A.Q. Khan, Urenco en de proliferatie van kernwapentechnologie:

De symbiotische relatie tussen kernenergie en kernwapens. Overtuigend bewijs voor het directe verband tussen kernenergie en kernwapens

 

Executive summary

 

Het Khan netwerk

Het is bekend dat de ‘vader’ van het Pakistaanse kernwapenprogramma, Abdul Qadeer (AQ) Khan, zijn wetenschappelijke basis had in Nederland in de jaren zestig en zeventig. In die tijd had hij toegang tot topgeheime uraniumverrijkingstechnologie: het Urenco ultracentrifuge project. Dankzij veiligheidsproblemen en de bewuste en onbewuste hulp van vroegere docenten en collega’s, was hij in staat een wereldwijd nucleair informatienetwerk en handel op te zetten. Vanuit Pakistan werden ultracentrifugetechnologie, kennis en materialen geëxporteerd naar Libië, Iran en Noord Korea. Dit was  mogelijk door gebruik te maken van zowel juridische als illegale transacties, waarbij zowel zakenlui van over de gehele wereld als hoge kringen van de militaire en politieke elite in Pakistan betrokken waren. Door hun handelen vond de proliferatie van nucleaire kennis veel sneller plaats dan zelfs ingewijden hadden verwacht.

 

De Urenco-Connectie

Urenco, opgericht in 1970, is één van de leidende uraniumverrijkingsbedrijven in de wereld. Een Brits/Duits/ Nederlands consortium, Urenco gebruikt de ultracentrifuge (UC)-methode om het bruikbare splijtbare uranium te scheiden van het niet-splijtbare uranium. De geavanceerde ultracentrifugetechnologie, ontwikkeld door Urenco, gebruikt veel minder elektriciteit dan gasdiffusie, waardoor het gebruik van de ultracentrifugemethode veel goedkoper is. Bovendien kan een UC-verrijkingsfabriek worden gebouwd in modules, in tegenstelling tot gasdiffusiefabrieken, die al snel de grootte hebben van een voetbalveld. Gegeven de commerciële voordelen van de UC-methode van verrijking boven die van de gasdiffusiemethode, is het de leidende technologie van uraniumverrijking in de wereld aan het worden. Inmiddels zijn elf landen in het bezit van UC- fabrieken.

 

Na vele jaren van ontkenning hebben het IAEA en de Nederlandse autoriteiten onlangs bevestigd dat deze technologie zijn weg lijkt te hebben gevonden naar zowel Iran, Libië, Noord-Korea als Pakistan. Bovendien heeft Khan tot zeer onlangs de ‘Nederlandse tak’ van zijn internationale netwerk van leveranciers en

tussenpersonen gebruikt voor Pakistans kernprogramma. Er wordt nu een onderzoek uitgevoerd naar een Nederlander voor het drijven van handel met één van de andere landen.

 

Het risico van proliferatie

Er zijn twee stappen in de civiele kernketen die het meest kwetsbaar zijn met betrekking tot kernproliferatie: de export van technologie voor uraniumverrijking en het opwerken van gebruikte kernbrandstof. De kwetsbaarheid van Urenco’s veiligheidsmaatregelen is een belangrijke factor in de verklaring hoe belanghebbende landen en niet aan staten gerelateerde partijen een kernarsenaal konden verkrijgen via de civiele kerntechnologie.

 

De toekomst?

De Amerikaanse president Bush gebruikt nu de onthullingen over Khan als rechtvaardiging voor het verbieden van verdere export van technologie voor uraniumverrijking en opwerking van gebruikte kernbrandstof aan landen die deze technologie nog niet hebben op een commercieel niveau. Dit zou een belangrijke stap kunnen zijn in het verminderen van verdere wereldwijde kernproliferatie. De kernwapenstaten en geavanceerde civiele kernstaten bezitten echter al een geprivilegieerde positie in het Non-proliferatieverdrag (NPV)-regime vergeleken met andere landen. Daar wordt de voorlopige status van vijf kernwapenstaten erkend. Deze discriminatie verhoogt het risico van proliferatie, omdat er geen nucleaire ontwapening plaatsvindt, zoals dat door artikel 6 van het verdrag is vastgelegd. Bovendien wordt de zogenaamde ‘verticale proliferatie’  in de kernwapenstaten niet geblokkeerd.

 

De huidige ontwikkeling van nieuwe kernwapens in bijvoorbeeld de VS verhoogt het risico van een hernieuwde kernwapenwedloop tussen de bestaande kernwapenstaten. De wereldwijde afschaffing van uraniumverrijking en opwerking van gebruikte kernbrandstof, door een uitgebreid splijtstofmateriaalverdrag is het enige reële antwoord om de kans op kernproliferatie te verminderen. Zulke maatregelen moeten worden vergezeld door reële stappen naar nucleaire ontwapening.