Privé-bezit en misbruik van vuurwapens aan banden leggen

 

Kleine wapens, veel geweld

in Latijns-Amerika

 

Prof. An Vranckx

Kleine wapens staan in 2006 hoog op de agenda van de internationale gemeenschap.

 

In januari en in de zomermaanden gaan bij het hoofdkwartier van de Verenigde Naties evaluatievergaderingen door over de aanpak die 5 jaar voordien werd voorgesteld in de strijd tegen illegale handel van Small Arms and Light Weapons (kortweg: SALW). Met die Engelstalige term bedoelt men elke soort van conventioneel wapen dat door één persoon kan worden gedragen en bediend, van kleine handwapens tot lichte luchtdoelraketten. In september 2006 stellen de Verenigde Naties SALW mogelijk al opnieuw aan de orde, indien daar effectief een Arms Trade Treaty (ATT) kan worden geagendeerd tijdens de Algemene Vergadering. Zo’n verdrag zou ook de handel in andere (grotere) conventionele wapens betreffen.

In de aanloop naar dat internationaal overleg neemt men al geruime tijd en in meerdere nationale rechtsgebieden initiatieven om het privé-bezit en misbruik van vuurwapens aan banden te leggen. In geen regio lijkt daaraan meer nood dan in Latijns-Amerika. Daar vallen verhoudingsgewijs meer slachtoffers van kleine wapens dan waar ook elders ter wereld.

 

Motieven en cijfers

Er worden in de Amerikaanse hemisfeer geen interstatelijke oorlogen meer uitgevochten. Sinds de millenniumwende worden er in hoogstens nog twee landen situaties aangetroffen die men niet meteen burgeroorlog wil noemen, maar die evenmin met vrede gelijk te stellen zijn: Haïti (waar momenteel een ordehandhavingsmacht van de Verenigde Naties, tot dusver tevergeefs, de gemoederen tot bedaren tracht te brengen) en Colombia. In laatstgenoemd land werden in 2005 nog ruim 20.000 mensen vermoord. Dat zijn er al een stuk minder dan in de daaraan voorafgaande jaren, maar nog steeds een heleboel vuurwapens richtten het leeuwendeel van deze moorden aan. Slechts in een minderheid van de gevallen zijn moordmotieven aan te wijzen die te maken hebben met het Colombiaanse interne conflict, waar aanvankelijk politieke redenen aan konden worden toegeschreven.

 

Het Colombiaanse dodental bedraagt ongeveer de helft van het aantal moorden dat in Brazilië te betreuren viel, een land waar geen sprake is van een gewapend conflict, niet eens van een intern conflict. In 2002 vielen alleen al in de Braziliaanse staat São Paulo 17.622 dodelijke slachtoffers, bijna de helft van het landelijke totaal. Nochtans zijn er wijken van de gelijknamige departementale hoofdstad waar zich nauwelijks dodelijke incidenten voordoen; in andere wijken van dezelfde megastad zijn het er des te meer. De homicide-index - de meeteenheid waarmee het gemiddelde aantal moorden per 100.000 inwoners wordt aangegeven per opgegeven jaar, verbloemt het beeld van het risico dat specifieke groepen er lopen. Significante verschillen worden bemerkt naarmate men de morbiditeit opmeet bij subgroepen, gedefinieerd door een leeftijdscategorie, geslacht of het socio-economische profiel van een stadswijk. Zo liepen Colombiaanse vrouwen aldoor tien keer minder kans te worden gedood dan het risico dat mannen er liepen en nog steeds lopen.II De Colombiaanse mannelijke homicide-index stond in het kalenderjaar 2000 op 116. In Brazilië vielen dat jaar gemiddeld 52/100.000 mannelijke slachtoffers, in Venezuela waren het er 57/100.000 en in El Salvador 61/100.000.III Als mannelijke slachtofferaantallen naar leeftijdsgroepen worden gesubrubriceerd, loopt de groep van 15 tot 39 jaar het grootste gevaar. In arme Braziliaanse stadswijken (favelas) loopt dat cijfer tot ruim boven de 100/100.000, voornamelijk onder leden van rivaliserende bendes. De meest risicovolle hoofdsteden van Latijns-Amerika, niet alleen om vermoord te worden maar zeker ook om te worden beroofd, zijn tegenwoordig Port-Au-Prince (Haïti), San Salvador (El Salvador) en Caracas (Venezuela). In laatstgenoemde stad vielen in 2004 liefst 113 dodelijke slachtoffers per 100.000 inwoners, mannen en vrouwen zijn samengeteld in deze statistiek. In de hoofdstad van het notoire conflictland, Colombia, vielen in 2004 ‘slechts’ 17 doden per 100.000, dat zijn er naar verhouding 9 keer minder dan in Caracas. Het Colombiaanse Cali is door de band even onveilig als de Braziliaanse steden Rio, Sao Paulo en Recife, met een geslachtsneutrale homicide-index van net geen 50/100.000.

 

Een overvloed aan kleine wapens?

De onduidelijkheid over motieven voor het dodelijke geweld hoeft niet tot het vermoeden te voeren dat mensen (en dan vooral: mannen) ‘eenvoudigweg’ op elkaar schieten zonder gegronde redenen, ‘in een context waarin wapens in grote getale circuleren, en weinig regulering het vuurwapengebruik aan banden legt’. Het aantal vuurwapens dat in Latijns-Amerika circuleert, wordt relatief laag geraamd. Wanneer dat aantal wordt uitgedrukt per hoofd van de bevolking, is de regio zelfs bij de minst bewapende ter wereld, met gemiddeld 8-16 wapens op 100 inwoners.IV In de Verenigde Staten bezitten gemiddeld ruim 86 op 100 inwoners een vuurwapen. Het aantal moorden dat daarmee wordt begaan, vertoont grote regionale verschillen.V Meer specifieke gegevens over de periode 2002-2003 worden het tabel hiernaast gezet, deels overgenomen van Small Arms Survey 2004.

 

Het relatief kleine aantal vuurwapens in Latijns-Amerika leent zich daar wel tot bijzonder dodelijk gebruik. Van acties ter vermindering van het al geringe aantal vuurwapens in de regio, verwachtten dan ook velen een scherpe daling van het aantal moorden. Welke maatregelen worden daartoe al ondernomen? Weinige landen in Latijns-Amerika hebben een permissief klimaat ten aanzien van vuurwapenbezit. Wapens en bijhorende munitie kunnen er niet in de supermarkt worden aangeschaft. Het verwerven van een wapen is in Latijns-Amerika geen sinecure, indien men dat legaal probeert te doen en een vergunning aanvraagt. De aanschaf is naar verluidt eenvoudiger in illegale circuits, waar alles te koop is waarvoor men voldoende wil betalen.

Aan die informele verkoop- en bezitcircuits trachtten overheden wapens te onttrekken. In ondermeer Brazilië en Colombia werden daartoe ‘terugkoop campagnes’ opgezet: bezitters van niet-vergunde wapens kunnen die inleveren bij een overheidsdienst, een specifieke niet-gouvernementele organisatie of een kerkelijke instantie. De inleveraar worden geen vragen gesteld; hij of zij wordt impliciet voor dat eventueel illegale wapenbezit amnestie verleend, en vaak stelt de ontvangende overheid er een ‘terugkoopsom’ tegenover.VI NGO’s en kerkinstanties voeren aanmoedigingscampagnes, opdat deze initiatieven ook weerklank kennen in de wijken die moeilijk door overheden worden bereikt, én waar vuurwapengeweld endemische proporties aanneemt. De Braziliaanse campagne had halverwege het kalenderjaar 2005 al meer dan een half miljoen illegaal circulerende kleine wapens doen inleveren.VII  

 

Wetgevende initiatieven

Het koninginnestukje van de initiatieven om het Braziliaanse vuurwapengeweld aan banden te leggen herkende men in het Ontwapeningsstatuut, dat in 2003 door de Braziliaanse wetgevers werd gecreëerd. Het statuut voorzag, weliswaar met uitzonderingsclausules, alle verkoop en privé-bezit van vuurwapens te verbieden. Ook eerzame burgers zouden het recht verliezen om zich legaal in het bezit te stellen van een zelfverdedigingswapen. Veel Braziliaanse moorden worden immers gepleegd met wapens die werden gestolen van eerzame burgers die deze wapens zelf legaal aankochten en blijkbaar niet in de veiligheid van het eigen huis opgeborgen hielden. Na heling in een zwart circuit worden deze wapens in crimineel gebruik genomen.

 

Het Braziliaanse Ontwapeningsstatuut trachtte álle burgers te ontwapenen, ten voordele van het herstel van het monopolie op het legitiem uitoefenen van geweld door reguliere ordediensten in het land. In ditzelfde Statuut werd geschreven dat het pas in werking kon treden na consultatie van de Braziliaanse bevolking per referendum, dat op 23 oktober 2005 werd belegd. In de aanloop naar dat referendum ontplooide de Braziliaanse burgermaatschappij een nooit eerder geziene activiteit. Ze trachtte een breed spectrum van burgers tot doordacht stemgedrag aan te zetten. In deze beweging militeerden zowel plaatselijke groepen ‘moeders van vermoorde kinderen’, als gevestigde NGO’s zoals ‘Viva Rio’, vakbonden, kerkorganisaties, kunstenaarscollectieven en vredesbewegingen, maar ook prominente politieke figuren. Een meerderheid van die politici sprak zich publiek uit voor een krachtig ja op de vraag van het referendum en dan tegen het privé-bezit van vuurwapens. Een ander deel van de Braziliaanse samenleving toonde zich voorstander van het recht om wapens te mogen bezitten. Die visie werd ondersteund door groeperingen die dergelijk recht als sacrosant zien, én door een kapitaalkrachtige lobby van vuurwapenproducenten en -handelaars. Het resultaat van het referendum ontnuchterde de Braziliaanse beweging die krachtig voor een algehele ontwapening had geijverd: een ruime meerderheid van de Braziliaanse bevolking stemde bij referendum het Ontwapeningsstatuut weg. Opgemerkt werd dat percentueel het hoogste aantal stemmen tégen het ontwapeningsvoorstel werden uitgebracht in de Zuidelijke Braziliaanse staat Rio Grande do Sul, waar relatief weinig moorden gebeuren, aanzienlijke welvaart voorhanden is én ook de meest actieve producenten van kleine wapens vestigingen hebben (en werkgelegenheid verschaffen). Brazilië sprak hiermee een krachtig ongeloof uit in de verwachting dat de reguliere veiligheidsdiensten van de staat bij machte zijn om alle anderen in die staat te ontraden geweld tegen burgers te gebruiken. Het per Ontwapeningstatuut (her)decreteren dat het monopolie op het geweld aan de staat moet worden toevertrouwd, blijkt geen werkbare vorm indien de burger al te veel redenen behoudt om eraan te twijfelen dat de staat dit vertrouwen verdient. Overtuigende ingrepen blijven uit om kansarme favela-jongeren een alternatief te geven voor een loopbaan bij een gewapende bende. In dergelijke context werd er niet aan getwijfeld dat vuurwapens in problematisch gebruik zouden blijven ook als deze niet langer legaal konden worden aangekocht in eigen land. De zwarte markt blijft goed voorzien van wapens die gefabriceerd of doorgevoerd werden door de buurlanden, of die in eigen land werden geroofd van eerzame burgers dan wel reguliere ordehandhavers.

 

Beter nieuws komt, voor velen onverwacht, uit Colombia, waar men dan ook ‘van bijzonder ver komt’. Het negatieve nationale referendum van Brazilië schrikt de Colombianen niet af om lokale referenda te beleggen over een meer restrictief kader voor vuurwapenbezit in middelgrote steden die tegen hoge moordcijfers aankijken, zoals Pereira. De Colombiaanse landelijke gemiddelden van slachtofferaantallen gaan al voor het vierde jaar op rij in een meer heilzame richting, en meer dan 25.000 soldaten van niet-statelijke privaatlegers leverden hun wapens in. Het tij lijkt er dan wel te keren, maar nog lang niet alle kleine wapens zijn uit de problematische circulatie.