Symposium Artsen voor Vrede, Antwerpen,

25 november 2006

 

Omgaan met conflicten

 

Het Vredescentrum van de Provincie Antwerpen, gevestigd in het voormalige provincieraadhuis, was het aangename kader voor ons 5de Wintersymposium, dat deze keer in het teken stond van conflicthantering en –bemiddeling.  Als sprekers begroetten we een diplomaat en een arts, die beiden vanuit hun eigen ervaringen de complexe relaties tussen conflicterende partijen en hun bemiddelaars kwamen belichten. Het werd een boeiende dag voor de meer dan 40 deelnemers uit Nederland en Vlaanderen.

 

Leo D’aes was tussen 1998 en 2005 achtereenvolgens consul-generaal in Jeruzalem en ambassadeur in Bujumbura (Burundi). Hij putte uit zijn ervaringen om een vergelijking te maken tussen Burundi, waar het vredesproces tot nu toe redelijk succesvol verlopen is, en het Midden-Oosten waar de onderhandelingen maar niet uit het slop geraken. Zijn analyse gaf een mooi beeld van de elementen die nodig zijn om bemiddeling tot een goed einde te brengen.

 

De diplomatieke carrière van Leo D’aes begon in 1978. Hij heeft in Brussel, Straatsburg en Genève de relaties behartigd van België met de Europese Unie, met de NAVO en met de Verenigde Naties. Daarnaast was hij van 1998 tot 2002 consul-generaal in Jeruzalem en van 2002 tot 2005 ambassadeur in Bujumbura (Burundi). Hij is op dit moment Hoofd van de Dienst ‘Moder-nisering en managementondersteuning’ van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

 

Hij schetste eerst het kader van beide conflictgebieden. In Burundi begon het geweld rond 1965 toen de Hutu-bevolking van elke deelname aan de macht werd uitgesloten. In 1993 werden onder leiding van Buyoya de eerste verkiezingen gehouden. Het democratisch proces werd echter bruusk verstoord toen de eerste verkozen (Hutu-)president vermoord werd door Tutsi’s. Dit was het sein voor een nieuwe gewelddadige episode, culminerend in een ware genocide, waaraan een einde werd gesteld door de akkoorden van Arusha. Het Midden-Oosten kent verschillende episoden van geweld sinds de oprichting van de staat Israël in 1948 (die door de Palestijnen Al-Akba of ‘de ramp’ wordt genoemd). Meest in het oog springen de oorlogen van de jaren 1967 en 1973 en de eerste intifada in 1987. Een eerste grote inspanning om het conflict te beëindigen werd ondernomen in 1991, tijdens de conferentie van Madrid, die uitmondde in de akkoorden van Oslo en Camp David.

 

Consistent peterschap

Een reeks begunstigende factoren gaf de Arusha-akkoorden van meet af aan méér kansen. Zo had de verschrikking van de genocide de internationale bemiddelaars tot krachtdadige actie aangezet. Tevens waren de regionale actoren van het conflict ook de drijvende krachten achter de akkoorden. De bevolking was oorlogsmoe en verwelkomde het perspectief van een leven in vrede. Erg belangrijk: het akkoord was duidelijk tot in de kleinste details en er werd voorzien in een goede verificatie van wat afgesproken was. Tenslotte gaven bemiddelaars Tanzania, Oeganda en Zuid-Afrika blijk van een ‘consistent peterschap’ met kennis, kunde en objectiviteit. Zij vonden tevens in Buyoya een krachtige figuur en valabel gesprekspartner die zich boven de talrijke interne twisten probeerde te stellen.

In het Midden-Oosten lagen de zaken heel anders. Vooreerst hadden de sponsors van de akkoorden hun neus niet in dezelfde richting: drijvende kracht was hier de Verenigde Staten, met een eerder pro-Israëlische houding. Als reactie was de Europese Unie eerder pro-Palestijns. Het akkoord van Oslo was bovendien op heel wat essentiële (en vooral moeilijke) punten onduidelijk en vaag, bijvoorbeeld over het statuut van de Palestijnse vluchtelingen. De bevolking in de regio is wellicht ook oorlogsmoe, maar bekijkt de zaken toch meer fatalistisch, ‘er is geen uitweg’. Nochtans was ook de aanzet van de Camp David-akkoorden krachtig: het duo Bush (Sr.) – Baker was doortastend en vastberaden. Alle partijen, inclusief Israël, werden onder stevige druk gezet om tot resultaat te komen. Ook de Israëlische premier Rabin had het inzicht en de politieke moed die noodzakelijk waren om tot een compromis te komen. Zijn opvolger Barak, en ook Arafat aan Palestijnse zijde, hadden veel minder de durf om hun verantwoordelijkheid te nemen tegen de zin in van hun achterban.

 

Maar de ondertekening van een akkoord is onvoldoende om een bemiddelingsoperatie succesvol te noemen. De opvolging en bijsturing van wat afgesproken werd is minstens zo belangrijk. Ook hier verliep het in Burundi een stuk beter dan in het Midden-Oosten. De finaliteit, waarmee bedoeld wordt de na te streven toestand na het beëindigen van de oorlogsactiviteiten, was in de akkoorden van Arusha zeer nauwkeurig omschreven. Het was dus relatief eenvoudig om de realisatie ervan na te gaan. Burundi ontving voldoende financiële middelen uit het buitenland om de geplande heropbouw van het land ook effectief te starten. Zoals gezegd belandden de Camp David-akkoorden in een ‘negatieve dynamiek’ na de moord op Rabin. De verdere verfijning en realisatie verliep mank. Zo hadden de Palestijnen

7 jaar na de ondertekening van het verdrag nog maar 20% in handen van het grondgebied dat hen beloofd werd. Ook tijdens de duur van het verdrag bleef de aangroei van Joodse settlements op de Westelijke Jordaanoever en Gaza doorgaan. De EU poogde om deze situatie enigszins te compenseren door aanzienlijke financiële steun voor de infrastructuur in Palestijnse gebieden. Een groot probleem was dat de VS het probleem veel te veel vanuit een strategisch oogpunt bekeken en te weinig aandacht hadden voor de menselijke aspecten zoals de leefomstandigheden van de

bevolking, waardoor in hun ogen de onderhandelaars steeds minder geloofwaardig werden. De finale doodsteek van de Oslo-akkoorden kwam er wellicht op 11 september 2001: vanaf die datum kleurde het begrip terrorisme en de strijd ertegen de Amerikaans-Israëlische aanpak, wat de strijdende partijen in hun posities deed verscherpen.

 

Lessen

Wat kunnen we uit deze observaties leren met betrekking tot succesvolle bemiddeling in internationale conflicten? Leo D’aes sloot zijn betoog af met acht aanbevelingen.

1) Eerste vereiste: aanwezigheid en inzet van politieke moed, zowel bij de partijen als bij de onderhandelaars: voorbeelden zijn het duo Bush-Baker, Rabin, Nyerere, Mandela en Mbeki.

2) Voor de bemiddelaars: vorm een netwerk van allianties van gelijkgezinden. Dit verliep uitstekend in Bujumbura, waar het Afrikaanse trio Zuid-Afrika, Tanzania en Oeganda een hechte groep vormde met België, Frankrijk en de VS.

3) Er moeten voldoende financiële middelen beschikbaar zijn zodat de leefsituatie van de betrokken partijen er door de overeenkomst niet op achteruit gaat (en als het kan zelfs verbetert). Anders blijft de Kalaschnikov de kredietkaart die moet zorgen voor overleven.

4) Een goed vredesakkoord bestaat uit duidelijke en omvattende afspraken die moeten worden nagekomen. De bemiddelaars zorgen voor een adequate opvolging, bij niet-naleving worden de partijen tot de orde geroepen.

5) In verband met voorgaande: speak out! Als het fundamenteel begint mis te lopen, moet je beginnen met dat ook te zeggen.

6) Aansluitend aan voorgaande: geduld is een schone zaak. Volharding is vereist, blijven praten, herbeginnen, marathonzittingen… Geduld mag evenwel niet leiden tot zelfvernietigende perfectie: de ervaring leert dat het niet wijs is om te wachten tot alle details van een eventueel akkoord zijn ingevuld en goedgekeurd om vredelievende actie te ondernemen. Zo werden in Burundi opvangkampen en interim-maatregelen ingesteld zodra er een voldoende akkoord bereikt was met de vechtende fracties, om de ‘dynamiek van oorlogsmoeheid’ verder te zetten.

7) Verzeker noodlijdende partijen (nood- lijdend zowel in fysieke als politieke termen) van daadwerkelijke bekommernis, solidariteit en bijstand: laat hen niet aan hun lot over, zoniet zijn ze voer voor extremisme. De humanitaire hulp zou ook verder moeten reiken dan overleven en vervolledigd moeten worden met bijstand aan de civiele maatschappij: maak de burger mondig, geef hem/ haar de kans om zich vredelievend te uiten, in plaats van als enig alternatief om je aspiraties waar te maken, het geweld te moeten kiezen. NGO’s kunnen hier een belangrijke rol te spelen.

8) Definieer ‘ons eigen belang’ op evenwichtige wijze: met betrekking tot Burundi: enerzijds, de kennis en ervaring van ons land ten dienste stellen van duurzame oplossingen, actief bijdragen aan het wegwerken van geweld en andere onrechtvaardigheden; anderzijds, met de ruimere internationale gemeenschap ertoe bijdragen dat betrokken landen voor zichzelf kunnen instaan, en ons dus gevoelig minder gaan kosten... met betrekking tot Palestina: de humanitaire kost van de bezetting van de gebieden, en vooral de afsluiting en verstikking ervan, is enorm, wordt elk jaar groter, en dreigt lange-termijn te worden om de gevolgen van zes jaar oorlogstrauma’s te begeleiden: dat is niet in het Palestijns noch in het internationaal belang. Het is geen geheim dat hulpverleners in Palestina met het gewetensprobleem zitten dat zij de bezetting de facto bestendigen. Een organisatie als Artsen voor de Vrede is goed geplaatst om die langere-termijn-gevolgen publiekelijk aan te kaarten, en een debat ten gronde af te dwingen over onze houding terzake. Ten gronde, en niet occasioneel, naar aanleiding van de zoveelste Israëlische beschieting van Palestijnse burgers.

 

De tweede spreker op het symposium was Réginald Moreels

Réginald Moreels is chirurg met als bijspecialiteit urgentiegeneeskunde.  Recent behaalde hij een postgraduaat in rampengeneeskunde en rampenmanagement. Jarenlang is hij oorlogschirurg geweest, voor het grootste deel in Centraal-Afrika. Vier jaar was hij lid van de Belgische regering als staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking en als minister voor de dioxinecrisis. Op dit ogenblik is hij federaal gezondheidsinspecteur voor de provincie Brabant en Nederlandstalig Brussel. Wat hem niet belet nog regelmatig als chirurg overzees te gaan werken, zoals onlangs gedurende vijf weken in Haïti

 

Kan een oorlog, kan geweld gerechtvaardigd zijn?

Hierbij gaat hij uit van het door de theoloog Augustinus in de vierde eeuw na Christus ontwikkelde standpunt. Augustinus leefde in een periode met vele oorlogen, dikwijls in naam van God. Hij wordt wel eens de theoloog van het geweld genoemd. Hij was echter heel wat meer. In zijn nagelaten geschriften komt het woord ‘oorlog’ 32 keer voor, het woord ‘liefde’ 3500 keer. Voor Augustinus waren vier voorwaarden vereist om van een gerechtvaardigde oorlog te kunnen spreken: ten eerste moet er een gerechtvaardigde reden zijn om een oorlog te beginnen, bijvoorbeeld ter bescherming van burgers die worden aangevallen, om afgenomen rechten te herstellen of voor het herstel van een rechtvaardige politieke orde. Ten tweede moet er een juiste intentie zijn. Ten derde: oorlog moet het laatste redmiddel zijn. Tenslotte moet het oorlogsgeweld proportioneel zijn en een redelijke kans op succes hebben. Augustinus’ standpunt is vaag en met de interpretatie ervan kun je alle kanten op. Wat betekent het vestigen van een rechtvaardige politieke orde? Is dat het vestigen van een democratie? Voor ons, westerlingen, is het democratisch model op dit ogenblik het mooiste politiek systeem. We moeten er ons echter voor hoeden een strak uitgelijnd kader diplomatiek op te leggen aan andere culturen. Ook het Afrikaanse arbitragesysteem is een vorm van democratie, terwijl de door ons opgelegde democratievorm in Afrika dikwijls tot schijndemocratie verwordt. En de ‘juiste intentie’ wat betekent dat? Is dat vandaag de strijd tegen het terrorisme? Wie bepaalt die juiste intentie? De Verenigde Naties, de Europese Unie, De Verenigde Staten, het betrokken land? Ook de VN zijn geen objectieve autoriteit in het bepalen van een rechtvaardige oorlog. De permanente leden van de Veiligheidsraad hebben een vetorecht en de machtigste onder hen bepalen het oorlogsrecht volgens hun belangen. God inroepen ter rechtvaardiging van een oorlog kan in geen geval. Dan maak je er een afgod van, het worden afgoden die mekaar bevechten. Omdat elke cultuur haar eigen god heeft leidt dit tot een pure cultuuroorlog. 

 

Een oorlog wordt altijd voorgesteld als enig en laatste redmiddel maar de geschiedenis leert dat de mogelijkheden om een oorlog te voorkomen praktisch nooit volledig benut worden. Ook de eis dat het oorlogsgeweld proportioneel moet zijn, met een ‘welwillende ruwheid’ – zoals Augustinus het uitdrukt – en anderzijds een redelijke kans op succes moet hebben is onzin. Niemand weet op voorhand wanneer de oorlog stopt. Wereldoorlog I, de strijd tussen Israël en de Palestijnen en de oorlog in Irak zijn er schrijnende voorbeelden van. Terwijl de ‘ruwheid’ tegenwoordig versluierd wordt door termen als ‘selectieve bombardementen’ en ‘collaterale schade’.

 

Voor Réginald Moreels zijn er slechts twee valabele redenen om tot bepaalde vormen van geweld over te gaan: een dreigende of ingezette genocide en een massale ontkenning van de mensenrechten. Zelf heeft hij beide situaties meegemaakt in Afrika. Hij vond het vreselijk als machteloze getuige de genocide te zien plaatsgrijpen in Rwanda onder het oog van de afzijdige VN-troepen. Onbegrijpelijk hoe diplomatieke posities elke tussenkomst verhinderen in een slachting waarbij honderdduizenden mensen in twee maanden worden afgemaakt. Bij genocide of bij zware schending van mensenrechten moet men onmiddellijk kunnen ingrijpen door bepaalde vormen van ontradings- en afdreigingsgeweld, door eventueel gebruik te maken van wapens die niet vernietigend, niet dodend zijn. Deze bestaan of zijn in ontwikkeling, maar er wordt in verhouding te weinig onderzoek naar verricht omdat tijdelijk uitschakelen van geweldplegers niet interessant is voor partijen die vechten om de macht. Die schakelen tegenstanders liefst definitief uit. Réginald Moreels noemt zich geen pacifist, maar een actieve geweldloze militant. Zo komen we tot het tweede deel van zijn tussenkomst. Als je geweld uitschakelt, hoe kun je nog ‘militeren’, je weerbaar opstellen, kracht en invloed uitoefenen?

 

De kracht van geweldloosheid

Mensen als Gandhi, Martin Luther King, Mandela, profeten, boeddhisten en vele anderen, hebben al lang de kracht van een geweldloze inzet aangetoond. Het is echter pas sinds enkele jaren dat actieve geweldloosheid grondig uitgewerkt wordt tot een model dat bij conflicten tot een oplossing kan leiden die veel ingrijpender is dan het uiteindelijk vredesverdrag na een gewelddadige strijd. Pat Patfoort is een van de pioniers op dit gebied. Réginald Moreels en Rik Pinxten maken deel uit van een werkgroep die ernstig studiewerk op dit terrein verricht. Conflict-bemiddeling kun je pas echt goed leren vanaf het moment dat je het zelf kunt toepassen binnen je familie- en kennissenkring. Ze gaat uit van de m-M positie. Iedereen vertrekt van een ‘m’, een ‘mindere’ positie, waarin je verkeert bij het verlaten van de moederschoot. Als hulpeloos wezen moet je geleidelijk tot ontplooiing komen, je persoonlijkheid ontwikkelen, een ‘M’, een Meerdere positie bereiken. Die groei naar een M-positie is een gezonde reflex. Het meer mens worden gebeurt in relatie tot de anderen. Samen met anderen, niet ten koste van anderen. Die groei mag niet geforceerd zijn want dit is meestal ten koste van jezelf, wat wrokgevoelens uitlokt die zich niet kunnen uiten en aanleiding geven tot plotse gewelduitbarstingen. Door escalatie van geweld tegen derden, tracht men zichzelf in het middelpunt van de belangstelling te plaatsen. Zoiets kan ontaarden tot daden van terrorisme, tot dreiging met massavernietigingswapens, tot zelfmoord. Bij onderhandelingen wordt meestal het

M-model gebruikt, waarbij men vertrekt van de eigen argumenten, niet luistert naar de argumenten van de ander of deze onmiddellijk keldert en hierbij algemene destructieve argumenten hanteert, zoals stigmatisering van de tegenpartij. Op het einde van de bespreking schudden beide partijen elkaar de hand, ‘M’ met een glimlach van arrogantie - ‘m’ lacht groen. 

 

Helemaal anders werkt men in het Evenwaardigheidsmodel. Men start niet met argumenten maar met het zoeken naar de grond van de zaak wat leidt naar een begin van inzicht in het probleem. Hoe komt het bijvoorbeeld dat Hutu’s en Tutsi’s zich zo vijandig tegen mekaar opstelden? De Tutsi’s vreesden uitgemoord te worden als de Hutu’s de macht overnamen, terwijl de Hutu’s vonden dat zij nooit hun rechten zouden krijgen als de Tutsi’s aan de macht bleven.  Als men van die vaststelling vertrekt is er kans dat men tot een oplossing komt die aan de vrees van beide groepen tegemoetkomt. 

 

In het E-model is het eerste element de communicatie: het charisma van de onderhandelaar kan hierbij een grote troef zijn om de gesprekken tot een goed einde te brengen. Bemiddelen vraagt aanvoelen en aandacht voor de lichaamstaal maar ook ernstige training.  Je moet leren luisteren, begrijpen. Niet voor niets hebben we twee oren voor één mond gekregen. Ten tweede is het belangrijk dat elke partij positieve bevestiging krijgt. Geen enkele partij mag als underdog aan de tafel zitten. Een compliment aan de tegenpartij moet kunnen! Tenslotte is creativiteit het derde noodzakelijke element voor een geslaagde bemiddeling. Zo gaf de spreker het eenvoudig voorbeeld van een vlammende ruzie tussen twee partners over de bekleding van de muren van hun pasgebouwd huis. De man wou dat ze geschilderd werden, de vrouw verkoos behang. Tot een van beiden met de creatieve idee van een structuurverf kwam.

 

Conflictbemiddeling is empathic science: creatieve intuïtie met wetenschap. Réginald was er getuige van, zowel vier jaar geleden in eigen gezin als in internationale betrekkingen. Actieve geweldloosheid moet aangeleerd worden vanaf de kinderleeftijd, vanaf het basisonderwijs, en ook politici moeten daarin getraind worden. Je komt er helemaal anders uit.

 

Noot: Kortgeleden publiceerde Pat Patfoort een belangrijk boek rond conflictbemiddeling: ‘Verdediging zonder Aanval - De Kracht van de Geweldloosheid.’  Het gaat om conflictbemiddeling die zowel op persoonlijke conflicten als op conflicten tussen gemeenschappen, landen en

culturen van toepassing is.