Deel IV

 

De studie van de

hedendaagse oorlog

 

 J.M.G. van der Dennen

The fog of war

De historicus Thucydides betreurde de destructiviteit en letaliteit van oorlog maar accepteerde deze, al was het met tegenzin. Collectieve zelfverdediging kon dan wel nodig zijn maar over een veroverings- of vernietigingsoorlog bleef hij zeer sceptisch. Hij waarschuwde staatsleiders ruim de tijd te nemen vooraleer tot een oorlog te besluiten. Hij registreerde de woorden van een diplomatieke gezant die een koning aanspoorde na te denken over de onvoorspelbaarheid van oorlog alvorens de fatale verplichting aan te gaan. “Hoe langer een oorlog duurt”, schreef hij, “des te meer gebeurtenissen gaan afhangen van toeval en ongelukken...” (en) hoe meer we in het duister tasten wat betreft de afloop".

 

Onlangs betoogde Beyerchen gelijkaardig dat von Clausewitz’ opus magnum “doordrongen is van het idee dat elke oorlog inherent een niet-lineair fenomeen is. Zijn karakter verandert op manieren die niet analytisch kunnen worden voorspeld” (1992: 61). Een dergelijke opvatting wordt ook door Turchin (2005) gedeeld. Het is goed om aan deze duidelijke waarschuwing te herinneren in het huidige tijdperk van wetenschap en geavanceerde militaire technologie (Dougherty & Pfaltgraff, 2001: 197).

Ook Singer (1999: 469) waarschuwt dat de inspanningen van economen en andere liefhebbers van “rationele keuze” modellen ons op een dwaalspoor kunnen brengen. Deze modellen neigen er namelijk toe de voorspelbaarheid van de reacties van de tegenspelers mateloos te overdrijven.

 

Multifactorialiteit van oorlogsoorzaken

“Oorlog heeft politico-technologische, juro-ideologische, socio-religieuze, en psycho-economische oorzaken” stelde Q.Wright (1942) in zijn klassieke studie On War enigszins pretentieus vast. Oorlog is een complex, multidimensioneel sociaal fenomeen en heeft, volgens hem, zoveel bronnen en oorzaken dat geen enkele monocausale theorie zijn aard kan verklaren. We kunnen geen enkele noodzakelijke voorwaarde en geen enkele voldoende voorwaarde vinden; we kunnen slechts proberen om bronnen, factoren en condities te vinden die belangrijk zijn bij het vóórkomen van oorlog. Van zijn kant observeerde Turney-High (1949): “Elke oorlog wordt gevochten om meer dan één motief: onecht of echt, bewust of onbewust”. “Elke theorie over de oorzaken van oorlog in het algemeen of welke oorlog dan ook in het bijzonder, die niet inherent eclectisch is, die niet vanaf het begin rekening houdt met alle soorten van diverse relevante factoren, is daarom vrijwel zeker verkeerd” (Brodie, 1974). Gelijksoortige ‘agnostische’ visies kunnen worden gevonden in de werken van Rapoport en Aron.

 

De laatste jaren zijn vele pogingen gedaan om oorlog in een breder perspectief te plaatsen waarin de Staat niet de enige speler bij de analyse is. Eén benadering is geweest een andere hoofdrolspeler te kiezen, bijvoorbeeld, het systeem (Midlarsky, 1975) of de confrontatie tussen beschavingen (clash of civilizations) (Bozeman, 1976; Huntington, 1996). Een andere methode trachtte een synthese te bereiken door verschillende spelers te combineren: de mensen, de staten en het internationale systeem (Waltz, 1959). Interne oorlogen werden als deel van een synthetisch concept van oorlog gezien (Rosenau, 1969). Geleidelijk groeide het inzicht dat het gedrag van staten in werkelijkheid het gedrag van mensen is die in naam van de Staat handelen. Machthebbers zouden niet de nationale belangen vertegenwoordigen maar eerder de belangen van die groepen wier meningen de besluitvormers als relevant beschouwen. De rol van belangengroepen bij het buitenlands beleid in ontwikkelde landen is voorwerp van blijvende discussies. Drie verschillende groepen zijn genoemd.

De eerste groep is de zogenaamde ‘big business’ die verondersteld wordt van oorlog te profiteren door de hechte banden tussen bedrijfsmagnaten en politieke leiders. De tweede is de wapenindustrie die door zijn direct contact met het militaire establishment een belangrijke lobby vormt. De literatuur over deze “handelaren van de dood” of het “militair-industriële complex” (MIC) - soms uitgebreid tot “militair-industrieël-academisch complex” is vrij uitgebreid. Deze theorie staat ook bekend als de war profiteering-theorie. De derde groep vormen in sommige analyses de diplomaten. Zij hebben mogelijkheden om het buitenlandse beleid te beïnvloeden en men verwacht dat zij de belangen van de heersende klasse zullen verdedigen. Voorts wordt vermoed dat diplomaten soms belang hebben in het creëren van spanningen, crisissen en zelfs oorlog.

 

Toch moet gezegd worden dat sommige auteurs de invloed van belangengroepen ontkennen hoewel deze toch duidelijk van beslissend belang kunnen zijn bij de verklaring van oorlog (Deutsch, 1966). ‘Oorlogsmin-nende’ staten die hun ‘vredelievende’ burgers meesleuren in een internationaal conflict is een terugkerend thema in zowel de liberale als de socialistische theorieën en analyses van oorlog (Frankel, 1977: 545).

 

Asabiya

Een van de meest geslaagde pogingen om de levenscyclus van imperia te verklaren uit de clash of civilizations is Turchin’s War & Peace & War: The Life Cycles of Imperial Nations (2005). Zijn verklaring grijpt terug op het Arabische begrip asabiya (saamhorigheid, interne samenhang en co-operatie, solidariteit) dat al eeuwen geleden door Ibn-Khaldun van Tunis (1332-1406) werd geformuleerd (en later door Spencer, Darwin en Bagehot werd benadrukt).

Turchin tracht aan te tonen dat asabiya alleen kan ontstaan op het snijvlak van twee botsende civilisaties (of in zijn terminologie: metaethnic fault lines), bijvoorbeeld de Romeinen versus de Germanen, de Russen versus de oorspronkelijke Siberiërs, de Chinezen versus de nomadische steppevolken, de christelijke Franken versus de islamitische Saracenen, etc. Maar ook het verlies van asabiya heeft, volgens Turchin, een niet-lineair, cyclisch verloop. Religie (voornamelijk in de vorm van religieus fanatisme) en etnocentrisme (‘Wij’ tegenover ‘Zij’) spelen in zijn theorie een grote rol.

 

Drie filosofieën van oorlog

In een briljante inleiding van de Engelse vertaling Vom Kriege van von Clausewitz, onderscheidt Rapoport (1968) drie filosofische strekkingen van oorlog: de politieke, de eschatologische en de cataclysmische. Von Clausewitz zelf behoort duidelijk tot de politieke (of misschien beter politiek-strategische) filosofie. Rapoport (1968: 63) recapituleert de basisprincipes van von Clausewitz voor internationale relaties:

1. De Staat wordt gezien als een levende entiteit, compleet met bepaalde doelstellingen en begiftigd met intelligentie om te zoeken naar middelen om die doelen te bereiken.

2. De Staat is soeverein, dat wil zeggen erkent geen gezag boven zich.

3. Aangezien alle staten als doelstelling hebben hun eigen macht te verhogen ten koste van die van andere staten, zijn de belangen van staten, behalve in uitzonderlijke situaties, altijd met elkaar in conflict.

4. De conflicten van belangen tussen twee staten worden opgelost door het opleggen van de wil van één staat aan een andere. Daarom is oorlog een normale fase in de relaties tussen staten.

 

Door het karakteriseren van oorlog als een rationeel instrument van nationale belangenbehartiging, dacht von Clausewitz dat hij de ‘ware aard’ van oorlog kon verklaren, ontdaan van niet-essentiële zaken.

 

De eschatologische filosofie van oorlog

De eschatologische filosofie van oorlog bestaat uit vele varianten. Het gemeenschappelijke element is het idee dat de geschiedenis in een ‘defi-nitieve’ of ‘finale’ of ‘ultieme’ oorlog zal uitmonden die leidt tot het ontvouwen van een ‘grand design’ - goddelijk, natuurlijk of menselijk. Twee belangrijke varianten moeten worden onderscheiden. De ene - de Messianistische - variant veronderstelt dat het agentschap bestemd om het ‘grand design’ uit te voeren al bestaat in de vorm van een goed werkende militaire organisatie. De kruistochten en de heilige oorlogen werden bijvoorbeeld gezien als middelen om de toen gekende wereld onder één enkel geloof of één enkele heerser te verenigen. In recentere tijden waren de Amerikaanse doctrine van een Mani-fest Destiny en de nazi-doctrine van de Übermensch uitdrukkingen van een Messianistische filosofie van oorlog. In sommige versies hebben de overwinnaars de missie om een rechtvaardige vrede aan de wereld op te leggen en zo in de toekomst de oorlog te elimineren. Bijvoorbeeld, de meeste Amerikanen geloofden dat hun entree in de Eerste Wereldoorlog (en later in de Tweede Wereldoorlog) de oorlog zou omzetten in de ‘oorlog die alle oorlogen zal beëindigen’ (war to end war).

 

In een andere ‘mondiale’ variant van eschatologische filosofie wordt het agentschap van het ‘design’ verwacht te verrijzen uit de chaos van de ‘laatste oorlog’. In de christelijke eschatologie wordt dit agentschap soms vertegenwoordigd door de krachten die zich rond Christus bij diens Wederkomst zullen verzamelen. In de communistische eschatologie zou het ‘wereldproletariaat’ de imperialistische oorlog in een klassenstrijd moeten omzetten en na de overwinning op de bourgeoisie, een wereldorde vestigen waarin oorlogen niet meer voorkomen (Rapoport, 1968: 15).

 

De cataclysmische filosofie van oorlog

De cataclysmische filosofie ziet oorlog als een catastrofe die ofwel een gedeelte van het mensheid ofwel de volledige menselijke soort treft. De profeten onderschreven bijvoorbeeld deze zienswijze en spraken over oorlog als “een gesel Gods”. De cataclysmische filosofie, net zoals de eschatologische, verschijnt in twee varianten: de etnocentrische en de mondiale. In de etnocentrische versie is oorlog iets dat ons overkomt of meer specifiek iets dat anderen ons dreigen aan te doen. We zien onszelf geen voordeel hebben bij het voeren van een oorlog. Onze eigen verdedigingsmaatregelen zien wij niet als middelen om een doel te bereiken maar enkel als middelen om rampen te voorkomen of de gevolgen te verminderen. In de mondiale versie, anderzijds, is oorlog een catastrofe die de gehele mensheid treft. Niemand wordt verantwoordelijk gehouden voor oorlog en niemand wordt verwacht eraan te verdienen. Een filosofie van oorlog van dit type wordt expliciet genoemd in het laatste hoofdstuk van Tolstoy’s Oorlog en Vrede. Tolstoy schrijft oorlogen toe aan de actie van tot nu toe onbekende historische krachten. Hij verklaart dat de besluiten van vorsten en de manoeuvres van generaals niet relevant zijn voor het uitbreken of de resultaten van oorlog. Tolstoy’s filosofie van de oorlog is de tegenpool van die van von Clausewitz.

 

Een cataclysmische filosofie van oorlog ligt ook ten grondslag aan sommige recente pogingen om wetenschappelijke theorieën van oorlog te formuleren. In dergelijke theorieën wordt de oorlog gewoonlijk beschouwd met betrekking tot bepaalde dynamische eigenschappen van een ‘internationaal systeem’ dat, zoals alle fysieke systemen, soms in een vrij stabiel evenwicht kan bestaan en in andere gevallen kan ‘instorten’ of ‘exploderen’, omdat de spanningen binnen het systeem bepaalde parameters of kritieke grenzen overschrijden (Rapoport, 1968: 16). Menselijke overwegingen, besluiten en gedragingen lijken in deze systemische theorieën geen enkele rol te spelen. Andregg (1999: 9) hernoemde Rapoport’s onderscheid tussen cataclysmische en strategische modellen tot het aardbevingsmodel en het ‘drie groene lichten’ model. Dit laatste is een besluitvormingsmodel: oorlogen zijn geen natuurkrachten als aardbevingen, maar wel bewuste beslissingen van politieke leiders, legers, en ‘mensen in het land’. Hierin herkennen we wederom de trinitarische conceptie van oorlog zoals door von Clausewitz geconcipieerd.

 

Contingentie tegenover historisch determinisme

Casti (1990) presenteert een interessant fictief debat over de oorzaken van oorlog tussen ene dr. Chance en ene professor Fate. De posities die zij aannemen worden respectievelijk geïdentificeerd als Cleopatra’s Nose (oorlogen zijn het gevolg van toevalligheden) en The Wickedness of Hegel (oorlogen zijn historisch gedetermineerd). Zij worden samengevat als volgt:

Cleopatra’s Nose: The event that really shake things up, historically speak-ing, including those responsible for the outbreak of war, are random, inherently chance occurrences…

The Wickedness of Hegel: Big events don’t just ‘happen’. Historical discontinuities like the outbreak of war have causes, and could not have happened differently unless something in the causes had also been different… In short, there are genuine laws of history involving broadly based properties of states like their economic, social, military, and political strength, and it’s to these laws that we must turn in attempting to understands and predict when and where warfare will break out (Casti, 1990: 258; geciteerd in Bremer, 1995: 18-19).

 

De laatste tijd beseffen sommige oorlogsonderzoekers dat ook in de sociale werkelijkheid non-lineaire dynamica (chaos) en toevalligheden (contingenties) een prominentere rol spelen dan voorheen mogelijk werd geacht. Bremer (1995: 18) bijvoorbeeld, betoogde dat oorlogen kunnen ontstaan door de onwaarschijnlijke aaneenschakeling van zwakke krachten in plaats van de werking van een of enkele sterke determinanten.

 

De functies van oorlog

Dawson (1996) onderzocht de controverse over oorsprong en functies van oorlogvoering sinds de Verlichting. Hij besprak de vraag of oorlog wordt veroorzaakt door natuur dan wel door cultuur (de beruchte nature versus nurture controverse). In de literatuur onderscheidt hij vijf posities:

(1) De Hobbesiaanse positie (genoemd naar de filosoof Thomas Hobbes): oorlog is een integraal bestanddeel van de menselijke natuur en is verantwoordelijk voor etnische solidariteit intern en voor het machtsevenwicht extern.

(2) De Rousseauiaanse positie (genoemd naar de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau): oorlog maakt geen deel uit van de menselijke natuur maar is een product of ‘uitvinding’ van staten om de bovenvermelde functies te vervullen.

(3) De Malthusiaanse positie (genoemd naar Darwin’s inspirator Thomas Malthus): oorlog functioneert als een van de ruiters van de Apocalyps en reduceert overbevolking (dit komt in latere functionalistische theorieën terug als oorlog adjusts the man-land ratio).

(4) De Spenceriaanse positie (genoemd naar de evolutiefilosoof Herbert Spencer): een combinatie of synthese van Hobbes en Malthus - oorlog functioneert voornamelijk als katalysator van de menselijke culturele en morele evolutie.

(5) De positie van de culturele antropologie: een extreme versie van Rousseau - oorlog is een dysfunctioneel historisch ongeluk, een niet-intentionele botsing in het interstatelijke verkeer.

 

De westerse manier van oorlog voeren

Een aantal auteurs (Hanson, 1989 et seq.; Keegan, 1993; Parker, 1995) hebben geredeneerd dat het Westen (het ‘Abendland’) een eigen bijzondere, meedogenloze, brute en dodelijke stijl van oorlogvoering heeft ontwikkeld. De westerse manier van oorlog voeren zou al zeer oud zijn. Zij is terug te voeren tot de Griekse phalanx en rust op vijf belangrijke peilers: (1) het primaat van de technologie; (2) het primaat van de discipline;

(3) de continuïteit van de westerse militaire traditie; (4) de dynamiek van uitdagingsactie-reactie; en (5) militaire en maritieme superioriteit (Parker, 1995).

 

Ten eerste hebben de strijdkrachten van het Westen altijd sterk vertrouwd op superieure technologie, veelal om inferieure aantallen te compenseren. Een technologische voorsprong heeft echter zelden op zichzelf volstaan om de overwinning te verzekeren. Zelfs in de twintigste eeuw, is het resultaat van oorlogen minder bepaald door de technologie dan door betere oorlogsplanning, verrassingselement, grotere economische sterkte en vooral superieure discipline door draconische en langdurige drill. Het kritieke element van discipline is de capaciteit van een formatie stand te houden in het zicht van de vijand, zowel bij het aanvallen als bij het verdedigen, dus zonder zich over te geven aan de natuurlijke impulsen van angst en paniek. Herhaalde groepsactiviteiten tijdens de recrutenopleiding - marcheren, exerceren, leren schieten op de schietbaan - hebben als gevolg dat ze groepsbanden (band of brothers) creëren. Het versterken van deze elementen en het verfijnen ervan, is een constante in de militaire theorie. De geschiedenis van Over Militaire Kwesties, een compendium van de Romeinse militaire praktijk, door Flavius Renatus Vegetius rond AD 390 samengesteld, biedt hiervan een opmerkelijk voorbeeld.

 

Zoals von Clausewitz het stelt in zijn ‘Over Oorlog’: “De directe vernietiging van de strijdkrachten van de vijand moet altijd de dominante overweging zijn” omdat “de vernietiging van de strijdkrachten van de vijand het overheersende doel van oorlog is”. Andere theoretici beklemtoonden echter een alternatieve strategie om de totale overwinning te bereiken: de uitputtingsoorlog, waarvan de militaire geschiedenis van het Westen ook vele voorbeelden kent. Delbrück (1900), bijvoorbeeld, onderscheidde al Niederwerfungsstrategie (strategie van onderwerping) en Ermattungs-strategie (strategie van uitputting).

Maar over het algemeen bleef het principale doel van de westerse strategie om, hetzij door een veldslag, een belegering of door uitputting, de totale nederlaag en de totale vernietiging van de vijand te bewerkstelligen. Dit contrasteerde sterk met de militaire praktijken van andere samenlevingen. Veel klassieke schrijvers gaven commentaar op de nietsontziendheid van Griekse hoplieten en Romeinse legionairs. Tijdens de vroeg-moderne periode verwierf het begrip bellum romanum de betekenis van “oorlog zonder genade” (Parker, 1995: 4-5). Het idee van vernietiging van de vijand op het slagveld, uitroeiing zelfs, lijkt een specifiek westers concept in contrast tot het geritualiseerde vechten met nadruk op misleiding en uitputting die buiten Europa gevonden worden (Hanson, 2001).

 

In het universum van Von Clausewitz is de essentie van oorlog het gevecht. Al het andere dat plaats vindt in een oorlog - het vergaren van intelligentie, het plannen, het manoeuvreren, de logistiek - is alleen maar gericht op het eindresultaat: het gevecht en het bloedvergieten (van Creveld, 1991). Vergelijk dit met de ‘grote strategie’ van Sun Tzu. “Alle oorlogvoering is gebaseerd op misleiding”, schreef hij. Een goede generaal wint de oorlog niet door te vechten, maar door het gebruik van listen, trucs, bedrog en zelfs verraad. Maar zelfs als hij moet vechten, “maak lawaai naar het oosten en sla toe in het westen”, adviseert Sun Tzu. We herkennen deze voorschriften tegenwoordig als guerrilla tactieken. Maar de gestage uitbreiding en verspreiding van de westerse militaire macht rustte op veel meer dan alleen de driepoot van technologie, discipline en een agressieve militaire traditie. Ook veel andere militaire culturen (zoals in China en Japan) legden nadruk op technologie en discipline. De leer van Sun Tzu bevatte opvallend vele tactische opstellingen die later door Von Clausewitz en Jomini verder werden ontwikkeld. Het westen verschilde echter hiervan in twee cruciale aspecten: ten eerste zijn unieke capaciteit om militaire praktijken zowel te veranderen als te behouden al naargelang de behoefte en ten tweede zijn kracht om deze veranderingen te financieren. Gebieden met één enkele hegemonische macht zoals Tokugawa Japan of Moghul India, werden met weinig levensbedreigende uitdagingen geconfronteerd en dus veranderde hun militaire traditie niet of nauwelijks. Maar in gebieden betwist door meerdere staten was de behoefte aan militaire innovatie extreem sterk (Parker, 1995: 5-6).

“Wie betaalt en waarom” is even belangrijk in de westerse manier van oorlogvoeren, als “wie vecht en waarom”. De capaciteit om krediet op de lange termijn te verzekeren (het bestaan van een veilige kapitaalmarkt) om overheidsleningen in oorlogstijd te financieren vertegenwoordigt het essentieel ‘geheim wapen’ van het Westen. Het diende ook om te bepalen welke staten zich de ‘westerse manier van oorlogvoeren’ eigen konden maken (Parker, 1995: 8).

Deze ontwikkelingen hadden een grote betekenis omdat ‘export van geweld’ een centrale rol heeft gespeeld in de opkomst van het Westen. Het grootste deel van de afgelopen 2500 jaar ondersteunde en bevorderde de militaire en maritieme superioriteit de westerse expansie, meer dan

superieure hulpbronnen, grotere morele correctheid, commerciële scherpzinnigheid of, tot de negentiende eeuw, de gevorderde economische organisatie deden. Deze militaire voorsprong betekende dat het Westen zelf zelden te lijden had van een succesvolle invasie. Legers vanuit Azië en Afrika marcheerden zelden Europa in. Veel van de uitzonderingen - Xerxes, Hannibal, Atilla, de Arabieren en de Turken - boekten alleen succes op de korte termijn (Parker, 1995: 9).

Het hele idee van de Western way of war berust, mijns inziens, op twee fundamentele misverstanden: (1) dat niet-westerse volken geritualiseerd of anderszins meer ‘humaan’ zouden vechten (vooral gepropageerd door Keegan & Holmes [1985] op totaal verkeerd begrepen gronden); en (2) dat guerrillatactieken minder dodelijk of minder effectief zouden zijn dan de westerse veldslagen. Bovendien hebben de Ottomaanse Turken in Europa eeuwenlang huisgehouden en zelfs Wenen belegerd - hetgeen toch iets anders is dan een korte-termijn succesje. Zie ook Lynn (2003) voor een groot aantal uitzonderingen en tegenvoorbeelden die de theorie van de Western way of war zozeer ondermijnen dat die vrijwel onhoudbaar is.

Wordt vervolgd