Lezing door prof. dr. Scott Gates op 22-06-2006 tijdens het seminar in het ISS ter gelegenheid van de nieuwe leerstoel ĎEconomie en Vredeí

 

Kindsoldaten

 

"Uitgaand van de economische aspecten van kinderarbeid, tevens met grondige kennis van de kinderpsychologie en van conflictonderzoek, trachten we de redenen vast te stellen waarom sommige gewelddadige groepen kindsoldaten gebruiken en andere niet. En hoe verklaren we de grote variatie in de verhouding (ratio) kind/volwassene binnen diverse strijderorganisaties?"

 

Data over kinderwerving in de Afrikaanse Sub-Sahara zijn verzameld door Reich en Achvarina in 2006. Hun gegevens, samen met die van casestudies wereldwijd, tonen een enorme variatie in aantallen en situaties. De meeste onderzoeken zijn multidisciplinair en spelen in de periode van postconflictreÔntegratie en -rehabilitatie. Het sociaal-wetenschappelijk onderzoek tijdens het conflict, richt zich vrijwel uitsluitend op de aanbodzijde van rekrutering. Armoede, onderwijsniveau, oorlogssituatie, verblijf in vluchtelingenkampen, (on)veiligheid, godsdienst, etnische identiteit, het al dan niet hebben van familie of vrienden, dit alles speelt een rol in het aanbod van kindsoldaten.

 

De interactie tussen een rebellengroep en een regering kan ook invloed hebben, vooral wanneer deze laatste grievance veroorzaakt. Hierdoor kan de motivatie ontstaan om mee te strijden met de rebellen. Voor de vraagzijde voert dit ons naar burgeroorlogen en gewelddadige organisaties. De belangrijkste bevinding is dat aanbodfactoren weinig variŽren. Vraag bepaalt de aantallen en de ratio kind/volwassene.

Scotts studie brengt geen nieuwe data of hypothesen, maar is een weergave van bestaande empirische wetenschap. Fundamenteel is kinderarbeid.

Definitie van een kindsoldaat: een kind dat actief participeert in een gewelddadig conflict door lid te zijn van een organisatie die geweld gebruikt op systematische wijze. Secondair belangrijk is of de kinderen puur militair of ook Ďhuishoudelijkí bezig zijn. Definitie van een kind: de meeste ngoís en onderzoekers definiŽren een kind als een persoon onder de 18 jaar. Juister is: onder de 15 jaar, dan zijn de eigenschappen psychisch en fysisch meer afgebakend. Dat publicaties als regel gaan over kinderen van 6 tot 18 jaar (alles op ťťn hoop) is een bezwaar; in die periode veranderen de kinderen enorm. Capaciteiten en de geschiktheid van kinderen zijn hier belangrijk. Zeer jonge kinderen spelen tegenwoordig een belangrijke rol. Standaarduitleg is dat er meer lichtgewicht- en kleine wapens voorhanden zijn, met veel effect, die weinig training vergen. In sommige gemeenschappen draaien kinderen met alles mee: huishouding, werk op het land, strijd. Daar wordt nogal eens gevochten met machetes en speren. Als regel betreft dit niet- georganiseerde strijders.

 

Kunnen kinderen volwassen strijders vervangen? In het leger hebben jonge kinderen en volwassenen meestal verschillende taken. Het jonge kind is een extra toevoeging, het oudere kind kan een vervanger zijn voor een volwassene. Dat kinderen rijpen met de jaren (emotioneel, in besluitvorming, in psychische stabiliteit) ook in Ďdienstverbandí, staat vast. Deze processen zijn moeilijk te toetsen. We moeten ons behelpen, door toevallige observaties van het gedrag van kindsoldaten (vooral uit West- en Centraal- Afrika) te zetten naast experimentele gegevens van kinderen in de VS onder rustige, vreedzame condities. Maar kan het gedrag van een welgesteld kind in de VS dat bang is een speeltje van vijf dollar te verliezen ons iets vertellen over een meisje in Oeganda dat elke dag haar leven riskeert? Kan het gedrag van beschermde kinderen in een rustige stemming ons informeren over hoe een groep van boze en angstige kinderen zich zal gedragen waarbij hun emotionele toestanden elkaar versterken?

 

Mythen of feiten?

Officieren moeten inschatten wat een kind/volwassene militair waard is. Een Kongolese officier: kinderen zijn beter; ze volgen gehoorzaam orders op, ze tobben niet over een gezin en ze kennen geen angst. Dat onder kinderen meer doden vallen zou komen door het ontbreken van angst, doordat ze zich de dood niet realiseren (Sierra Leone, Kongo). Kinderen vertonen ook minder risicomijdend gedrag. Ze onderschatten onwaarschijnlijke risicoís, ook wanneer deze groot zijn. En er is meer kans op uitputting. ďKinderen zijn wreder en kennen nog geen compassie en/of altruÔsme. Ze zijn ook trouwer, doordat ze niet inzitten over vrouw en kinderen. En ze zijn bereid tot offers voor de groep.Ē Al deze beweringen zijn niet bewezen.

 

Onderzoeksresultaten

Kinderen en volwassenen zijn edelmoediger dan verwacht volgens puur rationele keuzes. In tegenstelling tot volwassenen neemt bij kinderen de bereidheid om vrijwillig mee te werken aan een opdracht toe wanneer dezelfde opdracht later wordt herhaald. Dit kan het effect zijn van groepshechting, wat tevens maakt dat kinderen minder gauw weglopen. Het lukt niet in deze context wreedheid te verklaren. Kinderen reageren sterker dan volwassenen op straf. Ze zijn loyaal, hetgeen kan samenhangen met gehoorzaamheid. Immers, ze zijn gewend publiekelijk berispt en gecommandeerd te worden en dit zonder vragen te ondergaan. Het blijkt dat oudere kinderen, indien fysiek sterk genoeg, volwassenen kunnen vervangen tot een hoogte die vreemd is aan onze westerse attitudes en verwachtingen. Hun vermogen tot onderhandelen, tot het inschatten van toekomstig voordeel, tot besluitvorming en bovenal hun vermogen om een concept van een probleem te vormen, toont aan dat het verschil tussen kinder- en volwassen gedrag verrassend klein is. Indiase jongens van 12-14 besluiten soms zelf tot arbeidsmigratie, eventueel buiten medeweten van de ouders. Ze kunnen ook een militaire keus maken. Conclusie: kinderen zijn anders, ook psychologisch. Ondanks hun mindere kracht, kan een militaire leider bezwijken voor de psychologische voordelen, indien niet gehinderd door normbesef.

 

De context van kinderen in gewapende conflicten

Huidige oorlogen waar kinderen actief aan deelnemen zijn te typeren als vastgelopen guerrillaís, beperkt tot een afgelegen agrarisch gebied met lage inkomens en een postkoloniale status. Hier zijn kinderen betrokken bij allerlei volwassen economische activiteiten. In het Sub-Sahara gebied van Afrika geldt: hoe landelijker een gebied is, hoe hoger het kinderaandeel in het werk. Hoe meer kinderen economisch werkzaam zijn in een gebied, hoe meer ze daar ook militair worden ingezet. En als het leger veel huishoudelijke taken heeft, is de drempel voor kindsoldaten lager.

Steepler (2004) deed veel en langdurig onderzoek. In onder andere Sierra Leone bestaan (geheime) organisaties voor leeftijdsgroepen. Soms staat nauwkeurig omschreven hoeveel en hoe kinderen gebruikt kunnen worden. Hier zijn kinderen gemakkelijk te rekruteren. Ze gebruiken machetes en andere traditionele wapens.

 

Meisjes

De commandoís maken gebruik van de gewoonte dat kinderen meehelpen. Ze volgen hetzelfde patroon als thuis, tot Ďseksvrouwení toe, voor de commandant en de officieren. Dit verschijnsel is erg schadelijk voor jonge vrouwen en meisjes die dikwijls met geweld zijn meegevoerd en worden blootgesteld aan diverse vormen van seksueel geweld. De effecten van bestaande normen binnen een samenleving die vroege seksuele contacten toestaan of voorschrijven, worden geperverteerd als ze ingebed zijn in een organisatie gestoeld op lichamelijke kracht. Gedwongen rekruteren van meisjes kan een verhoogde aanmelding van jongens tot gevolg hebben, speciaal in vele Afrikaanse landen waar de traditionele huwelijksmarkten in verval zijn, vaak door de toegenomen schaarste van land. Dit illustreert hoe de omringende sociale en economische situatie invloed heeft op de vorm van geweld en er mogelijk in dit geval oorzakelijk aan bijdraagt. Schrijvers hebben niet gekozen voor een systematische analyse van gender bij hun studie over vraag en aanbod van kindsoldaten. Een aantal landelijke conflictgebieden in Afrika vertoont grote variatie in de ratio volwassen-/ kindsoldaten.

 

Gewelddadige organisaties en hun vraag naar kindsoldaten

De leidende principes van een gewelddadige organisatie bepalen het gedrag van de groep inclusief de beweegredenen om kinderen te rekruteren en de wijze waarop ze die kinderen behandelen. Ze zullen alleen kinderen in dienst nemen wanneer dat kosteneffectief is en het kind voldoende vervangfunctie heeft. Gates 2004: soldaten, indien vrijwillig gerekruteerd, moeten een reden hebben om niet weg te lopen. Een beloning motiveert hun vechtgedrag, waardoor maximale kans op winnen. Een commandant zal kinderen rekruteren als lage kosten opwegen tegen minder militaire efficiŽntie. Alle groepen verstrekken materiŽle beloningen (geld, buit uit plundering, drugs, vooral alcohol) en niet-materiŽle beloningen. Niet-materiŽle beloningen kunnen functioneel zijn. Dat heeft te maken met promotie, je werk goed doen. Helaas ook met het loslaten van uitschot gepaard met wreedheden als dat goed uitkomt (licence to kill). Ook de opwinding van het vechten op zich kan een beloning inhouden, vooral als dit het alternatief voor verveling is of voor zwaar werk betekent. Een interview met kindsoldaten over hun motivatie om bij het leger te gaan onthulde dat 15% van de ondervraagden de fascinatie aangaf voor het militaire bedrijf (ARC, Kongo, Rwanda). Solidariteit als beloning: een gewapende groep die dag en nacht in spanning samen is, vertoont solidariteit, kameraadschap, hechting, sterker nog indien gebaseerd op identiteit als etniciteit en religie. De LA in Oeganda en de RU in Sierra Leone vertonen een mix van functionele beloning en solidariteit. Als een groep weinig geld heeft, zijn vooral waarden belangrijk. Leiders kunnen een identiteit creŽren en het gevoel erbij te horen. Volgens de kinderpsychologie zijn deze waarden vooral bij kinderen van belang zijn omdat ze meer geneigd zijn tot binding. Als kinderen het thuis rot hebben dan zullen ze met weinig genoegen nemen en zich niet gauw aan opdrachten onttrekken. De militaire groep zal zich onder zulke omstandigheden vooral op kinderen richten.

 

Hoe gaat het toe bij gewelddadige rekrutering? De kinderen worden gegrepen of bedreigd met een geweer. Eenmaal in dienst gelden bij verzet zware lijfstraffen of dreigen met de dood. Tegelijkertijd wordt bij goed gedrag met materiŽle of andere beloningen gewerkt. Kinderen vergeten eerder dan volwassenen hoe (gewelddadig) ze gerekruteerd zijn. Het einde van een militaire activiteit is gekenmerkt door decentralisatie. Hiervoor bestaat geen enkel model. De infrastructuur en ook het doden hebben dan een geÔmproviseerd karakter. De angst gewond of gedood te worden kan maken dat soldaten nog vůůr het gevecht op de vlucht slaan, vooral als de motivatie materieel was. Als velen dit doen, lijdt de organisatie verliezen en lopen de overgebleven soldaten extra gevaar. De prikkel tot ontsnappen neemt toe naarmate meer soldaten dit doen. Door de snelle overgang van vechten naar vluchten wordt menige slag verloren. Gebrekkige informatie maakt belonen lastig en belonen met de opbrengst van plundering schaadt het imago. Om toch desertie te voorkomen, moet de organisatie dan zijn toevlucht nemen tot lijfstraffen, zelfs als het aanvankelijk ideologisch gemotiveerde rekruten betreft.

 

Motivatie

Om de extreme variaties in aantallen en ratio kind/volwassene te verklaren is nieuw onderzoek gedaan, in het verlengde van Gates, naar motivaties, groepssteun en de vraag naar kindsoldaten. Dominant in conflictonderzoek de laatste ca.10 jaar is de economische factor. Er bestaat een probleem over de presentatie: de beweerde motivaties van een militaire organisatie sporen niet met de echte. Zo is het in TsjetsjeniŽ of het Midden-Oosten niet helder of de fundamentalistische motieven politiek of religieus van aard zijn. Even lastig is het om er in een gegeven situatie achter te komen of het gaat om geld of om politiek, vooral als het nodige geld komt uit opium, cocaÔne, en diamanten. Een andere vraag is of beweerde motieven voor een breed publiek gelden of voor de militaire groep zelf. De actoren kunnen goede redenen hebben om hun doelen en die van de tegenstander te Ďdispresenterení. Religie kan een drogreden zijn voor politiek, en politiek een drogreden voor geld.

 

Twee typen leiderschap

Als rebellen in het begin veel geld en goed hebben, vergeleken bij sociale waarden (identiteit, idealen, netwerken) dan kan deze welvaart schade doen aan het politieke altruÔsme, hun natuurlijke bron. De meeste organisaties zijn arm, zelfs als hun gewelddaden de meest lonende zijn in de regio. Leiders houden het aantal verdienende leden klein. Kinderen verdienen weinig tot niets, zijn dus geliefd. Organisaties die zowel economische en sociale steun ontvangen, zullen als regel niet gewelddadig rekruteren en vrijwilligers in dienst hebben met niet-financiŽle (grievance) motieven. Vrijwillige rekruten bij uitsluitend economisch gesteunde organisaties zullen vooral materieel (greed) gemotiveerd zijn. Beiden typen organisaties zullen kinderen in dienst nemen, zij het om verschillende redenen en met verschillende behandeling. FinanciŽle steun kan in een organisatie (schijnbare) idealen verdringen richting greed. Als dit aan het licht komt, zal zoín organisatie minder vrijwillige ideologische rekruten aantrekken en zal het gewelddadig rekruteren toenemen. (Jonge) kinderen, gerekruteerd via geweld, zullen minder gauw dan volwassenen deserteren. Zo valt te verwachten dat bij kleinschalige, economisch gesteunde, gewelddadige organisaties het aandeel van kindsoldaten in de loop der tijd zal toenemen. Echter, in sommige Afrikaanse landen is grievance het motief om zich bij een, in dit geval ideologische, rebellengroep aan te sluiten, zowel voor kinderen als voor volwassenen. Vooral oudere kinderen zijn daar gefrustreerd door de slechte kansen op land en huwelijk. Hetzelfde kan gelden voor de leiders. In Mindanao strijden hele families actief mee waaronder relatief veel kinderen, afspiegeling van de democratische aard van het gebied. In een heftige strijd met dure en gecompliceerde wapens vind je geen kindsoldaten. Onderzoek van kinderarbeid toont dat kinderen zelden verantwoording krijgen over technologisch gecompliceerd of duur gereedschap. Bij gevechten van lage intensiteit is er meer ruimte voor huishoudelijke taken en kunnen ze meer kinderen gebruiken. Sociale organisaties zijn beter in collectieve acties, en minder gewelddadig zolang de leden goed gemotiveerd zijn. Kinderen/jongeren zijn vaak minstens zo gemotiveerd als hun achterban. Slechte behandeling en gewelddadig rekruteren van kinderen kosten (imago-) geld, iets waarvan leiders zich zeer goed bewust zijn.

 

Organisatiestructuur en het welzijn van kindsoldaten

Bij een aantal gewelddadige organisaties in Sierra Leone is systematisch onderzoek verricht, gebaseerd op uitgebreide gegevens van oud-strijders (Humphreys en Weinstein í04, í05). Etnisch gefragmenteerde gewelddadige organisaties hebben meer materiŽle lokkers, minder sociale binding en traditie en geen mechanismen om subversie te straffen. Ze mishandelen/ doden meer burgers. Hoe werkt dit uit bij kindsoldaten? Een factor kan zijn een persoonlijke binding aan de leider (veiligheid, houden van). Twee studies:

1. een islamitische guerrillabeweging in Mindanao (Filippijnen 2002), sociaal georiŽnteerd;

2. een aantal gewelddadige organisaties in Centraal-Afrika, met ondervraagden uit Kongo, DRC, Burundi en Rwanda (ILO/IPEC 2003), economisch georiŽnteerd.

Onder de kindsoldaten van Congo, DRC en Rwanda antwoordde de grootste groep dat het om economisch voordeel ging (34% materieel t.o. 21%ideologisch, 11% gaf als motief weg te willen uit het gezin). Onder de kindsoldaten van de Filippijnse groep was 90% ideologisch en 0% materialistisch; 5% gaf als motief het samenzijn met hun vader. Hoewel het onderzoek in Centraal-Afrika daar niet systematisch naar vroeg, leek een regime van hardvochtige straffen en angst duidelijk te overheersen. Angst kon zowel een motief zijn voor aansluiten/ blijven als voor desertie. Straf was identiek met de dood. 62% van de (vrijwillige) Filippijnse kinderen antwoordde desgevraagd dat er niets gebeurde wanneer ze bevelen niet opvolgden. De kinderen van Mindanao konden meestal thuis blijven wonen, zelfs af en toe naar school.

 

Vraag en aanbod

In tegenstelling tot wat Gates vermoedde, blijken vraag en aanbod niet in evenwicht. Vrijwilligheid, de typering van de streek (armoede, gebroken gezinnen), het gemak van gewelddadig rekruteren, vluchtelingenkampen als 'visvijvers', bepalen het aanbod. De vraag komt van de diverse strijdersorganisaties. Drie modellen worden beschouwd:

1. een organisatie beschikt over veel geld, betaalt een goed loon en kinderen worden vrijwillig gerekruteerd;

2. een organisatie werkt met gewelddadige rekrutering;

3. een organisatie is sociaal georiŽnteerd en geeft niet-materiŽle beloningen.

 

Overvloed aan vraag ontstaat als een gewelddadige organisatie te weinig aanbod (vrijwilligers) krijgt. Als de organisatie geen geweld gebruikt wordt het aanbod bepaald door Ďvrijwilligeí motieven zoals: verdeling van grondbezit, kans op erven van grond, het aantal wezen, de gezinscohesie, het armoedeniveau van de kinderen (afhankelijk van het geboortecijfer), het niveau van kinderwerkeloosheid, etc. Ook het te verwachten welzijn van het kind in dienst van de organisatie is een factor en kan verschillen van dat van een volwassene. Tekorten kunnen sterk oplopen, zoals in de laatste dagen van een verliezende partij. (Nazi-Duitsland en de Amerikaanse Confederatie namen kinderen en bejaarden in dienst in hun slechte tijden). Een Ďvraagí-situatie bestaat ook wanneer vrijwilligers ontbreken en dus gewelddadig moet worden gerekruteerd. Ideologische groepen schenken vaak functionele beloningen, waaronder solidariteit. Hier kan een sterke vraag zijn, het aanbod is echter afhankelijk van de mogelijkheden. De visie van de leider over de ratio kind/ volwassene is hier is belangrijk. Stel een organisatie drijft alleen op (ruim voldoende) vrijwilligers en economische beloning. De leider (vrager) bepaalt het absolute aantal rekruten en de ratio kind/volwassene, afhankelijk van de bruikbaarheid, de kosteneffectiviteit en de kans op winnen van de oorlog, waarbij vechten slechts een deeltaak is. Gewelddadig rekruteren veronderstelt schaarste van aanbod. In de praktijk echter zijn er vaak voldoende visvijvers om aan de behoefte te voldoen. Kosteneffectiviteit van kindsoldaten speelt ook hier een rol, maar is minder bepalend voor de ratio, die hoger ligt (relatief meer kinderen) bij gewelddadige rekrutering. Bij ideologische groepen met een overvloedig vrijwilligersaanbod zijn de selectiecriteria meer selectief (ideologisch, etnisch, religieus) en niet uitsluitend gericht op vechten. Kinderen worden hier beschouwd als tweedehands soldaten. Hier is de ratio laag (weinig kinderen). Als een groep veel sociale en materiŽle steun ontvangt bij een overvloed aan vrijwilligers dan is de vrees dat materiŽle belangen de overhand krijgen onwaarschijnlijk. Met veel vrijwilligers kan men kritisch zijn en dŪe mensen aannemen die in de ideologische sfeer passen en offers willen brengen.

 

Conclusie

Vanuit kinderarbeid, kinderpsychologie en conflictstudies is een poging gedaan om te begrijpen waarom een militaire organisatie kinderen rekruteert. Vergeleken worden de fysische en psychologische eigenschappen van kinderen en volwassenen. Los van normen hebben we laten zien dat kindsoldaten vooral een vervanging zijn voor volwassenen. Gekeken wordt naar de markt voor soldaten in het algemeen, zowel voor regeringstroepen als voor groepen die tegen de staat vechten. Het meeste onderzoek gaat over het aanbod van kindsoldaten. Om de grote variatie in ratio kind/ volwassene te begrijpen moeten we juist kijken naar de vraag. Contextuele factoren hebben geen directe invloed op de ratio. Fearon 2005: langdurige, low intensity-conflicten door gewelddadige organisaties in landelijke gebieden zijn te verklaren met diverse politieke en economische variabelen. Deze contextuele factoren (het percentage wezen en het armoedeniveau) beÔnvloeden het aanbod van kinderen. Maar deze factoren verschillen weinig tussen diverse oorlogsgebieden. Aanbod kan de grote variatie van de ratio bij gewelddadige groepen in vergelijkbare situaties niet verklaren. De fluctuatie in succes/verlies in de strijd kan de ratio en de vraag aanzienlijk beÔnvloeden. De ratio volwassen-/kindsoldaat wordt voornamelijk bepaald door het beleid en het karakter (de vraagkant) van de strijdende organisatie zelf, niet door de eigenschappen van de streek waar de strijd plaats heeft.

 

1)      Prof. dr. Scott Gates is verbonden aan het Instituut voor Vredesonderzoek Oslo en aan de Noorse Universiteit voor Wetenschap en Technologie NTNU. Basis is een paper, opgesteld door Scott Gates, samen met Jens Christopher Andvig van het Noorse Instituut voor Buitenlandse Zaken (NUPI).