Deel 1 

 

De studie van de

hedendaagse oorlog

 

De enige ware oorzaak van oorlog is vrede (Dostoievski).

 

Introductie: de studie van oorlog (polemologie of peace research)

De term ‘polemologie’ komt voort uit het Griekse ‘polemos’, dat ‘oorlog’ betekent (of meer algemeen ‘strijd’, ‘conflict’). ‘Polemologie’ is feitelijk beperkt tot de Nederlandse en de Franse taal. De Duits, Scandinavisch en Engelssprekende landen gaven de voorkeur aan de term peace research (Duits: Friedensforschung). Sommige van deze ‘vredesonderzoekers’ noemden zichzelf ‘irenologen’ (van het Griekse Eirènè, dat ‘vrede’ betekent). De term ‘kratologie’ (van het Griekse kratos) is voorgesteld voor de studie van macht en geweld in het algemeen, maar deze heeft nooit veel voorstanders gekregen. De Griekse filosoof Herakleitos of Heraclitus (c. 540-c. 475 v.C.) stelde dat polemos pantoon pater esti, wat betekent dat conflict de vader is van alle dingen. Volgens Plato’s (c. 427 - c. 347 v.C.) ‘Wetten’ (I, 626a) is “wat de meeste mensen vrede noemen, is slechts een naam, maar inderdaad bestaat er voor alle staten tegen alle van nature oorlogstoestand, zonder officiële oorlogsverklaring”, beter bekend in Hobbes’ Latijnse versie: Bellum omnium contra omnes. Het doel van polemologie of vredesonderzoek is het onderzoeken van de oorzaken van oorlog en de condities van vrede (of de oorzaken van vrede en de condities van oorlog). Andere onderzoekers geven de voorkeur aan de bredere formulering (in het Engels) de 3 C’s; causes, conduct, and consequences van oorlog.

 

Waarom oorlog

Onderzoekers die geïnteresseerd zijn in het vraagstuk ‘Waarom oorlog’, stellen in het algemeen drie duidelijk verschillende maar aan elkaar gerelateerde vragen: (1) Waar komt het instituut oorlog vandaan? Is het een culturele uitvinding? Of is het evolutionair te begrijpen? Dit is de vraag naar het ontstaan of de oorsprong van oorlog; (2) Wat zijn de oorzaken van specifieke oorlogen? Dit is de vraag naar oorlogsoorzaken; en (3) Waarom strijden krijgers en soldaten? Wat hebben zij er voor baat bij? Dit is de vraag naar de gevechtsmotivatie. Volgens de evolutionaire biologie, is de eerste vraag een ultiem-niveau vraag, en zijn de laatste twee proximaal-niveau vragen. We streven er naar alle drie de vragen te beantwoorden.

 

Studie van oorlog en vrede

Na de vroege ‘voorouders’ en pioniers van de studie van oorlog en vrede (zoals Sun Tzu, Thucydides, Machiavelli, Hobbes) en na von Clausewitz en andere oorlogstheoretici, en strategen als Ardant du Picq en Jomini, werd in de twintigste eeuw de fundering gelegd voor de oorlogswetenschappen door Fuller (1925), Davie (1929), Van der Bij (1929), Sorokin (1937), Mühlmann (1940), Q. Wright (1942), Turney-High (1949), Waltz (1959), Richardson (1960), en van de studie van vrede (of irenologie) door Bara (1872), May (1943), Bernard (1944), Bouthoul (1948 et seq.), Pear (1950), Lentz (1955) en anderen. In de zestiger en zeventiger jaren van de vorige eeuw werden er in Europa polemologische instituten (of peace research instituten) opgericht, en grootschalige projecten om oorlog kwantitatief te be-studeren (zoals The Correlates of War [COW] door David Singer en The Dimensionality of Nations [DON] door Rudolph Rummel) werden opgezet in Amerika. De studie van oorlog in preliteraire samenlevingen en de studie naar de evolutionaire aspecten van oorlog werden, na Davie, Mülmann en Turney-High, uitgewerkt door onder andere Andreski (1964), Bigelow (1969), Corning (1975), Meyer (1977) en Van der Dennen (1995).

 

Oorlogstermen

Etymologisch, komt de Engelse term ‘war’, evenals het Franse ‘guerre’ en het Duitse ‘Wehr’ voort uit het oud-hoogduitse werra, hetgeen verwarring, strijd of conflict betekent. Oorlog is een vorm van geweld; specifieker: collectief, gewapend, georganiseerd, gesanctioneerd en soms geritualiseerd geweld. Het Latijnse ‘bellum’ stamt waarschijnlijk af van ‘duellum’ en het duel in de geschiedenis van de Romeinse en Westerse beschaving werd over het algemeen gezien als een justitieel of ‘goddelijk’ oordeel.

 

Oorlog in het algemeen en strijd in het bijzonder worden sinds mensenheugenis als godsoordelen gezien waarmee het morele stamina of ‘het bestaansrecht’ van een staat of van een volk wordt getest door God of door de goden. Het Hegeliaanse gezegde “Die Weltgeschichte ist das Weltgericht” refereert aan dit idee. Ook de beroemde Pruisische oorlogstheoreticus, filosoof en strateeg Karl von Clausewitz (1832) was zich wel bewust van dit aleatorische element in de oorlog. Hij noemde oorlog een wonderbaarlijke drie-eenheid bestaande uit de instrumenten van de rede, de blinde krachten van geweld en haat, en het vrije spel van kans en waarschijnlijkheid. ‘Oorlog is het gebied van onzekerheid: drievierde van die dingen waarop de actie in oorlog moet worden berekend, zijn min of meer verborgen in de mist van grote onzekerheid’.

 

Oorlog (‘Urlag’ is verbonden aan het Nederlandse ‘oorlog’) werd al door de oude Germanen gezien als een Gottesgericht of godsoordeel (Weule, 1916: 83-84). Hinde & Watson (1995: 3-4) merken op dat de doelstellingen in een oorlog, in ieder geval gedeeltelijk doelstellingen van een groep zijn, en niet per se materieel gewin betekenen voor de individuen die meedoen aan de strijd. En in de moderne oorlogen omvatten de directe oorlogsinspanningen en -taken van individuen niet altijd directe gevechtstaken op het slagveld, maar kunnen die ook de fabricage van munitie omvatten, de zorg voor de gewonden, de distributie van grondstoffen (als in rantsoenering, logistiek), enzovoort. “Moderne oorlog moet daarom tenminste gezien worden als een instituut met talrijke constituente rollen. Elke rol wordt geassocieerd met specifieke rechten en plichten, en het zijn deze taken die de directe doelstellingen vormen voor individuen”. Het algemene probleem, stellen Hinde & Watson, is “Wat zijn de krachten die oorlogszuchtige waarden ondersteunen”, en dit is een vraag die verschilt van de vraag naar de oorzaak of oorzaken van oorlog, die in een bepaalde betekenis meer fundamenteel is.

 

Definities van oorlog

Er is geen consensus inzake wat nu eigenlijk een ‘oorlog’ (of eufemistische equivalenten zoals ‘gewapend conflict’, ‘militaire vijandigheden’, ‘gemilitariseerd geschil tussen staten’, ‘het Hoge Intensiteit Conflict [HIC], etc.) is of hoe oorlog zou moeten worden geoperationaliseerd en gemeten. Maar de definitie als eerste voorgesteld door Singer & Small (1972), “Conflict waarbij in ieder geval aan beide zijden van de strijd minstens een lid van het interstatelijke systeem participeert, resulterend in 1000 of meer oorlogsslachtoffers”, lijkt het meest geaccepteerd, al is de uitspraak van Von Clausewitz dat “Der Krieg ist nichts anderes als eine Fortsetzung des politischen Verkehrs mit Einmischung anderer Mittel” waarschijnlijk de meest bekende en beroemdste catchphrase blijft. Von Clausewitz laat er weinig twijfel over bestaan dat oorlog, in zijn ogen, een rationeel instrument is in dienst van het nationale belang: “Oorlog is een daad van geweld bedoeld om de vijand over te halen onze wil te vervullen”.

 

Oorzaak van oorlog

Er is ook geen consensus in de politieke wetenschappen over wat een ‘oorzaak’ is. Quincy Wright (1942), Bernard (1944), Van der Dennen (1995), en Black (1998) wijden een groot aantal pagina’s aan een discussie over oorzaken, motieven, precipitants, triggers, etc. In contemporaine kwantitatieve studies van oorlog wordt er doorgaans een onderscheid gemaakt, dat teruggaat tot de tijd van Thucidydes’ geschiedenis van de Peloponnesische Oorlog (tussen Athene en Sparta 431-404 v.C.), tussen ‘onderliggende’ (of ‘lange termijn’) oorzaken en ‘directe’ (of ‘naburige’ of ‘korte termijn’ of ‘contingente’) oorzaken, ook bekend als triggers (Levy, 1989; Vasquez, 1993; Hirschleifer, 2001). De onderliggende oorzaken zijn doorgaans op het systemische niveau te vinden. In historische studies is het niet ongebruikelijk om, soms impliciet, het onderscheid aan te treffen tussen structurele, conjuncturele, en situationele determinanten van gebeurtenissen als oorlog. Thucidydes was ook de eerste historicus die de essentiële van de casuele oorzaken onderscheidde en de primaire oorzaken van de voorwendselen.

 

In zijn invloedrijke Man, the State and War, beweert Waltz (1959) dat het corpus van ideeën over oorlog bestaat uit drie basisniveaus-van-analyse over waarom gewapende conflicten zich voordoen in internationale relaties. Op het eerste niveau-van-analyse worden de belangrijkste oorzaken van oorlog gevonden in de aard en het gedrag van de mens. Op het tweede niveau-van-analyse worden de basisoorzaken van oorlog gevonden in de politieke structuren en de sociaal-economische condities van afzonderlijke staten. Op het derde - en meest prominente - niveau-van-analyse worden de oorzaken van oorlog niet gevonden in de mens, noch in de staten, maar in het internationale systeem van staten zelf: het anarchistische karakter van de internationale statensysteem. Deze verschillende niveaus-van-analyse lopen min of meer parallel met een onderliggende dimensie voorgesteld door Rapaport (1968) te weten de strategische of voluntaristische opvatting van oorlog (oorlog als door de mens gemaakt) tegenover de cataclysmische oorlogsopvatting (oorlog als een natuurramp, goddelijke straf, of verkeersongeval).

Hoewel de wetenschappers zo duidelijk van mening verschillen over hoe oorlog gedefinieerd moet worden, en hoe die te operationaliseren en te meten, is het belangrijk niet over het hoofd te zien dat een aantal van hen een losse, maar niettemin gemeenschappelijk, abstracte conceptualisering delen over wat nu een ‘oorlog’ vormt. Onderzoekers zoals Wright (1942), Richardson (1960), Coser (1956), Schelling (1960), Boulding (1962), North (1968), Kende (1971, 1978), Singer & Small (1972), Blainey (1973), Feraru (1974), Pearson (1974), Midlarsky (1975), Gochman (1976), Snyder & Diesing (1977), Eckhardt & Azar (1978), en anderen lijken over het algemeen oorlogen te zien als gebeurtenissen die de volgende zaken impliceren:

* ten minste twee partijen, waarvan er één een (natie)staat is;

* conflicterende doelstellingen;

* partijen die zich bewust zijn van hun tegenstrijdige doelstellingen;

* partijen die bereid zijn om een doel te bereiken waarvan bekend is dat het in conflict is met de wensen van de andere partij(en);

* situaties waarin elke partij de kans of de capaciteit heeft om zijn doel na te streven;

* situaties waarin minstens een partij bereid is om openlijke militaire kracht te gebruiken om zijn doel te bereiken;

* situaties waarin minstens een partij in staat is weerstand te bieden aan het gebruik van militaire kracht van de ander, waarbij een minimaal aantal slachtoffers vallen (Most en Starr, 1983).

 

De onderliggende en directe oorzaken van oorlog

Naar het voorbeeld van Thucydides, hebben de onderzoekers van oorlog onderscheid gemaakt tussen onderliggende en directe oorzaken van oorlog. De onderliggende oorzaken verwijzen naar de oorzaken op lange termijn van vijandigheid en spanning tussen staten, de directe oorzaken verwijzen naar de onmiddellijke kwesties of de crisissen die eigenlijk oorlog teweegbrengen. Voor Thucydides waren het de onderliggende oorzaken die werkelijk van belang waren. Dit wordt duidelijk gemaakt in zijn behandeling van de oorsprong van de Peloponnesische Oorlog. Thucydides schreef het conflict aan de groei van het Atheense Imperium toe, zijn behoefte aan uitbreiding, en de vrees die dit opriep onder de andere ‘poleis’, vooral Sparta; in zijn ogen maakte deze situatie oorlog onvermijdelijk. Als het niet in 431 v.C., was gebeurd, aangezet door de betrokkenheid van Athene in de oorlog tussen Corinthië en Corcyra, dan zou een andere gebeurtenis vroeger of later de twee leiders van Griekenland slaags hebben gekregen. De directe oorzaken, of triggers, van oorlog waren in zoverre belangrijk dat zij de timing bepaalden van het conflict.

 

De uitdrukking “oorzaken van oorlog” is gebruikt in vele betekenissen. Geschiedschrijvers hebben bijvoorbeeld geponeerd dat de oorzaak van de Eerste Wereldoorlog de Russische of Duitse mobilisatie was; het Oostenrijkse ultimatum aan Servië; de Sarajevo moord; de doelstellingen en ambities van de Keizer, Poincaré, Izvolsky, Berchtoldt of nog iemand anders; de wens van Frankrijk om Elzas-Lotharingen terug te krijgen of van Oostenrijk om de Balkan te overheersen; het Duitse mobilisatieplan (Schlieffenplan) en de inval in België; het Europese systeem van allianties; de activiteiten van de munitiemakers, de internationale bankiers, of de diplomaten; het gebrek aan een adequate Europese politieke orde; bewapeningsrivaliteit; koloniale rivaliteit; commercieel beleid; het nationalisme; het concept van soevereiniteit; de strijd voor het bestaan; de tendens van naties zich uit te breiden; de oneerlijke verspreiding van populaties, grondstoffen en middelen om te leven; de wet van verminderende winst; de waarde van oorlog als instrument van nationale solidariteit of als een instrument van nationaal beleid; etnocentrisme of groepsegoïsme; het falen van de menselijke geest; en vele andere (Q.Wright, 1942, 1965).

 

Voor sommigen is de oorzaak van oorlog een gebeurtenis, voorwaarde, handeling, of persoonlijkheid betrokken bij een specifieke oorlog; voor anderen is het een algemeen begrip van toepassing op vele oorlogen. Voor sommigen is het een klasse van menselijke motieven, idealen, of waarden; voor anderen is het een klasse van onpersoonlijke krachten, condities, processen, patronen, en relaties. De term “oorzaken van oorlog” wijzen in Wright’s studie naar “efficiënte oorzaken” die voorafgaan aan het uitbreken van oorlog.

In Ploetz’ (1915) Manual of Universal History, zijn de oorzaken van de Franco-Pruisische Oorlog verdeeld in ‘directe oorzaken’, ‘speciale oorzaken’ en ‘algemene oorzaken’. Andere onderzoekers hebben vaak noodzakelijke, gebruikelijke, rationele, en wispelturige handelingen in het veroorzaken van oorlog onderscheiden. Turner (1927) onderscheidde vijf algemene ‘bronnen’ (of categorieën of oorzaken) van oorlog: economische (ruzies over territorium, grenzen, koloniën, handel enz.); dynastieke (disputen over opvolgingsrecht, etc.); nationalistische (patriottisme, nationale trots, etc.); religieuze ( intolerantie, etc.); en ‘sentimentele’ (ideologie, hoop, rechtvaardigheidsgevoel, wraak, etc.). De oorzaken van oorlog moeten niet worden verward met de voorwendselen die de vijandigheden doen detoneren (Fuller, 1932).