20 jaar later

 

De omvang van de kernramp in Tsjernobyl volgens het IAEA

 

Henk van de Keur, stichting Laka

Het afgelopen jaar verscheen een aantal VN-rapporten over de gezondheidseffecten van de kernramp in Tsjernobyl. Eerst van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO): Health Effects of the Chernobyl Accident and Special Health Care Programmes Report of the UN Chernobyl Forum Expert Group "Health", Working Draft August 31, 20051 en vervolgens creëerde het Internationaal Atoomenergie Agentschap (IAEA) op basis van dit rapport en andere rapporten in deze reeks Chernobyl's Legacy: Health, Environmental and Socioeconomic Impacts and Recommendations to the Governments of Belarus, the Russian Federation and Ukraine.2

 

Ofschoon meerdere VN-organisaties hun naam hebben verleend aan het laatstgenoemde rapport is het onmiskenbaar een IAEA-rapport. Het persbericht dat op 5 september 2005 verscheen is daarvan een bevestiging. De boodschap in de media was dat het aantal slachtoffers van de kernramp per saldo erg meeviel. Wederom werpt een  overeenkomst tussen de WHO en het IAEA uit 1959, die onder meer het IAEA toestaat om gegevens over de gezondheidseffecten van ioniserende straling te censureren, een schaduw over onbevooroordeeld wetenschappelijk onderzoek naar de effecten van straling.* Het is in dit verband opmerkelijk dat de meeste journalisten geen vraagtekens zetten bij de ‘vanzelfsprekendheid’ dat het IAEA een coördinerende rol heeft in dit geheel. De titel van het rapport geeft duidelijk aan dat de thema’s die in deze omvangrijke studie aan bod komen thuishoren bij VN-organisaties als de WHO en de VN-milieuorganisatie (UNEP). Zij hebben immers het mandaat om gezondheids- en milieustudies uit te voeren. Het IAEA, dat kernenergie promoot, heeft dat mandaat niet.

 

Kijkend naar de lijst met referenties valt meteen op dat er slechts twee verwijzingen zijn naar WHO-rapporten en dat belangrijke gezondheidsonderzoeken, die voor een groot deel met behulp van het internet zijn te vinden, ontbreken. Tijdens de tweedaagse conferentie in Wenen, waar het rapport werd gepresenteerd, verklaarde het IAEA dat er 4000 doden zijn te verwachten als gevolg van de ramp in Tsjernobyl en dat minder dan 50 doden direct in verband gebracht kunnen worden met de straling die bij de kernramp vrijkwam. De WHO kwam met een eigen rapport waarin wordt gesteld dat het dodental boven de 8000 komt als de lokale bevolking rond de rampreactor erbij wordt betrokken.3 Het IAEA keek niet verder dan de eerste groep liquidatoren die direct na de ramp op de rampplek aan de slag ging met schoonmaakwerkzaamheden.

Waarom uitsluitend gekeken wordt naar het mogelijke aantal doden, meestal veroorzaakt door fatale kankers, blijft onduidelijk. Het rapport maakt melding van toenames van talrijke chronische ziekten, niet-fatale kankers en genetische afwijkingen in de besmette gebieden. Maar al die aandoeningen kunnen volgens de samenstellers van het rapport op geen enkele manier in verband worden gebracht met de straling van Tsjernobyl. Het is natuurlijk onzin om te beweren dat al die toenames van ziektes met de Tsjernobylramp te maken zouden hebben, maar het is ook onzin om op voorhand, zonder daarvoor met wetenschappelijke bewijzen te komen, uit te sluiten dat er aandoeningen zijn die wel verband houden met de straling die bij de kernramp vrijkwam. De geschiedenis van onderzoek naar schildklierkanker in de besmette gebieden is daarvan een hard bewijs. Dankzij onderzoek van de WHO kan het IAEA sinds 1992 de epidemie van schildklieraandoeningen in de besmette gebieden niet langer stilzwijgen.

 

De hoofdauteur van het IAEA-rapport dr. Fred Mettler getuigde in juli 1992 voor een Amerikaanse senaatscommissie onder voorzitterschap van Joseph Lieberman en Alan Simpson, dat zijn agentschap de meest uitgebreide beschikbare studies had uitgevoerd en geen waarneembare toename vond van schildklierkanker onder kinderen. Lieberman zette Mettler hierop onder druk, omdat andere getuigen alarmerende toenames rapporteerden in de Wit-Russische gebieden nabij de rampplek. Maar Mettler bleef vasthouden aan zijn ontkenning. Vijf weken na de hoorzitting spatte de geloofwaardigheid van Mettler en zijn collega-onderzoekers van het IAEA uiteen toen de WHO in samenwerking met het Britse vakblad Nature een gedetailleerde analyse gaf dat een 80-voudige toename liet zien van schildklierkanker, met name onder kinderen in de besmette Wit-Russische dorpen. Rond diezelfde tijd werden ook forse toenames geconstateerd van gevallen van schildklierkanker in de Oekraïne, in de regionale kinderziekenhuizen van Tsjernihiv en Zjytomyr, waar de kinderen uit de meest besmette regio's van de Oekraïne werden behandeld. Als Mettler en zijn collega's ook maar enige interesse hadden getoond in het vergelijken van het aantal gevallen van schildklierkanker van voor en na de kernramp dan hadden ze die gegevens makkelijk kunnen krijgen van de Instituten van Endocrinologie in Minsk en Kiëv.4

 

Men zou denken dat naar aanleiding van deze bevindingen van de WHO Mettler en de zijnen zich een stuk bescheidener zouden gaan opstellen. Een wetenschapper die oprecht geïnteresseerd is in de effecten van ioniserende straling op de volksgezondheid zou kunnen onderzoeken of mogelijk ook andere typen kankers die waargenomen worden in de besmette gebieden verband kunnen houden met blootstelling aan radioactieve deeltjes. Maar helaas blijkt dat niet zo te zijn. In het rapport wordt niets gemeld over serieuze onderzoeken naar andere vormen van kanker en het overgrote deel van de 400.000 liquidatoren, die tot de hoogste risicogroep behoren, wordt zelfs geheel genegeerd. De WHO stelde tijdens de conferentie in Wenen dat uit een studie onder zo’n 76.000 liquidatoren is gebleken dat er tot 1998 216 zijn gestorven.5 Dat is dus een heel ander getal dan 50, dat het IAEA aangeeft als het maximum. Eén van de vele andere studies die in het rapport ontbreken is een Israëlisch-Oekraïense studie uit 2001 dat constateert dat onder kinderen van liquidatoren, die na 1986 zijn geboren, de schade aan chromosomen is verzevenvoudigd in vergelijking met de zuigelingen die voor 1986 werden geboren.6 Zo worden dus ook de gevolgen van de kernramp voor het nageslacht zorgvuldig buiten beschouwing gelaten.

 

Een andere omissie in het rapport, die ik hier niet onvermeld wil laten, is dat niet voor elke radionuclide die bij de kernramp vrijkwam de dosis wordt beschouwd. Zo staat bijvoorbeeld in het UNSCEAR 20007 rapport dat de dosisreconstructie voor blootstelling aan strontium-90 (Sr-90) buiten beschouwing wordt gelaten. Het conceptrapport van de WHO erkent deze omissie. Het UNSCEAR-rapport geeft als excuus dat het strontium niet zo wijd is verspreid als andere isotopen, zoals bijvoorbeeld cesium-137 (Cs-137). De Amerikaanse organisatie NIRS heeft echter aangetoond dat op sommige plekken in Finland Sr-90 (een niet-natuurlijk voorkomend isotoop) na de kernramp in Tsjernobyl met 12% is toegenomen.8

 

Door de kernramp voor te stellen als een onbeduidend voorval in de recente geschiedenis van de mensheid hoopt het IAEA het boek over Tsjernobyl zo snel mogelijk te sluiten. De feiten geven echter aan dat het boek nog lang niet kan worden gesloten. Het is immers een bekend feit dat de latentieperiode voor vele vormen van kanker 20 jaar of meer kan zijn. Naast kanker zijn er bovendien vele andere gezondheidseffecten die nadere studie verdienen. Een lobbyclub voor kernenergie behoort zich daar niet in te mengen.

 

* De IAEA/WHO overeenskomst is vastgelegd in resolutie WHA 12.40. Hierin hebben de twee VN-organisaties afgesproken dat ze elkaar moeten consulteren bij zaken die voor beide belangrijk zijn en dat ze elkaar toestaan om bepaalde informatie geheim te houden in geval vrijgave van die informatie “...de ordelijke behandeling van haar operaties belemmeren.” In werkelijkheid hebben deze organisaties niets met elkaar te maken - de WHO “bevordert en beschermt de gezondheid van alle mensen,” waarbij gezondheid wordt gedefinieerd als “niet alleen de afwezigheid van ziekte of gebrek”. maar “de vreugde van de hoogst bereikbare gezondheidsstandaard.” Terwijl één van de mandaten van het IAEA is “het versnellen en vergroten van de bijdrage van kernenergie aan vrede, gezondheid en welvaart over de gehele wereld.” Dat is niet te rijmen met het mandaat van de WHO. Zie: http://www. nirs.org/mononline/iaeawhoagreement.htm