Ontwapening, een geluid

uit vroeger dagen

 

In 1965 is een proefschrift verschenen, geschreven door Willem Frederik Duisenberg, die hiermee promoveerde tot doctor in de economie aan de Universiteit van Groningen. Titel: ĎDe economische gevolgen van ontwapening.í

 

Duisenberg heeft de gevolgen van totale ontwapening onderzocht en dit zowel voor de Westerse landen als voor de toenmalige Sovjet-Unie en de ontwikkelingslanden. Hij bestudeerde de effecten op korte en op lange termijn, in functie van de groei van de economie en van het aandeel dat de bewapening in ieder staatsbudget innam. Daarbij nam hij ook de tewerkstelling in de fabrieken en in het leger in aanmerking en de mate waarin de wapenindustrie en eventueel grondstoffen in het betrokken land aanwezig waren.

 

Schattingen over het totale bedrag dat over de gehele wereld aan bewapening werd uitgegeven varieerden in 1959 van 90 tot 180 miljard dollar, wat werk opleverde aan 50 miljoen mensen. De uitgaven aan defensie bedroegen in 1964 in Nederland 4,4% van het Bruto Nationaal Product, voor de V.S. bedroeg dat in 1963 9,8%. De mate waarin de ontwapening in de maatschappij opgevangen kan worden hangt onder andere af van de sterkte van ieder der bovengenoemde factoren. Zo kan het gevolg zijn dat er werkloosheid onder gewezen militairen en fabriekspersoneel ontstaat. En omdat de regeringsuitgaven verminderen kan deflatie optreden, die zelfs in een economische crisis kan uitmonden, bijvoorbeeld ten gevolge van het wegvallen van grote wapenexportorders. Maar het bespaarde geld kan ook uitgegeven worden aan betere sociale voorzieningen, wat dan weer positief uitvalt voor de bevolking.

 

Duisenberg voorspelde voor de grootste Westerse landen, vooral de Verenigde Staten en misschien ook Engeland, dat ontwapening zo'n radicale verandering van de economie met zich zou meebrengen dat het nodig zou zijn tijdig aanzienlijke compenserende maatregelen te treffen, zodat het veranderingsproces zeer geleidelijk zou verlopen. Voor Nederland, dat in dat tijdsgewricht weinig gespecialiseerde defensie-industrie bezat, zou de nadruk liggen op het ontslag van militair personeel. Daar er een tekort aan werkkrachten was in die tijd zou dit geen grote problemen opleveren. De economieŽn van andere Westerse landen zouden door ontwapening evenmin sterk beÔnvloed worden.

Voor Suriname en de Nederlandse Antillen zou de export van bauxiet en olie, beide noodzakelijk voor de wapenindustrie, sterk verminderen wat een nadelige invloed zou opleveren. De communistische landen zouden ook genoodzaakt zijn om de economische structuur te wijzigen, want het belang van de defensie was daar vergelijkbaar met die van de V.S. De ontwikkelingslanden zouden speciaal getroffen worden, door het stopzetten van de export van grondstoffen voor de defensie-industrie. Over de mogelijkheid van economische hulp voor deze landen om dit proces te boven te komen kan men alleen maar gissen.

 

De conclusie van Duisenberg in 1965 luidde dat het ontwapeningsproces voor alle landen gunstige effecten zou opleveren. In sommige landen zouden grote problemen ontstaan, maar die zouden niet onoverkomelijk zijn, mits de regeringen in deze landen er op voorbereid waren tijdig compenserende maatregelen te treffen.

 

In de huidige tijd zouden de conclusies van het rapport wellicht grondig verschillen van de voorgaande, wegens de veranderde demografische, economische en militaire omstandigheden.