rationele, verwachte-nut maximalisten zijn.

(3) Verschillen in de richtlijnen van leiders betreffende het nemen van risico’s beïnvloeden hun beslissingen (staten die door risico-accepterende besluitvormers worden geregeerd zullen meer neigen tot betrokkenheid in het conflict en meer bereid zijn om het niveau van vijandelijkheden te laten escaleren dan staten die door risico-afkerige leiders worden geregeerd).

(4) Onzekerheid over het waarschijnlijke gedrag van andere staten in het geval van conflict beïnvloedt besluiten voor oorlog of vrede. (5) De waarschijnlijkheid van succes in een oorlog of een geschil is een toenemende functie van de militaire mogelijkheden van een staat (of van de coalitie) in verhouding tot die van zijn tegenstander. (6) Nationale macht neemt af volgens een afstandsgradiënt.

Rationeel zou een ‘verwachte-nut’- maximalisering met betrekking tot oorlog de volgende berekeningen impliceren: de leiders berekenen het verwachte nut van een tweezijdige oorlog op basis van een evaluatie van de kosten en de baten van overwinning en nederlaag, elk gewogen met zijn waarschijnlijkheid. Zij berekenen dan de sommen (bij optelling) of verschillen (bij aftrekking) van het verwachte nut dat zou voortvloeien uit de interventie van derden tot steun van hun tegenstanders of zichzelf. De waarschijnlijkheid van overwinning en nederlaag is een lineaire functie van de distributie van militaire mogelijkheden, die door een verlies-van-sterkte-gradiënt over afstand wordt gewijzigd (Levy, 1989). Bueno de Mesquita, Newman & Rabushka (1985) redeneren dat het rationeel is om een bestaand beleid uit te dagen wanneer de verwachte baten van de uitdaging de verwachte waarde van inactiviteit overstijgen. Het algehele verwachte nut van oorlogsinitiatie moet, kortweg, positief zijn. Het verwachte nut van elke actie kan niet apart worden gezien van het nut van alle mogelijke alternatieven, en in bepaalde omstandigheden kan de oorlog als rationeel middel worden gezien om kosten te minimaliseren (eerder dan de baten te maximaliseren), zoals gebleken bij de theorie van het veiligheidsdilemma. Voorts kan zelfs een zwakkere staat die oorlog als minst gunstig alternatief ziet toch rationeel kiezen om een oorlog te beginnen indien te verwachten is dat een preventieve slag zijn kosten zal minimaliseren in een onvermijdelijke oorlog. De rationele actoren kunnen voor oorlog kiezen zelfs wanneer hun verwachting op overwinning zeer klein is. Het gaat om het uiteindelijk doel zoals overleving: de necessità van Machiavelli. In een crisissituatie kan de afkeer van verlies (“ik haat verliezen zelfs meer dan ik houd van winnen”) staten ertoe brengen om preventieve actie te voeren, en de risico's goed te keuren van het in werking stellen van oorlog. Zeker als zij er zeker van zijn dat de tegenstander op het punt staat als eerste toe te slaan. Dit niettegenstaande dat een standaard kosten-batenberekening terughoudendheid suggereert. Ook kunnen staten verkiezen een gewaagde actie uit te voeren in plaats van verlies aan geloofwaardigheid te incasseren bij een beleid van non-actie. Afkeer van verlies en pogingen om verloren kosten terug te krijgen helpen om te verklaren waarom staten hun falend beleid veel langer blijven volgen dan een standaard kosten-baten berekening zou voorspellen (dit is bekend als de Concorde fallacy of denkfout), zoals geïllustreerd door de Amerikaanse interventie in Vietnam en de Sovjetinterventie in Afghanistan. Bueno de Mesquita’s ‘verwachte-nut’-theorie genereert enkele contra-intuïtieve hypothesen. Bijvoorbeeld dat conflicten vaker voorkomen tussen bondgenoten dan tussen vijanden.