Alfred Nobel (1833-1896)

 

Onderstaand artikel maakt deel uit van een reeks ‘Erflaters van de Vredesbeweging’. Het gaat om biografieën van mensen die veel hebben gedaan om vrede te bewerkstelligen. Telkens wordt na de levensbeschrijving nagegaan in hoeverre zij zijn geslaagd in hun doelstellingen.

 

Alfred werd geboren als derde zoon van Emmanuel Nobel in Stockholm. Toen hij negen jaar was verhuisde hij met zijn moeder en twee broers (Robert en Ludwig) naar St. Petersburg. Zij vervoegden zich bij hun echtgenoot en vader Emmanuel die er architect en ondernemer was. Hij had er een bedrijf opgericht dat ondermeer torpedo’s produceerde.

 

Het Russische leger plaatste er veel bestellingen en het bedrijf groeide voorspoedig. Ook de familie gedijde voorspoedig. Er werd nog een zoon, Emile, geboren. Wegens zijns vaders welstand kreeg Alfred huisonderricht tot de leeftijd van zestien jaar. Hij had een uitstekende opleiding als chemicus en was daarbij een verwoede lezer die vloeiend Engels, Duits, Frans, Zweeds en Russisch las en sprak. In 1859 keerde vader Emmanuel terug naar Stockholm om een nieuwe firma op te richten. De onderneming in St.Petersburg werd overgedragen aan de tweede zoon Ludwig die ze tot verdere bloei wist te brengen.

 

Eerste jaren en opbouw van een imperium

Ter afsluiting van zijn opleiding besteedde Alfred twee jaren aan het rondreizen, o.a. naar Frankrijk en naar de Verenigde Staten. Na zijn terugkeer werkte hij in de firma van zijn vader tot deze in 1859 failliet ging. Alfred ging dan zelf meer en meer experimenteren met springstoffen. Hij zocht vooral naar methodes voor een veiligere productie en veiliger gebruik van nitroglycerine. In 1864, op 31-jarige leeftijd, kreeg hij zijn eerste patent (de Nobel-ontsteker). Later zou die uitvinding in industriële kringen de grootste ontdekking worden genoemd die ooit was gedaan voor zowel de principes als de praktijk van explosieven. Ongelukkig genoeg greep in datzelfde jaar ook een grote industriële ramp plaats. Zijn bedrijf explodeerde en vijf mensen kwamen om onder wie zijn jongste broer, de toen 20-jarige Emile. Even leek dit in de ruïnering van zijn bedrijf te resulteren. De stad gaf hem geen nieuwe vergunning en daarom zette hij zijn werk voort in een scheepsromp op het Märlarmeer. 

   

 

Toen een vertegenwoordiger van de staatsspoorlijn hem kwam vertellen dat zijn explosieven zouden worden gebruikt bij de aanleg van een tunnel, wist Alfred dat de firma gered was. Bij dat ene patent bleef het niet. Hij verzamelde er meer dan 300, die voor het merendeel te maken hadden met dynamiet en het slim gebruik ervan. Het ging om springstoffen die niet explodeerden door wrijving of druk, maar alleen met een ontsteking tot ontploffing konden gebracht worden. Wegenbouwers en spoorwegmaatschappijen waren enthousiaste gebruikers. Ook in de mijnbouw bewezen zijn explosieven grote diensten. En tenslotte kon ook de oorlogsindustrie niet zonder dit materiaal. Alfreds broers Ludwig en Robert waren na het vertrek van hun vader in Rusland gebleven. Zij gingen in de olie en exploiteerden als eersten de aardolievelden in het Bakoegebied (zuiden van Rusland). Ook Alfred stak een deel van zijn geld in deze handel. Het succes was bijna onbegrensd. In het begin van de jaren zeventig zetten ze hun eerste vaten af. Tien jaar later was hun marktaandeel zo groot dat Amerikaanse oliemaatschappijen stopten met de export naar Rusland. De gebroeders Nobel stonden sinds

dan bekend als de Russische Rockefellers.

 

Filosoof, schrijver en pacifist

Wij weten dat hij een grote interesse voor literatuur had en zelfs ambities koesterde om schrijver te worden. Op zeventienjarige leeftijd offreerde zijn vader hem een studiereis naar Amerika. Er was echter een voorwaarde aan verbonden: hij mocht alleen vertrekken wanneer hij beloofde af te zien van zijn plannen schrijver te worden. Dat doet hij, maar zijn liefde voor de literatuur blijft bestaan. Zijn enig toneelstuk ‘Nemesis’, een tragedie in vier bedrijven werd gedrukt toen hij stervende was. Op drie exemplaren na werd de hele voorraad onmiddellijk na zijn dood vernietigd omdat de inhoud als schadelijk en blasfemisch beschouwd werd. De eerste werkelijk gepubliceerde editie verscheen pas in 2003 in Zweden. Zij is tweetalig Zweeds en Esperanto. Hij was een verwoede lezer van fictie maar voelde zich eveneens aangetrokken tot filosofische onderwerpen. Hij las deze met grote interesse en maakte aantekeningen bij passages die hem belangrijk leken. Alhoewel deze geschreven nota’s zeker niet allemaal getuigen van originele reflecties, geven zij toch een aanduiding van zijn manier van denken. Hij bestudeerde de filosofie van de oudheid tot de moderne tijden, noterend wat hij dacht dat essentieel was. Hij gaf commentaar op Plato, Aristoteles en Democritius, op Newton en Voltaire maar eveneens op Darwin. Hij noteerde bijvoorbeeld dat het onduidelijk was hoe mensen tot het concept van een God kwamen: “Aristoteles zag de oorzaak in angst, Voltaire in het verlangen van de intelligentsia domme mensen te misleiden.” Hij sprak met respect over de filosofische twijfels van Descartes en Spinoza, eraan toevoegend dat twijfel de oorsprong moet zijn van filosofisch denken. Theorieën over kennis en kennisverwerving wekten zijn speciale interesse. Hierdoor kwam hij automatisch uit bij Locke’s thesis dat alle kennis komt van waarnemingen van onze zintuigen, eraan toevoegend dat onze hersenen een onbetrouwbare opslagplaats van onze waarnemingen zijn. Dit leidde hem tot verder nadenken over de methodologie van wetenschappelijk denken. Hij noteerde dat alle wetenschappelijk denken is gebaseerd op waarnemingen van gelijkenissen en verschillen. Hij ging verder: “Bij een chemische analyse is dit duidelijk, en zelfs wiskunde heeft geen andere basis.” Geschiedenis is een beeld van het verleden met gelijkenissen en verschillen. Geografie toont de verschillen in de aardoppervlakte. Astronomie is de studie van gelijkenissen en verschillen van de hemellichamen. Fysica de studie van de aantrekkingskracht en beweging van voorwerpen. De enige uitzondering is religie, maar zelfs dit berust op een gelijkgestemde naïviteit of goedgelovigheid van de meeste mensen. Zelfs metafysica moet zijn oorsprong vinden in deze hypothese van analogieën. Dus zonder overdrijving kon hij zeggen dat het waarnemen en onderzoeken van overeenkomsten en verschillen, de basis is van onze kennis.

Hij kon dit hebben aangevuld met Humboldts woorden: “men gaat van observatie naar het experiment op basis van analogieën en gekende empirische wetmatigheden.”

 

Alfred Nobel was ervan overtuigd dat hij deze methodiek had gebruikt bij zijn experimenteel werk. Hij stond zeer afstandelijk ten opzichte van zichzelf. Toen zijn broer Ludwig een geschiedenis wilde schrijven over de familie Nobel en hem vroeg een soort autobiografie te schrijven, antwoordde hij: “Alfred Nobel, een armzalig schepsel, had door verstikking omgebracht moeten worden door een humane arts toen hij zijn verschrikkelijke entree in dit leven maakte. Grootste deugden: hield zijn nagels schoon en is nooit iemand tot last geweest. Grootste zwakheden: had noch vrouw, noch kinderen, noch een zonnige aard, noch een gezonde begeerte. Enige en grootste verzoek: niet levend begraven te worden. Grootste zonde: De mammon niet gediend te hebben. Belangrijke gebeurtenissen in zijn leven: geen” (einde citaat).

 

Creatie van de Nobelprijs voor de Vrede

Misschien door zijn interesse voor filosofie toonde hij zich zijn leven lang een overtuigd pacifist. Hij discussieerde hierover veel met Bertha von Suttner. Zij geloofde in het vooruitgangsdenken van de Verlichting: de geschiedenis van de menselijke cultuur vertoont een stijgende evolutie die berust op wetenschappelijke ontdekkingen en de toepassingen hiervan. Zij was de overtuiging toegedaan dat het Humanisme betekenisvolle mensen tot inzicht en actie zou brengen. Uiteraard wekte zij – zeker als vrouw – veel weerstand op. Mannen maakten geschiedenis. Het rivaliserende, militaristische staatsdenken van de grootmachten was mannelijk. Voor hen gold oorlog als de belangrijkste cultuurontwikkeling van een volk, als verwekker van de schoonste menselijke deugden, als vader van alle dingen. Het waren overtuigingen die de Kerken met Klokgelui en gebed zegende. Het was een schok dat nu een vrouw kwam die al deze overtuigingen ondergroef en als een van staatswege toegestane misdaad ja zelfs als volkerenmoord bestempelde. Geen wonder dat het woord landverraad viel.

 

Alfred waardeerde Bertha om haar persoonlijkheid en enorme inzet. Toch bleef hij sceptisch. Hij zag de ideeën over een arbitragehof en ontwapening maar langzaam vooruitgang maken. Hij zegde haar: “Mijn fabrieken zullen misschien nog eerder een einde maken aan oorlogen dan uw congressen. Op de dag dat twee legerkorpsen elkaar wederkerig in één seconde zullen kunnen vernietigen, zullen alle beschaafde naties terugschrikken en hun troepen naar huis sturen.” Hij voegde er een voorstel aan toe om een collectief veiligheidssysteem te realiseren in Europa. “Wanneer alle staten er zich toe verplichten, gezamenlijk de eerste aanvaller gewapenderhand tot de orde te roepen, zullen oorlogen onmogelijk worden.” Nobel had dus afschrikking door wapengeweld niet afgezworen. Toch koesterde hij het idee van een vredesprijs in het leven te roepen.

Het verhaal gaat dat dit nog meer vorm kreeg toen hij op 55-jarige leeftijd toevallig zijn eigen necrologie las in verschillende kranten. Een journalist had hem verwisseld met Alfreds broer Ludwig, die enkele weken voordien was gestorven. Het bericht werd klakkeloos door andere nieuwsbladen overgenomen. In de krantenberichten werd hij afgeschilderd als ‘de koopman van de dood’. Een man die oorlog rendabel had gemaakt. In een eerste opzet wilde hij de prijs om de vijf jaar laten uitreiken en dit in totaal zesmaal laten gebeuren. Hij veronderstelde: “Indien het na dertig jaren niet zal gelukt zijn de verhoudingen tussen de staten te wijzigen, dan zal men na die tijd noodgedwongen terug in barbaarse toestanden zijn hervallen”.

 

Is hij geslaagd in zijn doelstellingen?

Alfred Nobel heeft waarschijnlijk nooit de illusie gehad dat een comité van vijf Noren dat jaarlijks de Nobelprijs voor de Vrede uitreikt, werkelijk vrede zou kunnen stichten. De eerste jaren werden de prijzen toegekend aan algemeen erkende persoonlijkheden. Later was er meer controverse. Al is juist die controverse soms een deel van het succes. Zo werd in 1938 Adolf Hitler genomineerd, maar won de prijs uiteraard niet. Henry Kissinger echter – verantwoordelijk voor de bombardementen op Cambodja in 1969 en 1970 waarbij ca. 800.000 burgers zijn gedood – won hem wel, in 1972. En in 1994 won Yasser Arafat, die later van terrorisme werd beschuldigd. Ook bij Begin, de minister-president van Israël, kunnen vragen gesteld worden. En wat te denken van Wangari Maathai die de prijs won in 2004. Opmerkelijk was wel haar uitspraak: “Het aids virus HIV is een wapen dat door blanke wetenschappers is uitgevonden om het zwarte ras uit te roeien.” Deze uitspraak had veel verontwaardigde reacties als resultaat en heeft haar reputatie geen goed gedaan. Gezegd wordt dan ook dat deze Nobelprijs veelal een politieke keuze is geweest en vooral iets zei over degene die koos en over de bestaande tijdgeest.

 

Anderzijds mag de waarde van de prijs toch ook weer niet te fel gerelativeerd worden. ‘International Physi-cians for the Prevention of Nuclear War’ won de prijs in 1985 en Joseph Rotblat met Pugwash in 1995. Het heeft beide bewegingen veel goodwill verschaft bij het verspreiden van hun doelstellingen. De Nobelprijs kan een microfoon met wereldbereik zijn, zoals in 1996, toen twee Oost-Timorezen, verzetsstrijder Ramos Horta en de rooms-katholieke bisschop Carlos Belo, met de vredesprijs eindelijk de aandacht van de internationale wereld op zich wisten te vestigen. De prijs kan eveneens enige bescherming bieden, zoals in 1936 voor de Duitse journalist en pacifist, Carl von Ossietzky. Het nazi-regime in Duitsland weigerde Ossietzky, die drie jaar in concentratiekampen had gezeten, de prijs in ontvangst te laten nemen. Wel werd hij na de toekenning naar een ziekenhuis gebracht, waar hij twee jaar later aan tuberculose overleed.

 

De Nobelprijs blijft zonder twijfel een aandachtstrekker die – waarschijnlijk door de onvermijdelijke polemiek – het thema vrede jaarlijks opnieuw ter sprake brengt.