Deel II

 

De studie van de

hedendaagse oorlog

 

 

Door J.M.G. van der Dennen

 

 

Oorlog als dispositie

Een aantal antropologen en anderen die oorlog bestuderen maken onderscheid tussen ‘oorlog’ en ‘oorlogsvoering’. Terwijl oorlogsvoering specifiek refereert aan het proces of de activiteit van strijd, verwijst oorlog meer naar het instituut (bijv. Nettleship, 1975) of het gehele systeem, niet alleen militair, waardoor de vijandelijkheden in stand worden gehouden (bijv. Winthrop, 1991). Veel van de ‘aard van oorlog’ wordt niet gevonden op het slagveld, maar in het vijandige gedrag en houding die het buitenlandse beleid van een staat kenmerken. Q. Wright (1942) vraagt aandacht voor de discussie over dit psychologische aspect van oorlog in Hobbes’ Leviathan (1651), waar de schommelingen van oorlog en vrede worden vergeleken met het weer: “As the nature of foul weather lieth not in a shower or two of rain, but in an inclination thereto of many days together; so the nature of war consisteth not in actual fighting, but in the known disposition thereto during all the time there is no assurance to the contrary”.

“Elk up-to-date woordenboek” schreef William James (1910) “zou moeten stellen dat ‘vrede’en ‘oorlog’ dezelfde betekenis hebben, nu in posse, dan in actu”. Men kan redelijkerwijs zelfs stellen dat de intens competitieve voorbereiding op oorlog door de staat de echte oorlog is, permanent en onophoudelijk. Fuller (1932) vecht dat aan, hij beschouwt de visie op vrede en oorlog als twee verschillende sequenties van activiteiten als een “manicheïsche illusie”, en hij is van mening dat de fundamentele oorzaak van oorlog onvrede met de huidige staat van vrede is. Algemeen gesteld, het verlangen naar gerechte vrede is de belangrijkste motivatie voor oorlog. Iedereen wil vrede, maar dan wel op ieders eigen voorwaarden.

 

Oorlog als bipolair continuüm

Vele politieke realisten wijzen erop dat de gemeenschappelijke basis van beleid in zowel vrede als oorlog, namelijk de zoektocht naar macht, ze tot twee onafscheidelijke onderdelen maakt van dezelfde sociale activiteit. Blainey (1973) oppert dat de oorzaken van oorlog en vrede in elkaar ‘zwaluwstaarten’: “Oorlog en vrede zijn geen afzonderlijke compartimenten. Vrede is afhankelijk van dreigingen en macht/kracht/geweld; vaak is vrede de kristallisatie van gebruikt geweld”. Of duidelijker geformuleerd: “In een systeem van machtspolitiek is er geen verschil in soort tussen vrede en oorlog” (Schwartzen-berger, 1950). Op dezelfde manier heeft Aron (1966) beargumenteerd dat ‘Clausewitz’ formule – oorlog is een voortzetting van de politiek op een andere manier – moet worden vervangen door het tegengestelde: politiek is de voortzetting van de oorlog op een andere manier. Maar deze twee formules zijn formeel gelijkwaardig. Beide noemen de continuïteit van competitie en het gebruik van afwisselend gewelddadige en niet gewelddadige middelen om de doelstelling te bereiken die niet veel verschillen in essentie.

“Oorlog is een manier om een doelstelling te bereiken, een wapen dat kan worden gebruikt voor zowel goede als slechte doeleinden. Sommige van deze doeleinden waarvoor de oorlog is gebruikt zijn goedgekeurd door het mensdom als lonend doeleinden: inderdaad, oorlog vervult functies die in elke menselijke maatschappij essentieel zijn. Het is gebruikt om geschillen te regelen, rechten te bevestigen, om fouten te verhelpen: en dit zijn zeker functies die moeten worden vervuld. Men kan zeggen, zonder overdrijving, dat er geen dommere, brutere, verkwistendere of oneerlijkere methode kan worden voorgesteld voor zulke doeleinden, maar dit veranderd niets aan de situatie” (Eagleton, 1948).

Deze formuleringen doen denken aan Ambrose Bierce’s sardonische definitie van ‘vrede’ als “a period of

cheating between two periods of fighting” (Devil’s Dictionary), of Orwell’s beroemde uitspraak in zijn 1984 “Vrede is Oorlog”.

 

Oorlog en vrede als verschillende condities

Diametraal tegenovergesteld aan het gezichtspunt van vrede en oorlog als bipolair continuüm is de visie of het idee dat er een scherpe en duidelijke grens bestaat tussen de twee condities, waarbij een grensoverschrijding wordt geïmpliceerd tussen de ene stand van zaken en de andere (b.v. Brodie, 1973). De meest uitgesproken verdediger van deze zienswijze is waarschijnlijk Wells (1967), die beknopt constateert: “Ideeën van een of ander overgangsgebied tussen oorlog en vrede zijn of tegenstrijdig of onbegrijpelijk”. Of, zoals het gesteld werd in klassieke tijden: “Inter bellum et pacem nihil medium”.

 

De sociaal-politieke definitie van oorlog

Volgens het internationale recht kan oorlog, in principe, slechts tussen soevereine politieke entiteiten plaatsvinden, namelijk staten. De oorlog is zo een middel om geschillen tussen eenheden van de hoogste orde van politieke organisatie op te lossen. Oorlogen hebben in het verleden direct invloed gehad op staatsinstellingen en de strijdkrachten. Aangezien de oorlog in een internationale context wordt gezet, kan de inzet van oorlog het leven en de dood van staten zijn (Aron, 1966).

De algemene visie op oorlog als een internationaal of interstatelijk fenomeen wordt gedeeld door vele onderzoekers, ongeacht hun beroepskwalificaties als politieke wetenschappers, historici, sociologen, psychologen of militaire analisten. Vasquez (1993) en andere onderzoekers gebruiken de simpele en meer algemene definitie voor het eerst geformuleerd door Hedley Bull (1977): “Oorlog is georganiseerd geweld dat door politieke eenheden tegen elkaar wordt gebruikt”.

 

Oorlog, in het algemeen, is een conflict tussen politieke entiteiten (meestal, maar niet noodzakelijk, staten) die vijandelijkheden inhouden van aanzienlijke duur en omvang. Militaire schrijvers beperken het ge-bruik van de term tot vijandigheden waarbij de betrokken groepen voldoende gelijk zijn om de precieze uitkomst onzeker te laten zijn voor een tijd (Matloff et al, 1977). Oorlog, vanuit het oogpunt van “das Militär”, is de kunst van het uitvoeren van het politieke beleid door het gebruik van gewapende strijdkrachten. Het houdt strategie in, tactiek en logistiek.

Malinowski’s (1968) wijd gebruikte antropologische definitie van oorlog is “gewapende strijd tussen twee onafhankelijke politieke eenheden, door middel van georganiseerde militaire kracht, in het nastreven van een tribaal of nationaal beleid”. Oorlog, bij elke definitie, is een sociale activiteit, die door groepen mensen wordt uitgevoerd. Zelfs als keurige, restrictieve definities niet mogelijk zijn, gelooft Ferguson (1984) dat de onderliggende basiskenmerken van dit fenomeen van oorlog als volgt kunnen worden beschreven: (1) georganiseerde, doelgerichte groepsactiviteit, (2) gericht tegen een andere groep die wel of niet op gelijke actie is voorbereid, (3) waarbij daadwerkelijke of potentiële dodelijke kracht kan worden gebruikt.

Hoewel deze formulering voor sommige onderzoekers te inclusief kan zijn, sluit het individueel geweld uit, behalve als deel van een grotere mobilisering van groepen. Het beklemtoont de sociale aard van oorlog, zonder enig oordeel over de sociale eenheden in kwestie te vellen. Het is niet beperkt tot militaire activiteiten alleen, het vereist geen slachtoffers, maar alleen de potentie van doden als resultaat van de actie.

 

Van der Dennen (1995) stelde voor dat een minimale of een algemeen bruikbare definitie van oorlog (inclusief ‘primitieve oorlog’) de volgende ingrediënten zou moeten hebben: (1) Het gesanctioneerde (of gelegaliseerde) gebruik van geweld of potentieel aan geweld, (2) door tenminste sommige leden van een gemeenschap (één of ander minimum aantal deelnemers wordt vereist, meestal een kleine groep strijders (raiders of guerrilleros), of een staand leger van militairen), (3) speciaal georganiseerd voor dat doel, al is het maar informeel en tijdelijk (zoals bij een hinderlaag-annex-overval (raid) bij de Amerikaanse prairie-Indianen), (4) tegen meerdere ongespecificeerde leden van een andere gemeenschap (of herkenbaar separate sociale entiteiten zoals stammen, staten), (5) gericht op het uitschakelen, doden of toebrengen van ernstig letsel, of het op een andere manier verminken, van leden van de andere gemeenschap, of gericht op een of ander doel (b.v. het veroveren van land, vrouwen, buit), dat het waarschijnlijk maakt dat de leden van de andere gemeenschap gedood moeten worden of onschadelijk moeten worden gemaakt om het doel te bereiken.

In oorlog – in contrast met een vete – is geweld relatief promiscue: ieder individu van de tegenpartij kan worden gedefinieerd als een ‘vijand’ en kan dus een potentieel slachtoffer zijn. Bij een vete is het concept van de vijand – en het potentiële slachtoffer – meer beperkt en selectief: een bepaald lid of leden van een bepaalde gemeenschapsgroep, een familie of een clan. Deze definitie benadrukt dat het ‘doel’ van een oorlog niet het doden van vijanden is maar het uitschakelen van de obstructie om een ander doel te bereiken. Uitschakelen kan op vele manieren: door fysieke eliminatie, door intimidatie, maar ook door de capaciteit of de wil tot tegenstand te verlammen door psychologische oorlogsvoering.

 

Howard (1979) argumenteerde: ”Het eerste kernmerk van het leger is niet dat zij geweld gebruiken, zelfs niet dat zij gewettigd geweld gebruiken krachtens hun functie als instrumenten van de staat. Het is dat zij geweld gebruiken met zulk een wilskracht. Dit soort geweld, doelgericht, opzettelijk, en gewettigd is normaal bekend als strijdkracht, en het gebruik van strijdkracht tussen staten is wat wij bedoelen met oorlog. Oorlog bestaat uit zulke opzettelijke, gecontroleerde en doelgerichte krachtdaden gecombineerd en geharmoniseerd om de uiteindelijke politieke doelen te bereiken. Dat zulke daden verschrikkelijk kunnen zijn in hun consequenties spreekt voor zich”.

 

Het is interessant om in dit verband op te merken dat het Handvest van de Verenigde Naties de referentie aan de term ‘oorlog’ totaal vermijdt. Het refereert alleen aan “handelingen van agressie”, “verstoringen van de vrede” en “bedreigingen van de vrede”, terwijl alle ondertekenende partijen, bij Artikel 2 paragraaf 4, zich vast hebben gelegd “in hun internationale relaties te zullen onthouden van de dreiging of gebruik van geweld tegen de territoriale integriteit of politieke onafhankelijkheid van elke staat”. Onlangs voorgestelde (eufemistische) concepten, met betrekking tot het concept “oorlog” zijn “voortslepend conflict” en “voortdurende internationale rivaliteit”. Voortslepende conflicten zijn gedefinieerd als “vijandige interacties die zich uitbreiden over langere perioden met sporadische uitbraken van open oorlogsvoering fluctuerend in frequentie en intensiteit. Voortslepende conflicten zijn conflictsituaties waarin de inzet erg hoog is. Terwijl zij sommige breekpunten ten toon kunnen stellen waarin er een onderbreking van openlijk geweld is, blijven zij hangen in de tijd zonder herkenbaar moment van beëindiging... Voortdurende conflicten, is te zeggen, zijn geen specifieke gebeurtenissen of zelfs clusters van gebeurtenissen op een moment in de tijd; het zijn processen” (Azar et al, 1978; Brecher & Harvey, 1998). Een voortdurende internationale rivaliteit (Enduring International Rivalry of EIR) is gedefinieerd door Maoz & Mor (1998) als een set herhaalde militaire interstatelijke disputen tussen dezelfde set staten over een langere periode.

 

De juridische conceptie van oorlog

Nauw verwant aan de politieke definitie van oorlog is de juridische conceptie. Q. Wright (1942, 1965) beschrijft oorlog als “a legal condition which equally permits two or more hostile groups to carry on a conflict by armed force”. De Marqués de Olivert wordt geciteerd die het volgende verklaart: “oorlog is een rechtsgeding of een geschil (litigio) tussen naties die hun recht verdedigen, in welke kracht de rechter is en overwinning de gerechtelijke beloning”. We zijn deze opvatting van oorlog als ‘godsoordeel’ al eerder tegengekomen, maar ze is niet zonder tegenstanders. Volgens Bernard (1944), bijv. is deze figuurlijke karakterisering van oorlog meer literair dan feitelijk. De juridische concepties en de wettelijke definities van oorlog, die teruggaan tot Cicero en Grotius, worden besproken in Eagleton (1933), Kelsen (1942), Grob (1949), Putten (1967), Wells (1967), Lider (1977), en Bobbitt (2002). Bij het samenvatten van deze kwestie van de wettelijke definitie van oorlog, besloot Grob (1949) dat “er geen sprake kan zijn van oorlog in een juridische betekenis”. En Wells (1967) voegt daaraan toe: “Als er enige betekenis in de uitdrukking ‘wettelijke oorlog’ zou zijn, dan zou het bestaan van een internationale instelling die het criterium voor wettigheid toewees tegelijkertijd deze uitdrukking onzinnig of tegenstrijdig maken”. Wells (1967), onder anderen, heeft de aandacht gevestigd op het feit dat vanaf de Middeleeuwen de definitie van oorlog geconditioneerd werd door de wens om aan de ‘goede’ kant van de oorlog te verschijnen, en dus werd (en wordt) het algemene onderwerp van de “rechtvaardige oorlog” (bellum iustum) behandeld met valse redeneringen, valse argumenten en zelf-deceptie. Patristieke (kerkvaders) en scholastische verhandelingschrijvers, en legalisten geassocieerd met de bellum iustum doctrine en het oorlogsrecht (en dus de voorlopers van het ius gentium of internationaal recht) zijn: St. Augustine (354-430), Thomas Aquinas (1225-1274), Giovanni da Legnano (d. 1383), Francisco de Vitoria (1486-1546), Pierino Belli (1505-1575), Francisco Suarez (1548-1617), Alberico Gentili (1552-1608), Jean Bodin (1576), Hugo Grotius (1583-1645), Samuel Pufendorf (1632-1694), Cornelius van Bynckershoek (1673-1743), Jean-Jacques Rousseau (1712-1778), Emmerich de Vattel (1714-1767), Johann Bluntschli (1808-1881), Luigi Sturzo (1929), en Hans Kelsen (1942) (cf. Grob, 1949; Wells, 1967; Bobbitt, 2002). Veel van deze verhandelingen zijn getiteld De iure belli (het oorlogsrecht) of De iure belli ac pacis (het recht van oorlog en vrede). Een oorlog is ‘rechtvaardig’ volgens veel van deze verhandelingen, als die wordt gevoerd met ‘rechtvaardige’ bedoelingen (of voor een ‘rechtvaardig’ doel), door een erkend gezag of autoriteit (zoals de vorst, de koning, de keizer), en volgens het principe van evenredigheid. “Rechtvaardige oorlogen zijn beperkte oorlogen; hoe ze gevoerd worden wordt beheerst door een aantal regels die ontworpen zijn om, zo mogelijk, het gebruik van geweld en dwang tegen noncombattanten tegen te gaan” (Walzer, 1992). De ‘rechtvaardige oorlog’ traditie hield niet alleen de principes van het ius ad bellum in (de condities waaronder oorlogsvoeren gerechtvaardigd zou kunnen zijn), maar ook het ius in bello (dat het ‘juiste’ gedrag in oorlog tracht te reguleren - zoals de behandeling van krijgsgevangen, noncombattanten, etc.).

 

Het zal als geen verrassing komen dat deze morele ideeën oorlog niet alleen (soms) beperkten in gewelddadigheid en destructiviteit maar tegelijkertijd ook mogelijk en noodzakelijk maakten (Shaw, 2003).