Vredes-Nobelprijs moet

terug naar Nobel

 

In zijn tweewekelijkse NOVA-praatje pleitte Ronald Plasterk enkele dagen na de toekenning aan de Keniase milieu-activiste Wangari Maathai voor afschaffing van de Nobelprijs voor de Vrede. Die toekenning was de druppel die de emmer had doen overlopen, en die reeds tot de nok toe gevuld was door laureaten als Kissinger, Begin en Arafat. Plasterks cri de coeur is begrijpelijk.

 

Het Nobelprijs-comitť heeft inderdaad in het verleden de nodige onbegrijpelijke beslissingen genomen. Het door Plasterk genoemde drietal, van wie de handen besmeurd zijn met liters en liters bloed, kan met gemak verder worden uitgebreid. Toch was zijn redenatie wat vreemd. Maathai zou de prijs niet verdienen vanwege het feit dat ze de elite van het land was binnengestormd met 98 procent van de stemmen, een in een democratie altijd op gezonde scepsis botsend getal, en vanwege haar zacht gezegd wat warrige, maar op de keper beschouwd ronduit gevaarlijke ideeŽn over AIDS. Als die ideeŽn het HIV-virus is in westerse laboratoria ontwikkeld om het zwarte ras uit te roeien in Afrika wijd geaccepteerd zullen gaan worden, dan zal ze indirect zeker zoveel doden op het geweten hebben als het genoemde drietal.

Allemaal waar en het is volkomen terecht dat daar de aandacht op wordt gevestigd. Maar toch is dat niet ook mijn hoofdbezwaar tegen haar uitverkiezing. Dat is dat het het zoveelste bewijs is dat de prijs is veranderd in een milieu-mensen-en-vrouwenrechten-en-andere-humanitaire-activiteiten-prijs. Dat is overigens geen verschijnsel van de laatste jaren. Kenmerkend is een opsomming van de verschillende types die de prijs tot dan toe hadden ontvangen, die Nobel-prijscomitťlid mevrouw Lionaes in het begin van de jaren zeventig gaf. Daarbij schitterde de term Ďvredesactivistí door afwezigheid. Alsof het woord Ďschrijverí ontbrak bij de lijst van winnaars van de Nobelprijs voor de literatuur. Het is echter wel een verschijnsel dat de laatste decennia alleen nog maar sterker is geworden.

Maathai heeft de prijs gekregen voor het planten van miljoenen bomen en haar strijd voor vrouwenrechten in Kenia. Wat daarbij haar ideeŽn over AIDS zijn en met hoeveel procent zij het bestuur van het land is gaan medevormen, is niet relevant. Zelfs als ze de Nobelprijs voor de geneeskunde had gewonnen zouden haar AIDS-ideeŽn niet relevant zijn geweest, als ze de prijs had gekregen voor, laten we zeggen, een revolutionair middel tegen kalknagels.

 

Maathai verdient de prijs niet, juist vanwege de redenen waarom ze hem wel heeft gekregen. Zonder gezond milieu geen vrede, zo was de redenering. Daar valt zeker wat voor te zeggen, maar dat geldt voor zoveel andere dingen ook. Let there be no mistake: milieu- en vrouwenrechten zijn zeer belangrijk, maar, met de strijd voor vrede, het beŽindigen van oorlog en het streven naar ontwapening hebben ze hooguit zeer indirect te maken, en niet eens altijd in positieve zin. Maar laten dat nu de criteria zijn geweest die Nobel had opgesteld. Het was zijn secretaresse, de jarenlange vredesactiviste Bertha von Suttner, schrijfster van de pacifistische bestseller ĎDe Wapens Neerí die Nobel met zijn prijs voor ogen had. Een persoon dus, en het liefst een vrouw, gepokt en gemazeld in de vredesbeweging. Helaas echter werd daar de bepaling aan toegevoegd dat die pacifist(e) het liefst in het jaar voorafgaand aan de uitreiking een flinke bijdrage aan (een van) de drie bovengenoemde doelen moest hebben geleverd, reden waarom in zekere zin juist laureaten als Kissinger, Begin en Arafat hun prijs toch met enig recht ontvingen. Maar dan wel alleen als (een deel van) de bepalingen naar de letter werd geÔnterpreteerd. Naar de geest van de bedoelingen van Nobel was zulks natuurlijk absoluut niet. Maar, en daar komen we bij de crux van de zaak, dat is een uitreiking aan personen als Maathai of organisaties als Artsen zonder Grenzen, Amnesty International of het Rode Kruis ook niet. De Nobelprijs voor de geneeskunde gaat, jammer genoeg, immers ook niet naar een historicus, hoe belangrijk werk historici vaak ook doen. Het werk van genoemde organisaties is van groot belang en vaak een zegen voor de mensheid, maar met vredesstreven, anti-oorlogactivisme of ontwapening heeft het wederom slechts zeer indirect te maken en, met name bij mensenrechtenorganisaties, wederom niet altijd in positieve zin. Zeker het laatste decennium is er met regelmaat in naam van de mensenrechten om het voeren van oorlog gevraagd. Dit zal met het oog op het recht op een gezonde leefomgeving, eveneens een mensenrecht, ook gaan gebeuren.

 

Met andere woorden: mijns inziens kan de Vredes-Nobelprijs nog gered worden, maar alleen als in het vervolg meer gekeken wordt naar de geest van de bedoelingen van Nobel. Dus niet alleen geen prijzen meer naar mensen als Kissinger, maar ook geen prijzen meer naar organisaties of personen die zich inzetten voor zaken als milieu en mensenrechten. En dat dus niet omdat zij er afgezien daarvan vreemde ideeŽn op nahouden, maar juist omdat zij zich inzetten voor milieu of mensenrechten.