Deel VI

 

De studie van de hedendaagse oorlog

 

 

Door: J.M.G. van der Dennen

 

Faseringen van oorlog

De eenvoudigste, maar treffendste fasering van oorlog is voorgesteld door Dupuy (1984) in zijn De evolutie van wapens en oorlogsvoering: ‘Het tijdperk van de spierkracht’, ‘Het tijdperk van het buskruit’, en ‘Het tijdperk van de technologische veranderingen’.

 

Dupuy & Dupuy (1986: 2) onderscheidden vier brede algemene tendensen in oorlogsvoering: (1) de introductie van militair transport over land en over water; (2) de introductie en daarna de relatief snelle verdwijning van de strijdwagen; (3) opkomend overwicht van de maatschappelijke ruiterelite op het slagveld; en

(4) de belangrijke introductie van bronsvervangend ijzer en staal in de wapenproductie.

De fasering van Dupuy & Dupuy (1986) van oorlog is de volgende:

(1) De dageraad van de militaire geschiedenis: tot 600 v. Chr.; (2) De oorlog wordt een kunst: 600-400 v. Chr.; (3) De era van de giganten: 400-200 v. Chr.; (4) De opkomst van de grote imperia in het Oosten en het Westen: 200-1 v. Chr.; (5) De Pax Romana: A.D. 1-200; (6) De neergang van Rome en de opkomst van de cavalerie: 200-400; (7) Het begin van de Middeleeuwen: 400-600; (8) De opkomst en de indamming van de islam: 600-800; (9) De vroege Middeleeuwen – slagbijl en strijdknots: 800-1000; (10) De terugkeer van de vaardigheid in oorlogvoering: 1000-1200; (11) Het tijdperk van de Mongolen: 1200-1400; (12) Het eind van de Middeleeuwen: 1400-1500; (13) Het Spaanse vierkant en het schip-van-de-lijn: 1500-1600; (14) Het begin van de moderne oorlogvoering: 1600-1700; (15) De militaire suprematie van Europa: 1700-1750; (16) De dominantie van de militaire manoeuvres: 1750-1800; (17) Het tijdperk van Napoleon: 1800-1850: (18) De verschijning van de beroepsmilitair: 1850-1900; (19) De Eerste Wereldoorlog en het tijdperk van totale oorlog: 1900-1925; (20) Tweede Wereldoorlog en de opkomst van het nucleaire tijdperk: 1925-1945; en (21) Grootmachten in het nucleaire tijdperk: 1945-1984. Met de wijsheid van de terugblik kunnen we hieraan toevoegen: (22) Het tijdperk van de vuile burgeroorlogen: 1984-heden.

 

Quincy Wright (1942/1965) verdeelde de moderne geschiedenis (1480-1965) in verscheidene perioden: Renaissance, Hervorming, en Ontdekking, 1480-1520; godsdienstoorlogen, 1520-1648; politiek absolutistische en dynastieke oorlogen, 1648-1789; democratie, industriële, en nationalistische oorlogen, 1789-1914; De wereldoorlogen, 1914-1945; en het atoomtijdperk, 1945-1964.

 

Howard (1976) onderscheidt in zijn Oorlog in de Europese geschiedenis, acht perioden in de geschiedenis van de Europese oorlogvoering: de ridderoorlogen (±8e eeuw-1494); de

oorlogen van de huurlingen (1494-±16e eeuw); de oorlogen van de handelaren (16e–eind 18e eeuw); de oorlogen van de professionals (18e eeuw); de oorlogen van de Revolutie (±1790-1814); de oorlogen van de naties (1814-1918); de oorlogen van de technologen (1918-1945); en, tenslotte, het atoomtijdperk (1945-heden).

Keegan & Holmes (1985) onderscheiden vijf militaire revoluties in de geschiedenis van de ‘beschaafde’ oorlogvoering: (1) de metallurgische revolutie; (2) de strijdwagenrevolutie; (3) de ijzerrevolutie; (4) de cavalerierevolutie; en (5) de buskruitrevolutie. Aan deze vijf kunnen worden toegevoegd (6) de industriële revolutie, en (7) de revolutie van het dienstplichtige leger (de Levée en masse van de Franse Revolutie), die beide de schaal van oorlog hebben uitgebreid zowel in omvang als destructiviteit. De eerstgenoemde stond het uitrusten en bewapenen van enorme massalegers toe, de laatstgenoemde verstrekte het menselijke materiaal voor die massalegers, door een op dynastieke successie gebaseerde staatsvorm om te zetten in één die op de soevereiniteit van het volk stoelde. Oorlog werd niet alleen ‘democratisch’maar ook ‘totaal’, alle middelen van een natie absorberend tot aan de grens. Oorlog werd ook ‘gedeprivatiseerd’en werd het exclusieve domein van de staat. De oorlog werd trinitair of ‘drievoudig’ zoals geformuleerd door von Clausewitz, dat wil zeggen, oorlog werd een gemeenschappelijke onderneming van de staat, de burgers en de strijdkrachten.

 

Kaiser (2000) onderscheidde vier era’s in de Europese vroegmoderne geschiedenis: (1) de algemene crisis van de zestiende en zeventiende eeuw; (2) het tijdperk van Louis XIV; (3) de revolutionaire en Napoleontische tijd; en (4) de era van de twee wereldoorlogen.

 

Decat (2003) onderscheidt in zijn relaas van drie millennia oorlogvoering de volgende sleutel- of ‘scharniermomenten’, periodes die de evolutie van het krijgsbedrijf fundamenteel bepaald hebben. Een eerste scharniermoment situeert Decat in het nabije Oosten, rond het begin van het eerste millennium v. Chr. In het twee-stromenland van Tigris en Eufraat stampten de Assyriërs als eersten een militaire bureaucratie (met inbegrip van de logistiek) uit de grond, met eenheden die elk hun eigen specialisatie hadden. Een van de specialisaties was het belegeren van vestingen, het soort oorlogvoering dat vaak een totaalkarakter had omdat de hele burgerbevolking erbij betrokken was. De joodse koningen voerden dan weer oorlog in naam van Jahweh, een prelude tot de ontelbare religieus-ideologische oorlogen die de wereld sindsdien gekend heeft. Mobiliteit kreeg een nieuwe en revolutionaire wending toen de Assyriërs van het paard een strijdmiddel maakten, veel efficiënter dan de strijdwagens van bijvoorbeeld de farao’s. Zonder die ontdekking zouden de Aziatische steppevolkeren – Hunnen, Mongolen en anderen – nooit hun gevreesde stormritten hebben kunnen maken.

 

Een tweede belangrijke etappe is de klassieke Grieks-Romeinse Oudheid, de periode waarin de geregelde veldslag zich ontwikkelde. Ontstaan in het Griekenland van de stadstaten, werd het (infanterie)gevecht met gemotiveerde en getrainde troepen door de Macedoniërs, en meer nog, de Romeinen, verheven tot een dodelijke kunst. Rome’s wereldmacht, die eeuwen standhield, zou trouwens in belangrijke mate geschraagd worden door de kracht van haar wapens. Een groot deel van de militaire erfenis uit de Oudheid leefde verder in de Middeleeuwen. In de eeuwen na de val van het West-Romeinse rijk ontstond er een symbiose tussen het ‘klassieke’ mediterrane krijgsbedrijf en de krijgerscultus van de Germaanse natuurvolken, de nieuwe heersers in het Westen. Het was een scharniermoment in de ontwikkeling van de westerse oorlogvoering en, in extenso, van de wereldgeschiedenis. Aan het einde van de Middeleeuwen maakte Europa – dat eeuwenlang in de schaduw had gestaan van de schitterende Arabisch-islamitische cultuur – zich op om het leidende continent bij uitstek te worden. Dat kwam in belangrijke mate door de efficiency van de westerse oorlogvoering sinds de klassiek Oudheid, die er bovendien een nieuw en beslissend wapen bij kreeg: het buskruit. Die Chinese uitvinding kreeg pas echt betekenis in de periode tussen 1400 en 1600, toen achtereenvolgende landlegers en vloten de kracht van het vuurwapen ten volle leerden benutten. Het was een volgend scharniermoment. In die twee eeuwen zou Europa een technisch overwicht verwerven en een groot deel van de wereld beginnen te koloniseren. China – in de Oudheid en Middeleeuwen een militaire supermacht – volgde dat spoor niet en werd eeuwenlang de speelbal van het imperialistische Westen.

 

Een volgend scharniermoment situeert Decat tussen 1750 en 1850, toen twee revoluties hun stempel drukten op de (voornamelijk westerse) wereld. De revolutie in de geesten – de Verlichting – kneedde ideologieën die de westerse samenleving fundamenteel zouden bepalen. De intellectuele revolutie bouwde voort op het humanisme en het rationalisme, die zelf een belangrijke voedingsbodem vonden in de klassieke Oudheid. Totaal nieuw was de Industriële Revolutie, waarbij machinale arbeid geleidelijk handarbeid – de aan vermoeidheid onderhevige spierkracht van mens en dier – zou vervangen. Beide revoluties ontmoetten elkaar voor het eerst ten tijde van de Franse Revolutie en (vooral) ten tijde van Napoleon, wat resulteerde in bloedige militaire confrontaties. De kruisbestuiving tussen ideologie en techniek zette zich door in de negentiende eeuw en zou uiteindelijk uitmonden in de twee wereldoorlogen van de twintigste eeuw. De beslissende wapens uit die oorlogen waren alle en masse en in fabrieken vervaardigd. Nationalisme tijdens de Eerste Wereldoorlog, communisme, fascisme en democratie in de jaren 1939-1945 hadden een bijzonder mobiliserende kracht en maakten dat miljoenen zich op alle uithoeken van de planeet zouden laten afslachten. Tot die bewuste dag in 1945, toen de wereld met één brutale klap het nucleaire tijdperk binnentrad, het laatste belangrijke scharniermoment in de militaire geschiedenis. Tot zover Decat (2003: 267-269). Sommige lezers zullen in dit summiere betoog het conventionele verhaal herkennen van de Western Way of War, de theorie van, onder anderen, Hanson, Parker en Keegan die de westerse militaire superioriteit geworteld zien in een speciale, dodelijke, westerse traditie van meedogenloze uitroeiingsoorlogen (die zij contrasteren met een Oriëntaalse, ‘indirecte’ en ‘sluwe’, guerrilla-achtige manier van oorlogvoeren). “The West has achieved military dominance in a variety of ways that transcend mere superiority in weapons and has nothing to do with morality or genes. The Western way of war is so lethal precisely because it is so amoral – shackled rarely by concerns of ritual, tradition, religion, or ethics, by anything other than military necessity” (Hanson, 2001). Op deze theorie valt het een en ander af te dingen, zoals ik onlangs heb betoogd (Vrede & Veiligheid, 2, 2006). Een groot aantal krijgs- historici presenteren een lijst van veldslagen die, volgens hen, de loop van de wereldgeschiedenis finaal veranderd of in een bepaalde richting gedwongen hebben (Decisive Battles that Changed the World), ondanks de tegenwerping van Hanson (2001) dat “The idea of studying arbitrary ‘decisive battles’ has fallen into disrepute.” Bekende voorbeelden zijn Sir Edward Creasy’s The Fifteen Decisive Battles of the World (1851), Thomas Knox’s Decisive Battles Since Waterloo (1887),  J.F C. Fuller’s Decisive Battles of the Western World (1954-56), Cyril Falls’ Great Military Battles (1964), en John Colvin’s Decisive Battles (2003). Op deze lijsten vinden we meestal zulke roemruchte veldslagen als Megiddo (c. 1468 v. Chr.), Kadesh (c. 1291 v. Chr.), Marathon (490 v. Chr.), Salamis (480 v. Chr.), Gaugamela/Arbela (331

v. Chr.), Cannae (216 v. Chr.), de Metaurus (207 v. Chr.), Zama (202 v. Chr.), Carrhae (53 v. Chr.), Teutoburgerwoud (AD 9), Châlons (451), Tours (732), Hastings (1066), Hattin (1187), Liegnitz en Mohi (1241), Mohacs (1526), Lepanto (1571), Rocroi (1643), Wenen (1683), Blenheim (1704), Poltawa (1709), Fontenoy (1745), Plassey (1757), Rossbach (1757), Quebec (1759), Bunker Hill (1775), Saratoga (1777), Yorktown (1781), Trafalgar (1805), Jena (1806), Borodino (1812), Waterloo (1815), Balaclava (1854), Bull Run (1861), Vicksburg en Gettysburg (1863), Gravelotte-Saint Privat (1870), Port Arthur (1904), Tannenberg (1914), De Marne (1914), Suvla Baai (1915), Caporetto (1917), Nomonhan (1939), Singapore (1941-42), Midway (1942), Stalingrad (1942), El Alamein (1942), Guadalcanal (1942), Koersk (1943), Saint Lô-Falai-se (1944), de Ardennen (1944), etc.