Een poging tot begrijpen

 

Tussen solidariteit en identiteit

door: Eduard Kusters

 

Het dorpje waar ik ben opgegroeid lag op de hoofdweg tussen Tongeren en Maastricht, juist op de grens tussen België en Nederland. Het bestond uit een doorgaande steenweg en een dorpscentrum met kerk, school en enkele grote boerderijen.

Het dorp had veel te lijden gehad van de oorlog. Het was een van de invalspunten geweest van het Duitse leger op 10 mei 1940. Veel was vernield. De lagere school was ondergebracht in de sacristie van een kerk en twee jaren later naar de gelagzaal van een café dat niet meer gebruikt werd. Wat opviel in dit kleine dorpje, en dit stond los van de oorlog, was de vorming van diverse partijen.

 

Achtergrond

Dagelijks voor schooltijd voetbalde het ‘dorp’ tegen de ‘steenweg’, in de winter gebeurden de sneeuwbalgevechten met dezelfde kampen. En zelfs het knikkeren in de zomer vertoonde dezelfde rivaliteit. Elk kamp zette zich af tegen het andere kamp en zorgde voor een beeldvorming. De jongens van de steenweg waren ‘gruts’ (verwaand). De jongens van het dorp waren sloom. Ze kwamen te laat op school omdat ze moesten meehelpen op de boerderij. Of men het wilde of niet men behoorde tot een groep met een eigen identiteit.

Vreemd genoeg deed zich hetzelfde verschijnsel voor op de provinciale middelbare school. Daar waren het de Kempenaren (zandgrond) die zich afzetten tegen de Haspengouwers (zware grond). Ik herinner mij nog een leraar die met afkeer sprak over de Haspengouwers die even zwaar en vies waren als de grond waar zij vandaan kwamen. De brave man is later directeur geworden van een school in de Kempen-afdeling.

 

Vreemd genoeg was de tegenstelling tussen Vlamingen en Walen op dat ogenblik (1955) nauwelijks een punt hoewel een Franstalige afdeling aanwezig was. Aan de Leuvense Alma Mater was er weer hetzelfde fenomeen in ietwat gewijzigde vorm. De medische faculteit werd gedomineerd door de Westvlamingen. Limburgers spraken anders en waren per definitie wat trager en minder werklustig. Na de universiteit kwam ik voor verdere opleiding dikwijls in Nederland voor seminaries en andere samenkomsten. Een bekende hoogleraar vond het nodig toen de aandacht wat verslapte, enkele goede Belgenmoppen te vertellen. Ik lachte plichtsbewust mee en mijn buren hadden een zekere hilariteit. De goede man moet dit gezien hebben want hij trachtte met de onbesuisde reactie van de Nederlandse regering op het Halcion verhaal aan te tonen dat de beslissingen in Nederland ook niet altijd helder en verstandig verlopen.

 

De behoefte om zich af te zetten tegen anderen lijkt algemeen. Het helpt een eigen identiteit te creëren. Het is ingebakken in het menselijke gedrag, vastgeankerd in de genen. Het hebben van een identiteit is zo universeel dat het wel een functie moet hebben.

 

Denken over identiteit en solidariteit

Problemen van geweld en oorlog worden veelal benaderd vanuit het aspect van goed en kwaad. Dit zijn beoordelingen over waarden en normen. Deze waarden en normen zijn in de loop van de geschiedenis geëvolueerd. Het uitroeien van een heel volk wordt niet langer aanvaard. Het verminken van gevangenen wordt afgekeurd. Zelfs oorlog als middel om een bepaald doel te bereiken wordt aan regels onderworpen. Waarschijnlijk steunen deze waarden en normen op een soort zelfbescherming van de menselijke soort. Een regeling om te beletten dat de soort uitsterft. Ook bij dieren bestaan normen voor de hiërarchie bij de voedselverdeling en bij het bepalen wiens genen de soort mogen/kunnen instandhouden.

 

De vredesbeweging gaat eveneens uit van deze waarden en verheft ze tot een dogma. Toch zou het nuttig zijn na te gaan waarop ze gebaseerd zijn. Veelal gaat men dan terug tot familie en stam. Toch meen ik dat het ontstaan van een identiteit al vroeger begint. Het eerste begin ligt in de vorming van het half doorlatend membraan. Voor het ontstaan van leven was er een soort oersoep waarin ongetwijfeld reacties plaats vonden. Deze reacties hadden weinig gevolg omdat ze onmiddellijk verdund werden in de oneindige massa. Pas wanneer door uitwendige omstandigheden een membraan gevormd werd was er de mogelijkheid tot het ontstaan van een celachtig organisme. Een reactie die in de massa afgeschermd door het membraan plaats vond had de mogelijkheid te blijven bestaan. Een hogere energievorm of een complexe structuur werd niet onmiddellijk verdund in de grote massa. Een identiteit werd gevormd. Het membraan was half doorlaatbaar omdat de uitwisseling met de omgeving noodzakelijk bleef. Verder in de evolutie sloten de cellen zich aan elkaar tot organismen. Dit gaf meer mogelijkheden. Toch bleven dezelfde principes spelen: in een afgesloten ruimte een hoger niveau bereiken. In de cel zijn het de sturingsmechanismen in het DNA, de mogelijkheid zich in te kapselen bij ongunstige leefomstandigheden, de mogelijkheden door deling zijn eigenschappen door te geven. Bij de familie en de stam geldt dat men zijn bloedverwanten verdedigt en verzorgt. Bij verdere organisatievormen zoals stam of volk komen dezelfde uitgangspunten terug.

 

Een duidelijke illustratie van het bovenstaande vormt de joodse geschiedenis. De spijswetten en de vele andere voorschriften hebben tot gevolg dat de groep samenblijft. Tegelijk is er ook tweespalt. In de bijbel worden op het ene ogenblik geboden en regels uitgevaardigd die doortrokken zijn van gerechtigheid en universele visie op de mens. “Uw God is de God der goeden, en de Heer der heren. Hij is de grote, sterke en vreselijke God die geen partijdigheid kent, noch een geschenk aanneemt; die wees en weduwe recht doet en de vreemdeling liefde bewijst door hem brood en kleding te geven” (Deuteronium 10:17-19). Even verder wordt een etnische afzondering opgelegd die geen enkele menselijke consideratie lijkt te kennen: “Een Ammoniet of Maobiet zal niet in de gemeente des Heeren komen; zelfs hun tiende geslacht zal niet in de gemeente des Heeren komen” (Deuteronium 23:3). Elke vermenging met de rivaliserende volken in de omgeving is een bedreiging van het verbond. In deze lotsverbintenis tussen het etnische en het universele vindt men geen uitweg. Het particuliere isolement is en blijft de voorwaarde van het verbond met God.

 

Dezelfde tweespalt komt ook tot uiting in de hedendaagse geschiedenis. Haast op hetzelfde ogenblik dat Theodor Herzl het boek Der Judenstaat (Wenen 1896) uitgaf was er een joodse arts Ludovico Zamenhof die een universele hulptaal, het Esperanto, voorstelde (1898) om de barrières tussen de volkeren kleiner te maken.

 

Nut van deze benadering

De gebeurtenissen van oorlog en vrede in de wereld enkel benaderen vanuit het standpunt van goed en kwaad is niet volledig en misschien niet geldig. De vredesbeweging was op het einde van de negentiende eeuw zeer sterk en toch faalde ze bij het voorkomen van de Eerste Wereldoorlog. De krachten die tot een oorlog leidden waren sterker dan de wil tot vrede. Het was alsof er een machtige drijvende kracht was die alle bezwaren tegen de oorlog overwon en toch tot een gewapend treffen voerde. Op kleinere schaal gebeurde onlangs iets analoogs: een groot aantal mensen was tegen de opsplitsing van ex-Joegoslavië. Toch gebeurde het. Velen hebben er hun leven bij gelaten. De levensomstandigheden zijn thans niet beter dan voorheen. De vergelijking is waarschijnlijk overtrokken maar het is zoals met de zwaartekracht: sommige zullen betreuren dat ze bestaat maar er is niet aan te ontkomen. Het lijkt een eeuwig conflict tussen het etnische en het ethische, tussen individualiteit en universalisme, tussen universalisme en nationalisme.

 

De drijfveren van mensen die van zichzelf zeggen dat ze verantwoordelijkheid willen nemen en daarbij streven naar uitbreiding van hun macht verdienen nadere analyse. Alle extreme vormen van geweldtoepassing zoals Dresden, Hiroshima, 11/9 New York, Bali of Beslan hebben een doelstelling. Op deze doelstelling wordt weinig ingegaan. Veelal volgt een benadering van morele afschuw. De agenda van de daders en de verwezenlijking ervan komt weinig aan bod of wordt karikaturaal weergegeven.

 

De vredesbeweging gaat onmiddellijk uit van de morele normen van goed en kwaad. Dit lijkt onvoldoende en is niet de enige benadering. De drijfveren van handelen zijn complex met de wisselwerking tussen universalisme en individualisme. Dit geld zowel voor staatsterreur zoals deze door Israël of de VS wordt beoefend als voor de terreur door verzetsgroepen. Soms is het uiteindelijke resultaat ondanks de gebruikte middelen niet slecht en beter dan de oorspronkelijke toestand. De VS hebben vanaf de aankopen van Lousiana en Alaska over de verovering van Texas, systematisch hun invloedssfeer uitgebreid via de Filippijnen, Japan naar Zuid-Amerika en Europa. Dit alleen moreel benaderen heeft geen zin. Het is te complex. Het heeft trouwens Europa veel voorspoed gebracht. De zestig jaar van vrede tussen de grote mogendheden in Europa hebben wij voor een groot deel aan de VS te danken. Hun hegemonie is daarbij een minder kwaad dan de ellende van een conflict. Het maakt het allemaal minder eenduidig.

 

Anderzijds is een oorlog met vernieling van materiële bezittingen en het doden en verminken van mensen zo afschuwelijk dat men naar oplossingen moet zoeken. De ellende van de betrokkenen stopt niet met het einde van de oorlog. De gevolgen op sociaal en psychologisch gebied gaan vele generaties verder. Daarom is een analyse van de drijfveren en de gebruikte methodes bij een conflict beter dan enkel een morele veroordeling. Een tweede gevolg is dat in bepaalde gevallen een aanvaarding van vermindering van identiteit beter is dan verzet. In die optiek zou het onteigenen met geldelijke compensatie beter zijn voor de Palestijnen dan de huidige retoriek. Ook in Irak zou het aanvaarden van de opdeling van het land, het uit handen geven van de beslissingsmacht en het betalen van een cijns beter zijn voor de bevolking dan de huidige moordpartijen en rechtsonzekerheid. Kolonel Khadafi lijkt in die zin te handelen. Hoewel het minder eervol overkomt is het toch beter voor de bevolking. Alles hangt ervan af wat men wil bereiken en hoe waardevol men daarbij een mensenleven inschat.

 

 

Referentie

Sommige ideeën komen uit het boek van Göran Rosenberg, ‘Het verloren land, een geschiedenis van Israël’ Uitgeverij Atlas, Amsterdam/Antwerpen (2000).