‘Heroverwegingen betreffende nucleaire energie en democratie na 11-09-’01

 

IPPNW-congres Europese afdelingen 2002 over kernenergie

 

De IPPNW-afdelingen Duitsland, Frankrijk, en Zwitserland organiseerden in april 2002 een symposium met als titel: ‘heroverwegingen betreffende nucleaire energie en democratie na 11 september’.  Een diepe algemene bezorgdheid betreffende de risico’s van nucleaire energie voor algemeen gebruik was de reden voor deze bijeenkomst, welke door de terroristische aanslagen op het World Trade Centre en het Pentagon was versterkt.

 

De door deze gebeurtenissen ontstane bewustwording van de kwetsbaarheid van kernreactoren voor terroristische aanslagen, leidde tot het heroverwegen van de mogelijke risico-situaties, waarin kernreactoren verkeren, situaties die tot dan toe onbekend waren of onderschat werden. Immers, was de omvang en waren de gevolgen van de aanslagen op 11 september 2001 al enorm, een aanval op een kernreactor zou tot een veelvoud van de gevolgen leiden.

 

Als geen ander is de IPPNW bekend met de scenario’s van een kernramp. Regeringen hebben geen rekening gehouden met dergelijke scenario’s bij de toepassing van kernenergie voor vreedzame doeleinden. De meeste kerncentrales liggen in dichtbevolkte gebieden. Op de mogelijkheid van terroristische aanslagen op de wijze zoals in september 2001 uitgevoerd, is nimmer gerekend. De kosten van beveiliging van de eigenlijke reactor tegen dergelijke aanvallen, indien al mogelijk, zouden zodanig hoog worden, dat kernenergie onbetaalbaar zou worden. Op de tot dan toe gekende risico’s werd tot het moment van de aanslagen al minimaal geïnvesteerd,  vanwege de hevige concurrentiepositie, waarin de meeste kernenergie-centrales verkeren. Zouden regeringen van landen waarin veel kernenergie wordt opgewekt, zoals Frankrijk, Zweden, Amerika, Rusland en Japan, op grond van deze nieuwe feiten, tot een heroverweging betreffende kernenergie dienen te komen?

 

In het rapport dat de IPPNW naar aanleiding van het congres heeft laten verschijnen, laten wetenschappers uit deze landen, aangevuld met andere deskundigen op het gebied van kernenergie, geen andere conclusie toe, dan dat kerncentrales in de huidige omstandigheden, technisch en sociaal, een zodanig risico vormen, dat tot een spoedige en algehele ontmanteling besloten zou dienen te worden.

Op basis van risico-analyses van de sociaal-economische situatie van de landen, de ligging van de centrales, de huidige veiligheidsvoorzieningen, de ongevallen, de bijna-ongevallen,  en de wijze waarop in de diverse landen tot besluitvorming wordt gekomen, wordt aangegeven in welke complexe en hachelijke situatie de diverse landen, welke over kernenergiecentrales beschikken, verkeren.  De reactie zou kunnen zijn, en dit wordt in een aantal gevallen ook waargenomen, om tot ontkenning van de problemen te komen. Het is de taak van burgers in het algemeen, en deskundige onafhankelijke non-gouvernementele organisaties als de IPPNW in het bijzonder, om een dergelijke houding van haar regeringen niet te accepteren en de discussie aan te gaan. Tijdens het IPPNW-congres in 1998 in Australië werd een motie aangenomen, welke op de toen bekende gevaren van kernenergie wees.  Na 11 september 2001 zijn er meer redenen om met nog meer overtuiging op een radicale koerswijziging ten aanzien van het gebruik van kernenergie aan te dringen.

 

Risico-schatting en -management van de gevolgen van radioactieve straling

De schatting van de verspreiding van radionucleïden in organen en weefsels vindt plaats met behulp van biokinetische modellen. Daarnaast bestaan er dosimetrische modellen om de stapeling van elk type straling in organen en weefsels vast te stellen. De werkelijke schade aan organen en weefsels wordt berekend met een omrekeningsfactor voor de invloed van de betreffende straling en de gevoeligheid van de organen en weefsels voor deze straling. Elk van deze stappen kent een mate van onzekerheid.

 

Epidemiologische studies zijn een belangrijk onderdeel om tot een grotere zekerheid te komen. Tot op heden zijn de studies betreffende gammastraling en neutronen voornamelijk gebaseerd op de overlevenden van Hiroshima en Nagasaki, terwijl er ten aanzien van radon en radium  informatie beschikbaar is van werkers in uraniummijnen. De zogenaamde Monte Carlo-techniek berekent de  waarschijnlijkheid van alle factoren gezamenlijk. Op grond van de uitkomsten komen de risico’s ten aanzien van het totale lichaam, longen en beenmerg hoger uit dan de risicoschattingen van het US Environmental Protection Agency (EPA) in 1999, terwijl een NCRP (National Council on Radiation Protection)-rapport in 1997 de dosis-ratio-effectiviteit-factor (DDRF) als grootste bron van onzekerheid inschat, met een bandbreedte voor de risicowaarden voor het gehele leven van een kwart tot tweemaal van de huidige aanname van 5 procent per Sievert. DDRF’s worden gebruikt om risico’s ten gevolge van hogere blootstellingen om te rekenen naar risico’s bij lagere blootstellingen. Het verband wordt als kwadratisch aangenomen, maar bij lagere doseringen (onder 0.2 Gy) wordt een meer lineair verband  waargenomen. Indien de huidige aangenomen DDRF-waarde van 2 op grond van nieuwe inzichten wordt gewijzigd in 1, neemt het risico op dodelijk carcinoom toe tot 10% per Sievert. Er bestaan verder aanzienlijke verschillen tussen de risico’s voor ziekte en voor dood, daarnaast voor diverse vormen van carcinoom, terwijl de risico’s op genetische defecten nog nauwelijks in kaart gebracht zijn.

 

Gebeurtenissen 

Chernobyl

De gevolgen van de ramp in Chernobyl in 1986 zijn lange tijd verborgen gebleven. Geleidelijk worden deze gevolgen duidelijk. Een aantal wetenschappers, waaronder de Witrus Yuri Bandazhevsky, welke tot op heden gevangen zit wegens zijn waarschuwende rapporten over de stapeling van radioactief cesium bij kinderen, publiceerden rapporten over de gevolgen voor de bevolking. Meer dan 400.000 mensen uit de regio zijn naar aanleiding van de ramp geëvacueerd. De regering van de Oekraïne gaf in 1991 nog een aantal van 2000 op van mensen met afwijkingen ten gevolge van de kernramp, in 2003 was dit officiële aantal reeds toegenomen tot bijna 100.000.

Schildkliercarcinoom, cardiomyopathie, ECG-afwijkingen en genetische afwijkingen zijn significant toegenomen, tot wel het 35-voudige. Sociale gevolgen van de ramp waren verder een toename van depressies en suicide bij kinderen: het Chernobyl Children Illness Program rapporteerde in 2003 dat circa 15 procent van de 110.000 onderzochte kinderen hulp nodig hadden. De cesiumbesmetting in andere landen zoals Engeland, Frankrijk en Duitsland zijn tot op de dag van vandaag meetbaar, en elk van deze landen heeft een andere wijze van omgang hiermee, in grote lijnen conform met de reactie op de aanvankelijk radioactieve jodiumbesmetting kort na de ramp.

 

Tokai-Mura

In 1999 vond in de kernenergiecentrale bij Tokai-Mura in Japan een ramp plaats, waarbij, ondanks dat slechts 1 mg Uranium 235 in een periode van 20 uren tot splijting kwam, er in de dagen en weken erna tot in de wijde, dichtbevolkte, omgeving tot 20-voudige toename van radioactieve straling gemeten werd. De oorzaak was het negeren van veiligheidsvoorschriften. De economische gevolgen waren gigantisch, slechts een fractie, 125 miljoen dollar, werd door de eigenaar van de centrale uitgekeerd, gezondheidsschade werd niet erkend op basis van een verklaring van de autoriteiten dat geen hogere blootstelling dan 200 mSv is bereikt. In een referendum gehouden in 2001 wees 53% van de ondervraagden in de Mie-provincie de bouw van een nieuwe kerncentrale af.

 

Verenigde Staten

De eerste grote kerncentraleramp vond plaats in 1979 in de Verenigde Staten in de Three Miles Island-centrale bij Harrisburg. Hierna was er een substantieel publiek verzet tegen kerncentrales. Ondanks het feit dat in de VS veel kerncentrales in aanvliegroutes van vliegtuigen liggen, en één van de vliegtuigen welke op 11 september 2001 het World Trade Centre aanviel, over de Indian Point kerncentrale vloog, reageerde de US Nuclar Regulatory Commision (NRC) uiterst terughoudend op de ongerustheid bij de burgers en in de media.  Deze houding werd ingegeven door commerciële belangen en de veronderstelling dat de gezondheidsproblemen door vrijkomende straling bij een aanval beheersbaar zouden zijn.   Sinds 1991 was de NRC weliswaar overgegaan tot een operationeel programma van veiligheidstesten, maar de resultaten hiervan waren tot de aanval van 11 september niet bijzonder gunstig: in tenminste 46 procent van de oefensituaties werd een vitaal reactoronderdeel ‘vernietigd’. Na 11 september 2001 werden de programma’s en resultaten om veiligheidsreden niet meer bekendgemaakt. Weliswaar werd door de NRC in april 2002 een nieuwe, strengere standaard ingevoerd, maar deze werd door een regeringscommisie in maart 2004 gekwalificeerd als ‘zelfs niet in de buurt komend van een aanvaardbaar niveau’. Een senaatscommissie bereidt een beter toezicht voor op de bureaucratische en afhoudende gang van zaken bij de NRC.

 

De onderliggende sociale structuren en besluitvorming

Zweden: kansen voor ontmanteling laten liggen

Ondanks de beschikbaarheid van waterkrachtcentrales heeft Zweden olie en kernenergie nodig om te voorzien in de hoge energiebehoefte per hoofd van de bevolking. De regering streeft ernaar de afhankelijkheid van olie te verminderen. Kernenergie was vanaf de aanvang duurder dan de aanwezige waterkracht, maar werd in verband met militaire belangen gestart.

 

Aangezien de parlementaire discussie tot verdeeldheid leidde, werd in maart 1980 een referendum over kernenergie gehouden. De uitkomst was dat er een maximum van 12 kernreactoren gebouwd konden worden met een beperkte levensduur van 25 jaar, waarna deze weer gesloten dienden te worden. Het aantal van 12 reactoren was ingegeven vanuit de veronderstelling dat alleen bij de bouw van meerdere reactoren het economische rendement voldoende zou zijn. Daarnaast hadden de energieproducenten er belang bij om overcapaciteit te bouwen, teneinde de concurrentie met de, veelal gemeentelijke, waterkrachtcentrales aan te kunnen. De overspannen prognoses leidden na realisatie van de centrales tot een slecht economisch rendement met lage energieprijzen. De verliezers waren de gemeenten met waterkrachtcentrales, welke door de lage energieprijzen hun centrales nauwelijks draaiende konden houden.

Door de lage prijzen startte de energie-intensieve industrie in 1996, ten tijde van de aankondiging van de sluiting van de eerste kerncentrales, een campagne voor behoud van kernenergie. De energielobby slaagde er- in een ministerpost in de regering te veroveren, waarna na betaling door de burgerij van een astronomische vergoeding voor de sluiting van twee verouderde kerncentrales, de overige sluitingsplannen geruisloos verdwenen. De kernenergielobby heeft verder bedongen dat de nog werkende centrales in stand zullen worden gehouden door kwijtschelding van belasting op kernenergie, teneinde de concurrentie met de overige producenten aan te kunnen.

 

Oostenrijk: van referendum over, naar verbod van kernenergie

In 1955 bereikte Oostenrijk de status van neutraliteit, waarbij het verbod van kernwapens op het grondgebied werd afgekondigd. In de jaren ’70 werden met steun van de industrie plannen gemaakt voor een kerncentrale, met steun van een aantal grote politieke partijen. Vanuit de Academie van Wetenschappen kwamen echter tegengeluiden en er kwam een publieke campagne tegen kernenergie op gang. Onder druk hiervan werd een referendum gehouden, waarvan de uitslag 50.5% ten voordele van de centrale was. Toch werd deze niet in gebruik genomen, omdat bleek dat zij niet voldeed aan de standaarden van dat moment. Een kernenergiewet werd vervolgens in het parlement afgewezen en de afkeer van de bevolking tegen kernenergie is sindsdien verder toegenomen. In juli 1999 nam het Oostenrijkse parlement een

constitutionele wet aan voor een nucleairvrije staat.

 

Zwitserland: referenda

Het Zwitserse systeem van referenda kent een lange historie. De kosten voor het doen houden van referenda zijn hoog en de kans op een gunstige uitslag in de praktijk laag. Na de Tweede Wereldoorlog droomde de wereld van goedkope, veilige en overvloedige energie. De industrie kon aan deze droom voldoen door de oprichting van grote laboratoria, waar met hulp van technische universiteiten nieuwe technologieën ontwikkeld werden. Kernenergie paste in deze opzet. Waarschuwende geluiden van individuele wetenschappers of groepen van wetenschappers gingen verloren in de enorme campagnes welke door de voorstanders van kernenergie gehouden werden. Desondanks is de kernenergielobby er niet in geslaagd een meerderheid  van de bevolking voor haar ideeën te winnen.

 

De laatste decennia is er serieuze belangstelling voor kleinschalige energie of de vervanging van megawatts in ‘negawatts’ (besparingen), terwijl de angstbarometer voor kernenergie langzaam maar zeker sterker wordt. De verwachting bestaat dat de Zwitserse bevolking in 2003 voor de afschaffing van kernenergie zal

stemmen.

 

Frankrijk: wie beslist; de minister, de ingenieurs of de investeerders?

In een land als Frankrijk wordt 80 procent van de benodigde energie opgewekt in kerncentrales. In Duitsland en Japan is dit 35 procent, in de UK 29 procent, terwijl de VS en Zweden 20 procent van haar energiebehoefte uit kerncentrales haalt. De situatie in Frankrijk heeft grote invloed op de discussie over kernenergie. Het feit dat de centrales in handen zijn van de staat, en dat kernenergie in aanvang bedoeld en gebruikt werd voor militaire doeleinden, leidde vanaf de aanvang tot een groter staatsbelang dan in andere landen. Daarnaast is de status van de in de kernenergiesector werkzame ingenieurs door deze situatie zodanig sterk, dat zij een belangrijke positie hebben verworven in de regeringscommissies die de elektriciteitsvoorzieningen regelen.

François Mitterand, die tijdens zijn verkiezingscampagne nog tegen de uitbreiding van kernenergie was,  stemde kort na zijn verkiezing in met de aanleg van de opwerkingsfabriek in Cap La Hague. De uitstoot van radionuclide in de omgeving is veel hoger dan toentertijd geaccepteerd werd, laat staan wat heden ten dage als aanvaardbaar gezien wordt.  Herziening van deze normen is enkele malen uitgesteld. De beslissing over het ontmantelen, door president Lionel Jospin van de ‘Superphenix’, werd genomen tegen het advies van zijn minister. Hoewel de kernenergiesector op deze wijze bevrijd werd van de last van een hoogst twijfelachtig experiment, werd door deze beslissing de lobby voor de bouw van conventionele kerncentrales verder versterkt. Het parlement is in geen van de gevallen geraadpleegd. Het argument van onafhankelijkheid op energiegebied wordt als een dogma gehanteerd, hoewel sinds de Chernobyl-ramp de scepsis bij het publiek fors is toegenomen. Het feit dat juist de autoriteiten in Frankrijk erg terughoudend waren met het nemen van maatregelen na deze ramp, heeft hier ongetwijfeld aan bijgedragen.  Momenteel houden deze krachten elkaar in evenwicht, al zijn er recente berichten over de bouw van nieuwe, terrorismebestendige centrales.

 

Naschrift

In 2003 heeft de meerderheid van de Zwitserse bevolking tegen de voorstellen gestemd om de vijf kerncentrales te vervangen door andere energiebronnen. Het Franse staatsenergiebedrijf EDF maakte in 2004 bekend voor 3 miljard euro de eerste van een nieuwe generatie waterdrukreactoren te gaan bouwen en in de toekomst totaal 58 stuks. In het persbericht  wordt ten overvloede gemeld dat de dubbele behuizing een aanslag met vliegtuigen kan overleven. Een verbazingwekkende mededeling omdat altijd al gesteld is dat de bestaande behuizingen bestand zijn tegen aanslagen en de echte gevaren daar niet in schuilen. De gevaren liggen in de ongecontroleerde proliferatie van kernsplijtstoffen en de mogelijkheden om deze te produceren, de falende overige beveiliging en de langzamerhand bekende schadelijke gevolgen voor de bevolking in geval van een kernramp. Zie onder andere ook het artikel in de vorige Nieuwsbrief over het Khan-netwerk.

 

Al met al een verontrustende ontwikkeling.

 

 

Bron: IPPNW global health watch 2004. Het rapport is te bestellen bij het bureau van de AVV / NVMP.