De grenzen van de macht verkennen is gemakkelijk. Probeer maar eens iemand te dreigen die niets te verliezen heeft

 

Het machtigste land ter wereld?

 

Een rampzalig axioma ligt aan de basis van de buitenlandse politiek van de Bush-regering. Het is duidelijk verwoord in de openingszin van de National Security Strategy: ‘De Verenigde Staten bezitten een nooit eerder geziene, ongeëvenaarde macht en invloed in de wereld’. De ineenstorting van de Sovjet-unie betekende voor de Verenigde Staten wat sommige theoretici beschrijven als een ‘unipolair moment’. Om deze situatie optimaal te benutten, zeggen ze, mogen de Verenigde Staten zich geen enkele beperking opleggen bij de eenzijdige uitoefening van hun macht.

 

De redenering werd helder uiteengezet door Robert Kagan, een belangrijke ‘unipolaire’ theoreticus en een van de denkers die het beleid van de Bush-regering bepaalden. Kagan argumenteerde in het tijdschrift Policy Review (juni 2002) dat de Verenigde Staten, uit hoofde van hun enorme macht, op een andere manier moeten reageren op bedreigingen dan landen met minder macht. Kagan gaf het voorbeeld van een man in de wildernis wiens bestaan door een beer wordt bedreigd. Indien de man een geweer bezit zal hij de dreiging aanpakken door op de beer te jagen en hem neer te schieten. Indien hij geen wapen bezit dan zal hij de dreiging oplossen door uit de buurt van de beer te blijven. Kagan argumenteerde verder: omdat de Verenigde Staten, anders dan Europa, de mogelijkheid hebben hun dreigementen uit te voeren, moeten en zullen ze een buitenlandse politiek voeren die kwalitatief verschilt van Europa of van enig ander land in de wereld. De argumentatie heeft de verdienste goed verstaanbaar te zijn voor het grote publiek. Het is een simplistische kijk op internationale betrekkingen en is gebaseerd op de veronderstelling dat militaire slagkracht, de mogelijkheid om gebouwen te verwoesten en mensen te doden, de voornaamste bron van macht is in deze wereld. Het

militair sterkere land kan volgens deze theorie zijn wil opleggen aan de zwakkere landen, die geen andere keuze hebben dan te gehoorzamen als ze de consequenties van een eventuele ongehoorzaamheid juist inschatten.

 

Indien het vermogen tot dwang de bron is van macht dan staan de Verenigde Staten thans op de hoogste  hiërarchische trap door hun enorm leger en superieure wapenuitrusting. En ze zullen, in overeenstemming met de National Security Strategy en de denkbeelden van Kagan en zijn soortgenoten, hun macht gebruiken om orde, voorspoed en veiligheid te promoten in een gevaarlijke en chaotische wereld. Geobsedeerd door deze denkbeelden heeft de Bush-regering zichzelf uitgeroepen tot de behoeder van de internationale orde. In naam van deze missie eisen de Verenigde Staten voor zichzelf het mandaat op om oorlog te voeren wanneer ze willen, tegen wie ze willen en om elke reden die ze zelf voldoende achten.

 

De eenogige krijgsheer

Maar veronderstel eens dat wij de hoeksteen van deze redenering in twijfel trekken. Veronderstel dat wij macht niet zien als iets evenredig met militaire sterkte, maar meer als de mogelijkheid om iemand iets te laten doen wat hij normalerwijze niet zou doen. Hoe komt de Amerikaanse supermacht over in het licht van deze benadering? Hier in Pakistan weten wij dit maar al te goed. In de dagen volgend op 11 september 2001 was de wereld getuige van een verbijsterend schouwspel tussen de president van de Verenigde Staten, zogezegd de machtigste man ter wereld en Mullah Omar, de eenogige hoofdman van een studentenmilitie die nauwelijks leiding kon geven aan Afghanistan, het armste en door opeenvolgende oorlogen, het meest verwoeste land in de wereld. Een grotere ongelijkheid tussen twee mannen is moeilijk denkbaar.

“Lever Bin Laden uit! Hij heeft een grote misdaad begaan tegenover mijn land”, eiste de machtigste man ter wereld.

“Geef de bewijzen” antwoordde de eenogige krijgsheer.

“Indien jullie hem niet onmiddellijk uitleveren, zullen wij een oorlog

beginnen en hem zelf komen halen”, dreigde de machtigste man ter wereld.

“Wij zijn er klaar voor”, antwoordde kalm de eenogige krijgsheer.

En hoe hij ook probeerde, hoe hij ook dreigde met zware gevolgen, de machtigste man ter wereld kon de eenogige krijgsheer niet overtuigen aan de eis tot uitlevering te voldoen.

Om de betekenis van wat hier gebeurde te begrijpen moet men naar het antwoord van de heerser in het buurland Pakistan kijken. De Verenigde Staten plaatsten president Pervez Musharraf voor een duidelijke keuze: werk met ons samen in de oorlog die wij voeren tegen uw bondgenoot of deel in zijn lot. In zijn toespraak tot de natie op 15 september trachtte Musharraf de vernederende keuze te verklaren. Hij maakte duidelijk wat de inzet was: de Amerikanen hadden te verstaan gegeven dat bij een aanval op Pakistan ‘strategische doelen’ zouden geviseerd worden. De keuze voor hem, aldus Musharraf, was ofwel Pakistan redden ten koste van het bondgenootschap met de Taliban, ofwel dit bondgenootschap behouden en samen ten onder gaan.

 

Hier, in onze regio, toonden de Verenigde Staten op éénzelfde moment dat ze de mogelijkheid bezaten om Musharraf iets te laten doen wat hij normalerwijze nooit zou doen en tegelijk het spectaculaire onvermogen om Mullah Omar hun wil op te leggen. Waarom gaf Musharrraf zo vlug toe terwijl Mullah Omar weerbarstig bleef tot het einde? Het lijkt vreemd want de ongelijkheid in sterkte was veel groter tussen de Verenigde Staten en de Taliban dan tussen de Verenigde Staten en de kernmacht Pakistan. Paradoxaal genoeg bleek de sterkte van Pakistan, zijn nucleair arsenaal met zijn enorme vernietigingskracht, politiek gezien zijn zwakke plek, op dat kritische ogenblik wanneer het land het hoofd moest bieden aan een dodelijke bedreiging. Het was duidelijk voor Musharraf dat de Verenigde Staten geen ogenblik zouden aarzelen deze wapens uit te schakelen als hij de verkeerde keuze zou maken. Afgezien daarvan had Pakistan heel veel te verliezen bij een confrontatie met de Verenigde Staten en zeer veel te winnen bij een alliantie. Het was deze afweging die werkte in het voordeel van de Verenigde Staten bij het opleggen van hun wil aan Musharraf.

En wat had Mullah Omar te verliezen? Hij wist dat de Verenigde Staten een verschrikkelijke oorlog zouden starten tegen de Taliban. Maar Mullah Omar zou niet de man geworden zijn die hij was indien hij zou wijken voor oorlog of dood. Hij was opgegroeid in een vluchtelingenkamp en had heel zijn volwassen leven reeds oorlog gekend. Het volstond om even te luisteren naar zijn woordvoerder in Pakistan, om te weten dat hij zich zeer goed bewust was van de situatie. Hij koos voor de uitdaging. Het valt nog af te wachten of de Verenigde Staten in deze oorlog al dan niet de overwinning hebben behaald. Weinigen in Pakistan geloven dit: niemand wint een oorlog in Afghanistan, zelfs de Afghanen niet.

 

Wat komt er terecht van de Bonn-akkoorden?

Zo brengen de acties van de eenogige krijgsheer ons tot de conclusie dat er iets schort aan de visie van het ‘unipolair moment’. Het enorme machtsoverwicht schoot tekort bij het uitoefenen van dwang op een allegaartje van de Taliban, terwijl op hetzelfde ogenblik de Verenigde Staten wel hun wil konden opleggen aan de kernmogendheid Pakistan. Conclusie: dreigen met geweld werkt beter op mensen die iets te verliezen hebben. Mensen die vinden dat hun leven nauwelijks het leven waard is, zwichten niet voor geweld. De mogelijkheid levensvoorwaarden te scheppen met zinvolle verwachtingen waarin met redelijke zekerheid geďnvesteerd kan worden in de toekomst, geeft uiteindelijk meer macht over hen dan dreiging met materiële schade.

 

Dit brengt ons tot een ander inzicht over de aard van macht. Laat ons aannemen dat in plaats van de mogelijkheid schade toe te brengen, macht de mogelijkheid is het eindresultaat te controleren. In een complexe situatie met vele actoren, zal macht de dominante speler toelaten de situatie te controleren en haar naar het gewenste eindresultaat te leiden. Is het de

Verenigde Staten gelukt op deze wijze hun macht te gebruiken? De bombardementen dwongen de Taliban zich terug te trekken en zich te hergroeperen op veiliger bodem. De Verenigde Staten trokken Afghanistan binnen met de belofte er een stabiele, seculiere, progressieve en democratische staat te vestigen. De doelstellingen werden duidelijk vastgelegd in de akkoorden van Bonn zodat het mogelijk zou zijn de vooruitgang te meten. Ze omvatten het ontwerpen van een grondwet, het organiseren van een burgerlijke infrastructuur, het ontwapenen van de verschillende krijgsbenden en het oprichten van een nationaal Afghaans leger.

 

In hoe verre zijn de Verenigde Staten er na twee jaar in geslaagd om deze doelstellingen te bereiken?

Vraag het Zalmay Khazalid, de nieuwste gezant van de VS, die onlangs zijn mandaat opnam in Kabul. De arme man moet voorlopig gehuisvest worden in een metalen container terwijl aan zijn versterkte woning wordt gewerkt. Of nog beter, vraag het de chef van het Centrale Commando, Generaal John Abizaid die de gevechtsoperaties in Afghanistan beschreef als ‘even ongenadig en even moeilijk als in Irak’. Of vraag het misschien aan Generaal Andrew Leslie, afgevaardigd bestuurder van de Internationale Vredesmacht in Afghanistan: “De veiligheidssituatie in Afghanistan verbetert niet. Indien de internationale gemeenschap niets onderneemt zal de toestand nog verder verslechteren”.

 

Of vraag het de 15 leden tellende missie van de VN-Veiligheidsraad, geleid door Gunther Pleuger, Duitse ambassadeur bij de Verenigde Naties, die na onderzoek van de toestand in Afghanistan waarschuwde dat “de voorwaarden noodzakelijk voor een geloofwaardig politiek hervormingsproces nog niet aanwezig zijn”. Hij zei verder dat de afgevaardigden hadden gezien hoe “het gebrek aan veiligheid, sommigen noemen het de wet van het geweer, het totale Afghaanse vredesproces aantast”. De krijgsheren ontwapenen en de Taliban en Al Kaida strijders definitief overwinnen, waren de sleutelvoorwaarden om de doelstellingen van de Bonn-akkoorden te bereiken. Zoals Lakkar Brahim vroeger verklaarde aan de Verenigde Naties, zijn het herstel van de economische structuren en het creëren van nieuwe vooruitzichten in de burgersector de sleutelelementen van een succesrijk ontwapeningsplan. Hoe langer de strijd tegen de opstandige Taliban/Al Kaida strijdkrachten duurt, hoe langer de essentiële doelstellingen achteruit gesteld zullen worden. Maar juist omdat de vele legertjes van de krijgsheren nodig zijn om opstanden en guerrilla-aanvallen in de grensstreek te bedwingen, verwerven die meer macht in plaats van ontwapend te worden. De Verenigde Staten zijn dus geprangd tussen twee tegengestelde doelstellingen: vooruitgang maken bij de ene ondermijnt de inspanningen bij de andere.

 

Macht: een relatief begrip

Wie controleert uiteindelijk de situatie in Afghanistan? En met welk resultaat? De belangen van de Verenigde Staten zijn nauw verweven met de heropbouw van het land, terwijl hun vijanden baat hebben bij het bestendigen van de chaos. De immense militaire macht van de VS, in vergelijking met de andere actoren in de Afghaanse regio, lijkt maar van beperkte betekenis om de Amerikaanse doelstellingen te bereiken. De eenogige krijgsheer kan zijn situatie goed inschatten. Maar wie maakt het de eenogige Amerikaanse theoreticus duidelijk? Misschien is macht in internationale verhoudingen een relatief begrip. Relatief, niet alleen in vergelijking met macht van eventuele tegenspelers, maar ook in het licht van de doelstellingen die men heeft.

 

Voor de opdrachten die Duitsland en Japan zich tot taak stellen is hun macht, relatief gezien, aanzienlijk. Voor de opdracht die de Verenigde Staten zichzelf opleggen lijkt hun macht dan weer onvoldoende. Een grote mogendheid, zelfgenoegzaam over zijn almacht en obstinaat in de arrogantie die dit met zich meebrengt, is iets waar wij Pakistanen goed mee vertrouwd zijn. Wij zien dezelfde  dwaasheden bij onze feodale landedelen met hun benden van gewapende vazallen die pachters terroriseren. Wij zien het bij straatcriminelen en bij politiekers met banden met de onderwereld, die snel beginnen te denken dat er geen grenzen zijn aan hun macht en dat ze zich alles kunnen veroorloven. Ook wij bezitten schurken als Rumsfeld en Cheney, charlatans als Wolfowitz en Perle en hersenloze bluffers als George W. Bush.

Het is een ironische speling van het lot dat de oplichters, de hypocrieten en de kruipers die thans de Bush- regering bevolken erin geslaagd zijn de Amerikaanse buitenlandse politiek zo begrijpelijk te maken voor de gewone mensen in Pakistan.

 

Khurram Husain is docent aan de Lahore University of Management Science in Lahore, Pakistan. Tevens levert hij bijdragen aan de Paki-staanse pers over onderwerpen die betrekking hebben op de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten. Het artikel verscheen in Bulletin of the Atomic Scientists (maart/april 2004) in een reeks bijdragen waarin internationale correspondenten hun visie geven op de buitenlandse politiek van de VS.