Deel V

 

De studie van de hedendaagse oorlog

 

Door: J.M.G van der Dennen

Heilige Oorlog

Voor mensen, opgevoed volgens de joods-christelijke traditie, komt het idee van oorlog als instrument van godsdienst niet als een verrassing. In het Oude Testament waren de oorlogen tussen volkeren krachtmetingen waarin de suprematie van hun respectievelijke goden werd bewezen of weerlegd. Daarom werden godsdienstige criteria aangewend om onderscheid te maken tussen diverse soorten oorlog. Bovenaan de hiërarchie kwam de milchemet mitzvah (‘heilige oorlog’). De ‘heilige oorlog’ bestond in twee vormen. Of hij was gericht tegen volkeren door God aangewezen als zijnde Zijn vijanden, zoals de Amalekieten. Anders werd hij gebruikt om een heilig doel te bereiken zoals het bezit van het land Israël. Ook al werd de oorlog gezien als een pure menselijke aangelegenheid, toch vertegenwoordigde hij bij wijze van spreken de eigen wraakzucht van de Heer.

 

Milchemet mitzvah was een oorlog van uitroeiing in de meest volledige betekenis van die term. Israëlieten die eraan deelnamen kregen de strikte verplichting om niemand en niets te sparen. Mannen, vrouwen en kinderen, zelfs niet-menselijke wezens zoals ezels en vee, moesten worden afgemaakt (Van Creveld, 1990).

Het christendom is niet de enige godsdienst met een heilige oorlogs-traditie. Ook de islam heeft zijn bekende ‘jihad’. De pre-moslimse Arabieren en Bedoeïenenstammen roofden dromedarissen of kamelen van elkaar als een soort gevaarlijk spel. Het sociale leven werd daarbij beheerst door de bloedvetes. Mohammed (c.570-632) legde niet alleen de nadruk op de broederschap van alle moslims, maar legde ook de grondslagen voor de ‘jihad’. Uit zijn verklaringen werd afgeleid dat de islam door Allah was bedoeld als de dominante universele wereldideologie (Khadduri, 1955). Een andere onafhankelijke coëxisterende ideologie werd als ondenkbaar beschouwd. Daardoor leek de uitbreiding van een islamitisch rijk een noodzaak. Hoewel na de slag van Poitiers of Tours in 732 een tijdelijke coëxistentie onvermijdelijk werd, was dit toch niet veel meer dan een wapenstilstand. De serie kruistochten die volgden en alle anti-moslimoorlogen (zoals de tot de 19e eeuw nog gevoerde oorlogen tegen de Ottomaanse Turken), vormden de natuurlijke reactie op de agressieve verspreiding ‘met vuur en zwaard’ van de islamitische ideologie (Murty & Bouquet, 1960).

De wereld werd zo verdeeld in de dar-al-Islam of huis van Islam (dar = huis, verblijf of gebied), het huis van vrede, en de dar-al-harb, het huis van oorlog (vijandig gebied).

 

‘Jihad’ zelf betekent ‘inspanning’ (van het werkwoord jahada, zich inspannen). Het is dus de inspanning om het moslim-geloof in de wereld te verbreiden en dominant te maken. Er wordt wel beweerd (Khadduri, 1955) dat de openbaringen van Mekka vooral de nadruk leggen op geloofsverbreiding door overtuiging, terwijl die van Medina meer uitgaan van het idee van strijd. De aanhangers van de islam hebben vier verschillende manieren onderscheiden waardoor de gelovige aan zijn verplichting van ‘jihad’ kan voldoen: door zijn hart, zijn tong, zijn handen en zijn zwaard.

Anno 2006 lijkt ook het sektarisch geweld tussen Sjiïeten en Soennieten, binnen de dar-al-Islam, niet denkbeeldig. Het is overigens een interessante vraag waarom alleen mono-theïstische godsdiensten een ‘heilige oorlog’ met genocidale en terroristische trekken kennen. Een voor de hand liggende verklaring zou kunnen beginnen met de totalitaire pretenties die deze religies kenmerken.

 

Typologieën en taxonomieën van oorlog en oorlogstheorieën

Er zijn vele soorten oorlogen: feo-dale, dynastieke, nationale, civiele, revolutionaire, godsdienstige, ideologische, imperialistische, en antikoloniale oorlogen. Er zijn alliantieoorlogen, lokale en algemene oorlogen, oorlogen by proxy, beperkte oorlogen en totale oorlogen, symmetrische en asymmetrische oorlogen, koude en hete oorlogen, zelfs preventieve en preëmptieve oorlogen. De motieven waarvoor politieke gemeenschappen oorlog voeren veranderen door de tijd heen.

 

Vierhonderd jaar geleden werd Europa verscheurd door een reeks hevige oorlogen over godsdienstige kwesties. De meeste Europeanen zouden vandaag de dag een dergelijke casus belli als ondenkbaar beschouwen. Niettemin kan het mengsel van politieke en godsdienstige kwesties nog venijnig oplaaien zoals in het Ulster-conflict, de burgeroorlog in Libanon, de oorlog tussen Iran en Irak, en de conflicten tussen de Sikhs en de Hindoes, Sri Lanka’s boeddhistische Singhalezen en hindoeïstische Tamils, of onder Serviërs, Kroaten en Moslims in het voormalige Joegoslavië (Dougherty & Pfaltzgraff, 2001).

Verscheidene auteurs hebben orde willen scheppen in de chaos van diverse theorieën van oorzaken van oorlog door die te classificeren volgens één of meerdere basisveronderstellingen of andere theorieën. Sommige classificaties concentreren zich op de factor die als oorzaak van oorlog wordt gezien. Aldus onderscheidde Sorokin (1928) ‘strijd- (struggle) theorieën’ (die oorlog aan een ‘universele wet van strijd’ toeschrijven), ‘instinct- theorieën’(die uitgaan van een of ander instinct zoals ‘vechtlust’ - pugnacity in de terminologie van de psycholoog William James), en andere theorieën die bijzondere factoren benadrukken zoals economische, diplomatieke,  politieke, enz.

Op dezelfde wijze beschreef May (1943) primitieve animistische theorieën, middeleeuwse astrologische theorieën, instincttheorieën, sociale-evolutietheorieën, ‘sociale vitamine’ (functionalistische) theorieën, internationale onevenwichtigheid of ‘machtsevenwicht’-theorieën, machtspolitieke theorieën, economische concurrentietheorieën, en conflictbeslechtingstheorieën, als de belangrijkste antwoorden die op de vraag naar de onderliggende oorzaken van oorlog zijn gegeven.

 

Bernard (1944) citeerde verschillende algemene verklaringen voor oorlog in termen van externe krachten (magische bezetenheid, bevel van de goden, natuurwet en/of natuurlijke catastrofes), de menselijke natuur of aard (intuïtie, instinct, vrije wil, onwetendheid, vooroordeel), het nalaten om de noodzakelijke preventieve maatregelen te treffen, de ‘zondigheid’ van de mens, gewetenloze exploitatie, de ‘duivelstheorie’ en de culture lag- theorie. Dergelijke classificaties zijn wijdverbreid in de literatuur, en bestaan meestal uit de catalogisering van monocausale of ‘monistische’ theorieën, die Timasheff (1965) groepeerde onder de volgende koppen: de fatalistische benadering, de grote/slechte mannen theorie, beslissingstheorie, biologische, psychologische, demografische en economische theorieën, en de morbide-nationale-cultuurtheorie. Een enigszins meer systematische classificatie volgens deze lijnen werd voorgesteld door Waltz (1959). Hij groepeerde de  theorieën naargelang zij de belangrijkste oorzaken van oorlog plaatsten (a) binnen de menselijke natuur,

(b) binnen de structuur van de staat, of (c) binnen het systeem van  staten. Deutsch & Senghaas (1971) stelden een uitgebreide versie van Waltz’ groepering voor die vijf niveaus van analyse onderscheidt waar verschillende theoretici de belangrijkste bron van oorlog plaatsen: (a) het karakter en het functioneren van het internationale systeem als geheel; (b) het karakter van sommige regionale, politieke, of sociale subsystemen van de internationale gemeenschap: (c) de kenmerken van nationale belangen van natiestaten; (d) de speciale belangen van bepaalde relevante nationale subsystemen, zoals sociale klassen, politieke instellingen, of krachtige belangengroepen; en (e) kenmerken, informatie, besluiten, en gedrag van individuen, kleine groepen of commissies. Door Senghaas (1971) werd een extra niveau van analyse toegevoegd: de intrapsychische componenten van individuen. De matrijs van de analyse werd voltooid door een analytische dimensie aan te bieden van tien stappen: 1. de menselijke natuur, 2. belangengroepen, 3. dominante of machtselites, 4. massamedia en de publieke opinie, 5. kenmerken van politiek systeem, overheersende nationale cultuur, en sociaal-economisch systeem, 6. regeringsorganisatie en rol van de bureaucratie in de politieke besluitvorming, 7. nationale strategieën, 8. besluitvormingsprocedures in crisissituaties, 9. determinanten van escalatieprocessen, en 10. Umwelt (het mondiale internationaal systeem).

 

Kende (1971) onderscheidde interne antiregime oorlogen, interne stamoorlogen, en grensoorlogen. Singer & Small (1972) onderscheidden intrasystemische oorlogen (tussen staten), centraal-systemische (machtsoorlogen), en extrasystemische (imperiale en koloniale) oorlogen. Afhankelijk van de politieke status van de oorlogvoerende partijen, classificeerde Levy (1983, 1990) oorlogen waarbij grootmachten aan een of beide zijden betrokken zijn (grote machtsoorlogen) met oorlogen waarbij het merendeel van de grootmachten betrokken zijn (generale oorlogen). Modelski (1978), Rasler & Thompson (1985) en veel andere onderzoekers onderscheidden ‘mondiale of wereldoorlogen’ van alle andere oorlogen tussen staten. Stoll (1980) maakte onderscheid tussen ‘opportuniteitsoorlogen’, die ontstaan uit serieuze geschillen tussen ongelijke partijen, en ‘bedreigingsoorlogen’, die ontstaan uit serieuze geschillen tussen gelijke partijen (Vasquez, 1993).

Quincy Wright (1942; 1965) heeft een typologie van oorlog ontwikkeld die vier categorieën onderscheidt:

(1) de burgeroorlog, die binnen de grenzen van een soevereine natie plaatsvindt; (2) de machtsevenwichtsoorlog, waarin de leden van een statensysteem onderling in oorlog zijn; (3) de verdedigingsoorlog, die gevoerd wordt om het binnendringen van een vreemde cultuur tegen te houden; en (4) de imperiale oorlog, waarin één cultuur of beschaving zich ten koste van een andere probeert uit te breiden. Singer, Small & Kraft (1965), zoals veel andere auteurs, volgden de classificatie van Wright in het onderscheid tussen burger-, koloniale en internationale oorlogen. Luard (1968) verdeelde ‘agressieoorlogen’ in vier categorieën: expansieve oorlogen, irredentistische oorlogen, strategische oorlogen, en dwangoorlogen. Midlarsky (1975) ontwikkelde een classificatie van oorlogen, gebaseerd op een combinatie van de factoren rang, orde en omvang. Bovendien zijn twee variabelen specifiek voor politiek geweld inbegrepen. Dit zijn de intensiteit van geweld in de vorm van het aantal slachtoffers, en duur, als tijdelijke indicator.

 

Tot slot wordt de motivatie van de actoren in acht genomen. Dit resulteert in een typologie van territoriale, regionale, dwang en normatieve oorlogen. Eckhardt & Köhler (1980) stelden de volgende typologie voor: imperiale machtsconflicten, internationale conflicten (symmetrische relaties), imperiale veroveringen, imperiale civiele conflicten, civiele conflicten (asymmetrische relaties). Van Creveld (1991) onderscheidde trinitarische (Clausewitziaanse, politieke) oorlog gevoerd door staten, en niet-trinitarische (niet politieke) oorlog (lage-intensiteitconflicten, guerrillaoorlogen) gevoerd door niet-statelijke actoren (die, zo stelt hij, veel vaker voorkwamen in de menselijke geschiedenis dan interstatelijke oorlogen). Lider (1977) maakte onderscheid tussen oorlogen tussen grootmachten, onder imperialisten, tussen imperialisten en bevrijdingsbewegingen, en tussen Derde-Wereldstaten.

Vasquez (1993) onderscheidde ‘rivaliteitsoorlogen’ (tussen gelijken), en ‘ongelijksheidsoorlogen’ (tussen ongelijke partijen), met de toevoeging van twee dimensies: beperkt-totaal en dyadisch-complex.

Carroll & Flink (1975) presenteerden een tweedimensionale matrijs voor het analyseren van oorzaken van oorlog. Zij stelden dat de meeste theorieën van oorzaken van oorlog gevormd worden door veronderstellingen over: 1.het relatieve belang van een bepaald niveau van analyse; en 2. de mate waarin sociale gebeurtenissen en menselijke acties ‘bepaald’ zijn of ‘onbepaald’ (onderworpen aan vrije wil of kans). Zij onderscheiden - omwille van de eenvoud - slechts drie niveaus van analyse: het statensysteem, het subsysteem, en het individu. De tweede dimensie wordt onderverdeeld in zes posities: 1. Strikt determinisme; 2. Causaliteit (een beperkte vorm van determinisme);

3. Grote voorspelbaarheid (massagedrag voorspelbaar, individueel gedrag niet noodzakelijk zo); 4. Onbepaald (individueel gedrag onvoorspelbaar, massagedrag misschien zo);

5. Beperkte vrije wil; en 6. Het absurde universum (niets bepaald, onbeperkte vrije wil). Wellicht kunt u zich nog de conversatie tussen dr. Chance en professor Fate over Cleopatra’s neus herinneren. Relevant in dit verband is ook het inzicht van David Singer dat: “All social events may be thought of as the outcome of a con-catenation of some deterministic, stochastic, and voluntaristic elements” (1979: 184).

Een classificatie van metatheorieën of ‘benaderingen’, zoals gepresenteerd door Haas (1974), geeft een impressie van het conceptuele materiaal en de omvang en reikwijdte van het huidige onderzoek van oorlog en vrede. Een metatheorie is formeel gedefinieerd als bestaande uit drie componenten; een analytisch referentiekader, een conceptueel schema, en een geïntegreerd corpus van geteste proposities.

 

De typologie die op mijn werk over de oorsprong van de oorlog de meeste invloed heeft gehad is die van Speier (1941). Hij onderscheidde drie soorten oorlogvoering volgens de belangrijkste doelstellingen van de oorlogvoerende partijen en, verwant met dit primaire doel, de perceptie en evaluatie van de vijand of de tegenstander:

(a) Genocidale of absolute oorlog: de primaire doelstelling is de vernietiging van de vijand. De vijand wordt als ongedierte of als de incorporatie van het kwaad (de baarlijke duivel) beschouwd die op alle mogelijke manieren moet worden uitgeroeid.

(b) Instrumentele oorlog: de hoofddoelstelling is de verovering van grondgebied, bezit, grondstoffen, goederen, enz. behorend aan de tegenstander, of een ander doel waarvoor de oorlog bevorderlijk kan zijn. De vijand wordt als hindernis waargenomen die het primaire doel in de weg staat of blokkeert. De vijand moet worden overwonnen, niet noodzakelijk worden geëlimineerd. Statistisch gezien is de instrumentele oorlog het meest voorkomende type.

c) Agonale oorlog: de eer en de glorie van de individuele strijder door middel van moedige en dappere prestaties op het slagveld is de primaire doelstelling. De gehele onderneming is hogelijk gereguleerd en geritualiseerd, zoals bij een duel of een steekspel (zoals ook door Huizinga in zijn Homo Ludens geconstateerd). “De tegenstander wordt waargenomen als waardig antagonist, evenzeer enthousiast om zijn prestige op het slagveld te vestigen. Het gevecht wordt gevoerd onder strikte naleving van regels. Gemeten in termen van vernietiging is een dergelijke strijd hoogst inefficiënt en soms lachwekkend vormelijk en ceremonieel. Maar het agonale gevecht is niet georiënteerd op de vernietiging van de vijand, noch is het gericht op het verwerven van rijkdom of nuttige zaken. Het gaat uitsluitend om de symbolische waarde gehecht aan de overwinning (d.w.z. eer en glorie).”

Deze categorieën van oorlog werden door mij Wars of Carnage, Wars of Coercion, en Wars of Calisthenics genoemd (Van der Dennen, 1995).

Waarschijnlijk is het bekendste onderscheid tussen soorten oorlog Quincy Wright’s (1942) universele taxonomie van sociale, economische, en politieke oorlogvoering. Reflecterend op de genocidale oorlogen van het Oude Testament, beredeneerde ik dat ook de perceptie en evaluatie van de overwonnen vijand een rol speelt in het type oorlog dat wordt gevoerd. Als de overwonnen vijand niet kan worden geïncorporeerd, onderworpen, geëxploiteerd of beroofd, zoals het geval was voor het uitverkoren volk op weg naar het beloofde land, ligt een verdelgingsoorlog voor de hand.

Andere uitgebreide taxonomieën en classificaties van oorlogstheorieën zijn voorgesteld door Gantzel (1972) en Prosterman (1972).

 

Wordt vervolgd