Verdediging van onze persvrijheid door uitdagen moslimgelovigen?

 

Botsing van principes

 

Jef de Loof

Perceptie van het probleem

Als westerlingen kunnen we moeilijk begrijpen dat bespottende afbeeldingen bij de moslims zo een zware reactie teweegbrengen. Wij denken dat die gevoeligheid het gevolg is van een primitief beleven van een religie. Terwijl we maar even achter of rondom ons moeten kijken om te beseffen hoe wij ons tot voor korte tijd opstelden tegenover andersdenkenden, tegenover 'ongelovigen', de ‘goddelozen‘ zoals we hen noemden. Je moet niet teruggaan tot de vorige eeuwen toen we die goddelozen ongenadig vervolgden, folterden en doodden. Ook nu nog zijn er ultraconservatieve Amerikaanse katholieken die mensen vermoorden, die in Oklahoma zelfs een heel gebouw opbliezen, omdat ze een andere mening hadden in verband met abortus. Op eigen borst slaan en er voor zorgen dat de moslims meer mogelijkheden krijgen om verder te evolueren, zou beter zijn. En wat is dan de reactie van de moslims? Jullie krenken ons ongelooflijk en doen vrijwillig datgene wat ons meest kwetst. Waarom?

 

Omwille van een in jullie regionen niet meer aangevochten principe van de absolute vrijheid van meningsuiting en van pers. Omwille van iets dat wij in jullie situatie van gerealiseerde persvrijheid nog minder acceptabel vinden dan jullie onbegrip in verband met onze afkeer voor het in beeld brengen en bespotten van het gelaat van Mohammed.

 

Botsing van principes

In deze confrontatie gaat het niet om het gelijk hebben, om de absolute voorrang van een eigen principe.

Het is een feit dat de vrijheid van meningsuiting voor ons zeer belangrijk is in het licht van onze geschiedenis. En dat we de grenzen hiervan mogen uittesten. We beseffen immers wel dat dit principe grenzen heeft en ondermeer opruiende oorlogstaal, valse beschuldigingen niet mogen. Maar we kunnen ook vinden dat er andere grenzen zijn waarmee we theoretisch niet verplicht zijn rekening te houden, maar die we onszelf stellen uit respect, vanuit het invoelen in de situatie van de andere. Als iemand een echt lelijk voorkomen heeft, misvormd is, dan mogen we dat zeggen en schrijven, maar zullen we het meestal niet doen, zeker niet als het om een kwetsbare persoon gaat die heel veel belang hecht aan zijn uiterlijk voorkomen.

 

Hier gaat het om de botsing tussen een fundamenteel principe waarvoor lang gevochten is en dat we zeker willen handhaven en anderzijds een niet verplicht gevoel van empathie en respect. Tussen van de ene kant het eenzijdig provocatief uittesten van ons recht op vrije meningsuiting, een eigenlijk onnodig uitdagen. En anderzijds het aanvoelen hoe bepaalde aspecten van een religie buitengewoon belangrijk zijn voor gelovigen, terwijl het ‘vrijwillig‘ respecteren van die gevoeligheid voor ons geen probleem kan zijn en onze persvrijheid niet in gevaar brengt. Eigenlijk zouden we moeten zeggen: “Bij ons is de persvrijheid zo groot dat we zoiets zouden kunnen publiceren, maar uit respect, om jullie zeer sterke gevoeligheid op dat punt niet te krenken, doen we het niet.”

 

Iedereen blijft verantwoordelijk voor zijn daden

Een derde principe waarmee altijd rekening moet worden gehouden is het feit dat iedereen de verantwoordelijkheid draagt voor zijn daden. Principes en rechten botsen onvermijdelijk. Wie binnen een relatie, in een gezin, in zijn omgeving, tegenover andere gemeenschappen, volkeren en landen in alle omstandigheden al zijn rechten onmiddellijk en tot op het bot opeist, creëert onvermijdelijk een oorlogssituatie, op zijn minst een grimmige maatschappij.

 

Je kunt je natuurlijk vergissen in de gevoeligheid en reactie van anderen tegenover jouw opstelling. Maar wie zoals die Italiaanse minister, wel wetend hoe de reactie zou zijn, zo grof provoceert door het dragen en uitdagend tonen van een shirt met een spotprent van Mohammed, gaat de grenzen te buiten en zou verantwoordelijk moeten gesteld worden voor de bij voorbaat te voorziene zware gevolgen van zijn optreden.

 

Besluit

Ik meen dat deze onnodige uitdaging vanwege het Westen echt niet nodig en zelfs te verwerpen was. Onze vrijheid van meningsuiting is er niet door gebaat. Anderzijds is onze relatie met de islamitische landen, misschien het belangrijkste wereldprobleem voor het ogenblik, er zeker door verzuurd. De inspanning van vele mensen die een betere samenwerking zoeken werd er voor een groot deel door tenietgedaan. Dat er reactie zou komen was te verwachten en te begrijpen. Deze was echter buiten alle proporties. Ongetwijfeld hebben fundamentalistische leiders, imams en extremistische jongeren van de gelegenheid misbruik gemaakt om mensen tot geweld aan te zetten. Religie kun je gemakkelijk gebruiken om een bevolking op te hitsen en anderzijds hebben vooral de Arabische moslims niet veel nodig om te exploderen omwille van andere, meer gewettigde redenen. We begrijpen dat ze op de tippen van de tenen staan. Persvrijheid is zeker enorm belangrijk. Maar zou het niet heel wat belangrijker en effectiever zijn ons verzet tegen de beknotting van de vrije meningsuiting te richten tegen de veel subtielere inbreuken op de persvrijheid die nog altijd bij ons voorkomen, onder andere door zwijgplicht, door politieke of financieel-economische druk?

Of laat ons eens wat meer reageren op een aantal afwijkende, niet aan de islam maar aan plaatselijke tradities gebonden gewoontes, die schadelijk en onterend zijn voor de mens, zoals het seksueel verminken, het stenigen en verstoten van de vrouw. Zaken waartegen ook moslimvrouwen zich verzetten.

 

Bovendien, wat meer empathie zou onze wereld veel vreedzamer maken.