Deel III

De studie van de hedendaagse oorlog

 

J.M.G. van der Dennen

Kwantitatieve criteria in de definitie van oorlog

Als wij moeten oordelen dat de oorlog eenvoudigweg een vorm van politieke betrekkingen is, hoe weten wij dan wanneer de lijn die niet-gewelddadig conflict van gewelddadig conflict scheidt betekenisvol overschreden is? Een interessante poging om de drempel kwantitatief vast te stellen werd ondernomen door Richardson (1960) die probeerde om alle “dodelijke ruzies” (deadly quarrels) op een continuüm van gewelddadige conflicten te rangschikken, lopend van één dode (een moord) tot tientallen miljoenen doden (Eerste en Tweede Wereldoorlog). De drempel van oorlog werd overschreden bij het bereiken van 1000 (= 10 tot de derde macht) of meer doden. Singer & Small (1972) en Deutsch & Senghaas (1973) stelden voor om het over ‘oorlog’ te hebben als het voldeed aan de volgende drie criteria:

(1) Grootte: het resulteert in minstens 1000 doden op het slagveld (niet meegeteld de indirecte slachtoffers door hongersnood, gebrek aan onderdak en ziekten).

(2) Voorbereiding: het is van tevoren voorbereid, en/of wordt onderhouden door grootschalige sociale organisaties door middelen als rekrutering, training en opstelling van troepen; de aanschaf, opslag en distributie van wapens en munitie, en (3) Legitimatie: het wordt gewettigd door een opgezette regeringsorganisatie, zodat de moord op grote schaal niet als misdaad maar als plicht wordt gezien. Naar voorbeeld van Richardson, Singer & Small, en Levy, onder anderen, definieert Eckhardt (1989, 1992) oorlog als “elk gewapend conflict, waar een of meer overheden bij betrokken zijn, en dat duizend of meer slachtoffers per jaar kost”. Doden houden zowel burgers als militaire slachtoffers in, en ook de doden die indirect vielen ten gevolge van hongersnood of epidemieën en ziekten, en oorlogsgerelateerde slachtingen. “Oorlog lijkt in het algemeen alleen de grote conflicten in te houden, gewoonlijk tellen de conflicten waarin minder dan 50.000 strijdkrachten meedoen niet mee” (Frankel, 1977).

 

Oorlog: rationeel, irrationeel, of beide?

Sommige onderzoekers van oorlog hebben de nadruk gelegd op het irrationele (pathologische zelfs) van oorlog. “(T)he emptiness of reasons men verbalize for war suggests that war does not rest on any rationale” (Wells, 1967). “After all, if people didn’t like to fight”, besluit dezelfde auteur, “there are no good reasons why they should do so much of it”.

Andere onderzoekers hebben de nadruk gelegd op de rationaliteit van oorlog, in ieder geval in de zin van ‘korte termijn’ of ‘begrensde’ of ‘bijziende’ rationaliteit: “De conflicten tussen staten die gewoonlijk tot oorlog leiden zijn normaal ontstaan, niet vanwege irrationele of emotionele drijfveren, maar uit een bijna super-overvloed van analytische rationaliteit... in het algemeen hebben de mensen tijdens de afgelopen tweehonderd jaar gevochten noch omdat zij agressief zijn noch omdat zij hebzuchtige dieren zijn, maar omdat zij degenen zijn die redeneren: omdat zij onderscheiden of geloven dat zij kunnen onderscheiden wat gevaren zijn alvorens die direct worden, en de mogelijkheid van bedreigingen alvorens die worden gemaakt” (Howard, 1983). Fromm gebruikte eenzelfde redenering om menselijke agressie-in-het-algemeen te verklaren. “Het internationale conflictgedrag is niet een spasmodische, doelloze, reactieve afstraffing van vijandige leiders, gericht op het eenvoudigweg kwetsen of het vernietigen van elkaar. Geweld is niet noodzakelijkerwijze stupide of irrationeel. Oorlog is niet per definitie pathologisch of gestoord. Conflictgedrag is meestal berekend om te dwingen, overreden of te onderhandelen met de wil van de ander. Of om het door strijdkracht te overwinnen” (Rummel, 1979). Politieke wetenschappers en andere macrotheoretici vragen aandacht voor het feit dat, voor zover er historische evidentie is, de initiatie van oorlog een zaak is van bewuste, opzettelijke keuze, niet van een besluiteloze, accidentele ‘uitbraak’ (bijv., Abel, 1941).

 

Ook Nettleschip et al. (1975) bekritiseerde het idee van oorlog als een pathologisch fenomeen: “In de meeste omstandigheden tot recenter tijden lijkt het in plaats daarvan dat oorlog positief adaptief was, aan de voortdurende existentie bijdroeg, en eveneens aan de overheersing van strijdende groepen over vreedzame groepen. Ongeacht hoe onplezierig oorlog is voor de verliezers en de doden, is het moeilijk om de conceptie van oorlog als een sociale ziekte of een vorm van pathologisch denken binnen of tussen participerende culturen vol te houden”.

 

Weer andere onderzoekers, zoals Von Clausewitz, hebben erop gewezen dat de oorlog rationele, irrationele, evenals non-rationele aspecten kan hebben: “Als totaal-fenomeen maken zijn dominante tendensen oorlog altijd tot een opmerkelijke drie-eenheid - samengesteld uit fundamenteel geweld, haat en vijandschap, welke als blinde natuurlijke kracht moeten worden beschouwd; van het spel van kans en waarschijnlijkheid, waarin de creatieve geest vrij is te zweven; en van zijn element van ondergeschiktheid, als een instrument van beleid, dat het alleen van de rede afhankelijk maakt. Het eerste van deze aspecten betreft hoofdzakelijk het volk; het tweede, de bevelhebber en zijn leger; het derde, de overheid... Deze drie tendensen zijn als verschillende codes van wet, diep geworteld in hun onderwerp en toch variabel in relatie tot elkaar. Een theorie die een van hen negeert of tot doel heeft om een willekeurig verband tussen hen te aan te brengen zou strijdig zijn met de werkelijkheid zodanig dat om deze reden alleen de theorie totaal nutteloos zou zijn”. Deze uitspraak van Von Clausewitz wordt ook wel de ‘trinitarische’ conceptie van oorlog genoemd.

 

“Oorlog’s unieke aard bestaat precies uit het volgende: het is altijd de enige creatieve activiteit geweest, en is dat ook gebleven, die de ongeremde toewijding van alle mannelijke faculteiten tegen een tegenstander zo sterk als hijzelf zowel toestaat als eist. Dit verklaart waarom, door de geschiedenis heen, oorlog vaak is beschouwd als ultieme test van iemands vaardigheden, of, om te spreken met de terminologie van vroeger tijden, het oordeel van God” (Van Creveld, 1991).

 

De veranderingen in het internationale systeem weerspiegelend hebben de theorieën van oorlog in de loop van de afgelopen drie eeuwen verscheidene fasen doorlopen. Na het einde van de godsdienstoorlogen, ongeveer het midden van de 17de eeuw, werden de oorlogen gevoerd voor de dynastieke belangen van individuele soevereinen en waren beperkt in zowel hun doelstellingen als in hun omvang. De kunst van manoeuvre werd beslissend, en de analyse van oorlog werd dienovereenkomstig gevat in termen van strategieën. De situatie veranderde fundamenteel met het uitbreken van de Franse revolutie, die de grootte van strijdkrachten van kleine beroeps- tot grote dienstplichtigen-legers verhoogde (door de levée en masse) en de doelstellingen van oorlog verbreedde tot de idealen van de Revolutie, idealen die de grote dienstplichtige massa aanspraken. In de relatieve orde van post-Napoleontisch Europa kwam de heersende theoretische stroming terug op het idee van oorlog als rationeel, beperkt instrument van nationaal beleid. Deze benadering werd het best gearticuleerd door von Clausewitz in zijn klassieker Vom Kriege (1832).

De Eerste Wereldoorlog, die ‘totaal’ van karakter was omdat hij resulteerde in de mobilisering van volledige bevolkingen en economieën voor een lange tijdspanne, paste niet in het patroon van beperkt conflict van Von Clausewitz, en leidde tot een vernieuwing van andere theorieën. Deze beschouwden oorlog niet meer als rationeel instrument van staatsbeleid. Zoals in de godsdienstoorlogen van de 17de eeuw, wordt oorlog weer deel van “grand designs”, zoals de opkomst van het proletariaat in communistische eschatologie of de Nazi doctrine van een Herrenvolk. Sommige theoretici zijn echter nog verder gegaan, en ontkennen elk rationeel karakter aan oorlog. Voor hen is oorlog een calamiteit en een sociale ramp, of men nu twee naties beschouwd of de mensheid in zijn geheel. Het idee is niet nieuw - het werd bijvoorbeeld al in de nadagen van de Napoleontische oorlogen gearticuleerd door Tolstoy in het afsluitende hoofdstuk van zijn Oorlog en Vrede (Frankel, 1977).

 

Bobbitt’s (2002) conceptie van de “langdurige oorlog” (epochal war)

Vele geschiedschrijvers (bijv. Taylor, 1961) beschouwen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog niet als twee afzonderlijke oorlogen maar als één oorlog onderbroken door een tijdelijke pseudo-vrede. Hetzelfde geldt voor de Peloponnesische oorlogen (Thucydides), de Punische oorlogen, de kruistochten, de Dertigjarige oorlog, de oorlogen van de Franse Revolutie en de Napoleontische oorlogen, enzovoort. Eenzelfde gedachtegang ligt ten grondslag aan Bobbitt’s (2002) conceptie van de “langdurige oorlog” (epochal war). Volgens hem kunnen dergelijke “langdurige oorlogen” worden onderscheiden van andere soorten oorlog niet alleen door hun langdurigheid (die dikwijls vele en eveneens langdurige perioden van pseudo-vrede of staakt-het-vuren kan impliceren), maar meer nog door hun constitutionele betekenis en legitimiteit, d.w.z. door de politieke problemen, bijv. staatsvormen, die er pas op het allerlaatst mee worden opgelost.

 

Elke oorlog die geen oplossing biedt voor een specifiek politiek probleem bergt de kiem voor een volgende oorlog in zich, enzovoort, net zolang tot het probleem daadwerkelijk is opgelost. Zo ziet Bobbitt de Eerste en Tweede Wereldoorlog, de Koreaanse oorlog, de Vietnam oorlog, de Russische revolutie, de Spaanse burgeroorlog en de Koude Oorlog als één “langdurige oorlog” die uitgevochten werd om te bepalen welke staatsvorm zou prevaleren in de wereld: het fascisme/nazisme, het communisme, of de parlementaire democratie. Vanaf 1494 onderscheidt Bobbitt zes van zulke langdurige conflicten