Terrorisme en repressie

 

Gijzeldrama in Beslan

 

Wat bezielt mensen om een school met kinderen te gijzelen en met honderden te doden?

Is dit de uiterste ‘onmenselijke’ gruweldaad die men kan bedenken om de aandacht van de wereld te krijgen? Zijn dit niet de uitwassen van doorgedraaide terroristen die net als dictators van het kaliber Saddam Hoessein en Idi Amin hun macht, ongeremd door grenzen van goed en kwaad, misbruiken op de meest weerzinwekkende wijze?

 

Dat waren mijn eerste gedachten bij het volledig uit de hand gelopen gijzeldrama in Beslan. Je neigt je achter president Poetin te scharen: onderhandelen met dit soort terroristen? Nooit!

 

En toch zo ‘eenvoudig’ is het plaatje niet. Vandaag las ik in mijn krant een stuk over de Tsjetsjeense arts Kassan Bajev: ‘De beelden van de gewonde en gedode kinderen van Beslan hebben Kassan Bajev vervuld met verdriet en woede en de verantwoordelijken verdienen het niet meer mensen te worden genoemd.’ Maar hij kende dit soort beelden. Als Tsjetsjeens oorlogschirurg heeft hij de gebroken lichamen van kinderen behandeld, het meisje dat haar ouders zag uiteenrijten door een bom, het jongetje dat in één nacht wit haar kreeg, de lichaampjes waaruit honderden granaatsplinters moesten worden verwijderd. En overal was bloed. Hij kan de mentaliteit van de terrorist niet verklaren, maar hij kan wel de context bieden, waarin gewone mensen monsterlijke extremisten worden. Jonge vrouwen met bommengordels zijn geen trekpoppen van fundamentalisten. De tien jaar oude oorlog met Rusland heeft aan 250.000 mensen het leven gekost, een kwart van de bevolking. Onder die doden 42.000 kinderen.

Het geweld in de Kaukasus speelt al sinds de 18-e eeuw en een groeiend gevoel van nationalisme is daarvan het gevolg. President Poetin heeft dan ook geen gelijk als hij spreekt over een geval van internationaal terrorisme zonder politieke wortels, ratio of rede. Oftewel een stel gekken die ons alleen maar wil aanvallen. Zo’n beeld boezemt angst in want het zorgt voor onvoorspelbaarheid, wanneer vindt de volgende nog gruwelijker aanslag plaats? Angst die wordt omgezet in een hysterische afkeer van hele bevolkingsgroepen. Zo’n angst roept om extreme maatregelen, strenge regels, inperking van vrijheden, geweld. Precies die reactie die President Bush gaf na 9/11. En hier ligt juist het grootste gevaar; in de ontkenning van een politieke achtergrond van groeperingen die besloten hebben om terrorisme, als wapen van de zwakkeren, te gebruiken. Iemand wordt niet geboren met explosieven in zijn hand en de gedachte dat hij/zij Russische kinderen moet doden. De weg naar de rekrutering vindt plaats in een politieke context zoals Kassan Bajev die hierboven beschrijft. En dat geldt niet minder voor de bezetting van Irak en voor de Israëlische bezettingspolitiek. Aanslagen in Irak op Nederlandse troepen worden in ons taalgebruik simpelweg gereduceerd tot ‘terroristische aanslagen’. Maar het zijn geen aanslagen van alleen maar tegenstanders van het regime en buitenlandse terroristen maar de reflectie van een brede afkeer tegen de aanwezigheid van vreemde troepen. 

 

Wat is nu de conclusie van dit alles?

De nutteloosheid van puur militaire maatregelen in een politieke strijd. De immense gevaren van de simplistische generalisaties die het huidige anti-terrorisme beleid bepalen. En wat is de realiteit? William Pfaff stelt in de International Herald Tribune van 9 september: “Could Putin do anything now other than promise resistance, power, security, repression? Politically, probably not. Is what he said going to do any good? Again, the answer is no. Moscow, and Bush’s Washington and Sharon’s Jerusalem, have to prove their ‘resolve’; they can’t be seen as ‘pitiful, helpless giants.’ Yet until they tell the truth to themselves, or their countrymen tell it to them, that is just what they are.”