Hoe gaat het nu verder in Irak

 

Irak na de preventieve oorlog

 

Het is nog geen jaar gelden dat de preventieve oorlog tegen Irak plaatst vond. Inmiddels is de oorlog beëindigd en is Saddam Hoessein gevangen. Massavernietigingswapens werden niet gevonden, maar daar lijken we vrede mee te hebben. Rest de vraag: hoe gaat het nu verder in Irak? Karel Koster geeft een overzicht van de ontwikkelingen en opties.

 

Inleiding

De invasie van Irak had twee officiële redenen: dat land zou hebben beschikt over inzetbare massavernietigingswapens en zou het internationale terrorisme ondersteunen. Beide motivaties zijn inmiddels vergaand ondergraven. De afgetreden Amerikaanse wapeninspecteur Kay erkende voor de Senaatscommissie voor de Strijdkrachten in Washington op 28 januari dat hij en andere analisten zich vergist hadden. Minister van buitenlandse zaken Powell erkende in januari dat de aanwezigheid van enigerlei voorraden massavernietigingswapens in Irak een ‘open kwestie’ was en zelfs de militante vice-president Cheney nam een deel van zijn eerdere stelligheid terug (zie Washington Post 01-12-’03, Financial Times

28-01-’04, Internat. Herald Tribune 29-01-’04).

 

Er is geen overtuigend bewijs geleverd dat Irak een aanvalsoorlog beraamde, met of zonder massavernietigingswapens. De beweerde relatie met de aanslagen van netwerken van terroristen zoals Al Qaeda, is niet aangetoond. Wel is duidelijk dat het regiem uitermate onderdrukkend was en dat de regering van Saddam Hoessein door haar beleid grootschalige rampspoed betekende voor een groot deel van de Iraakse bevolking.

 

Om opportunistische redenen wordt daar nu herhaaldelijk op gewezen om achteraf nog een geldige casus belli te construeren. Dit was echter niet de rede voor de aanval en kon dat ook niet zijn. Er was geen VN-resolutie die de aanval rechtvaardigde, onder andere omdat er een VN-inspectie-proces op gang was gebracht dat nog niet was afgerond. Voor Nederland gaf de steun aan de Brits-Amerikaanse buitenlandse politiek de doorslag.

 

Er is helaas nauwelijks aandacht besteed aan het voorbereiden van de nasleep van de oorlog, omdat ze gevoerd werd op grond van een valse premisse, namelijk dat de Iraakse bevolking de invasiemacht massaal zou omarmen en ondersteunen (Washington Times 16-09-’03). Dit is niet gebeurd: de samenleving is in grote mate ontwricht, een aantal openbare diensten zijn nog steeds niet volledig hersteld, er heerst voor Iraakse burgers in Bagdad en andere steden een grote mate van onveiligheid en er is sprake van een grootschalige guerrillaoorlog.

De oorlog zelf heeft naar schatting  12.700  Iraakse militairen en 4300 burgers het leven gekost, plus een

onbekend groter aantal gewonden (Project on Defence Alternatives, onderzoeksinstituut Cambridge, Massachussets). Er zijn 500 ton verarmd uranium (Cdr. Robert Green, Disarmament and Security Centre Christchurch, New Zealand  11-05-’03) en grote hoeveelheden cluster munities (BBC 02-04-’03, G 09-05-’03) gebruikt, die om verschillende redenen langdurige gevolgen hebben voor mens en milieu. Een deel van de infrastructuur is vernietigd en ontwricht.

Het gebrek aan voorbereiding op de afloop van de oorlog heeft weer andere gevolgen gehad.

 

De ontbinding van de Iraakse strijdkrachten in mei heeft tienduizenden radeloze mannen werkeloos en nutteloos gemaakt, waarmee een perfecte rekruteringsbasis werd gecreëerd voor zowel de criminele wereld als het verzet tegen de bezetting. Dit verzet bestaat uit onderdelen van het oude veiligheidsapparaat van Saddam Hoessein, dat zich jarenlang heeft voorbereid op de situatie die na een Iraakse nederlaag zou ontstaan. Daarnaast spelen hierin een rol een klein maar vermoedelijk groeiend aantal terroristen die om religieus-ideologische redenen reageren op de Westerse bezetting en daardoor worden aangetrokken, net als dat destijds in Afghanistan gebeurde door de aanwezigheid van de Sovjet troepen. Tenslotte roept het veelal arrogante gedrag van delen van de bezettingstroepen (bijvoorbeeld bij het doorzoeken van woningen op zoek naar wapens) een reactie op van individuele Irakezen, zeker als het gaat om het wreken van dode familieleden.

 

In de guerrillaoorlog zijn inmiddels  honderden leden van de bezettingsmacht zelf gedood, evenals honderden Irakezen, niet alleen omstanders maar ook de hulpkrachten (zoals de in snel tempo opgebouwde politie) van de Amerikaanse militairen. Daarnaast zijn tientallen personeelsleden van de VN, Het Rode Kruis en andere hulporganisaties gedood. Deze oorlog was de eerste maanden beperkt in haar reikwijdte tot de zogenaamde Soennitische driehoek, maar heeft ook het noorden (Mosoel en Kirkoek) en het zuiden (Basra, Nasaijah) bereikt. De aanslagen treffen allang niet meer alleen Amerikaanse  troepen, maar ook die van de Amerikaanse bondgenoten: Italianen, Spanjaarden, Polen. Bovendien is de nadruk van de aanvallen verschoven naar de zogenaamde ‘softe’ doelwitten: burgers, diplomaten en zakenlieden die op de een of andere manier verbonden zijn aan de Amerikaanse bezettingsmacht.

 

Verlenging van verblijf

In Nederland is de kwestie van Irak vooral in het nieuws vanwege de deelname van Nederlandse troepen aan de stabilisatiemacht in Irak. Hun verblijf is vorig jaar verlengd. De redenen die voor dit besluit zijn aangevoerd komen in essentie neer op één argument: namelijk dat het weggaan een nederlaag zou zijn, een overwinning voor ‘het terrorisme’.

Er zou chaos ontstaan en de Iraakse bevolking zou het slachtoffer worden van zo een terugtocht, als alle troepenleverende landen hetzelfde zouden doen.

 

Argumenten voor verblijf. Vooronderstellingen 

De voorstanders van een verder verblijf waren niet noodzakelijkerwijs voorstanders van de Brits-Amerikaanse aanvalsoorlog. Ook een deel van de opiniemakers die tegen waren, stellen dat er nu geen andere keuze is dan te blijven. Ze zijn dus gegijzeld door het fait accompli van het eerdere besluit om te gaan.

 

De voorstanders  noemen  de volgende argumenten:

1. De aanwezigheid van de bezetting en stabilisatiemacht is noodzakelijk om de vrede binnen Irak en in de regio te handhaven. De verschillende delen van de Iraakse maatschappij zouden onmiddellijk in een burgeroorlog vervallen bij een terugtocht van de troepen.

2. De Amerikaanse regering heeft verklaard dat ze de soevereiniteit wil overdragen aan een democratische Iraakse regering. Er is dus uitzicht op een oplossing.

3. De Iraakse bevolking steunt het verblijf van de bezettingsmacht om bovengenoemde reden.

4. Het internationale terrorisme wordt bestreden door voortgezette aanwezigheid.

 

Achter deze argumenten liggen een aantal vooronderstellingen:

a. Het Iraakse verzet steunt slechts op overgebleven delen van het oude regeringsapparaat, criminelen en buitenlandse terroristen. Het gaat dus niet om een echte verzetsbeweging.

b. De VS-belangen zijn defensief, dat wil zeggen dat het terrorisme door deze bezetting wordt bestreden.

c. Export van democratie en vrijheid: Irak is een voorbeeld voor het Midden-Oosten.

d. Veiligstellen van de oliereserves voor het Westen en de rest van wereld.

e. Internationaal recht moet terzijde geschoven worden in geval van nood.

f. De Nederlandse belangen komen overeen met die van de VS. Bovendien is het goed om deel te nemen aan deze operaties om invloed uit te oefenen op de VS om eventuele ongewenste effecten tegen te gaan.

 

Commentaar op de argumenten

Ad 1: De stabiliteit in Irak en de regio.

De vooronderstelling is dat de aanwezigheid van de Amerikaans bezettingsmacht en haar bondgenoten een stabiliserende factor is. Dit gaat voorbij aan het gegeven dat de aanwezigheid van de Amerikaanse troepen en hun bondgenoten een destabiliserende  en negatieve uitwerking kan hebben, dus het tegengestelde effect.

 

Een inschatting is ingewikkeld omdat de uitwerking van de aanwezigheid verschilt per bevolkingsgroep. Ruwweg kan gesteld worden dat de Koerden pro-Amerikaans zijn, de Sjiieten voorlopig de aanwezigheid aanvaarden en de Soennieten passief dan wel actief de guerrilla steunen.

 

De guerrillastrategie heeft als einddoel het verdrijven van de bezettingsmacht. Dit kan ze niet militair bereiken, dus voert ze militaire acties om een politiek proces op gang te brengen in de VS, dat de troepen uiteindelijk wegneemt. Wat betreft het doel is de beste vergelijking die met het Tet- offensief in Vietnam in 1968, waar de Viet Cong een militaire nederlaag leed (omdat haar aanvallen overal met succes werden afgeslagen) maar een politiek-strategische overwinning behaalde, omdat de Amerikaanse publieke opinie overtuigd werd in het zicht van de presidentiële verkiezingen dat de VS-troepen niet konden winnen. De bedoeling van de Iraakse guerrilla is vermoedelijk om in de VS tijdens het verkiezingsjaar 2004 eenzelfde dynamiek te bewerkstelligen.

 

Dit proces kan alleen op gang komen als de aanvallen op de Amerikanen twee tactische gevolgen hebben:

a. Escalerende represaille maatregelen zoals het bombarderen van huizen van waaruit aanslagen plaatsvinden, invallen in stadswijken, collectieve strafmaatregelen. Een voorbeeld was de strijd die begin december in de binnenstad van Samarra werd gevoerd (Guardian 02-12-’03). Dergelijke confrontaties resulteren in rekrutering onder mensen die ten onrechte  worden geraakt of gestraft.

b. Afstand creëren tussen de Iraakse bevolking en de Amerikaanse troepen, door deze laatste te dwingen zich steeds meer op te sluiten in hun forten en stellingen. Door de afstand worden de Amerikanen ook afgesneden van inlichtingen. Informatie is juist essentieel om de guerrilla’s te pakken. Bovendien wordt een grotere psychologische kloof gecreëerd tussen bevolking en bezetters.

Dit zijn militair-technische methoden om rekrutering te versnellen en een kloof tussen bevolking en bezettingsmacht te creëren (al was het maar om niet in de buurt te verblijven van potentiële doelwitten).

 

De cruciale vraag is of de guerrilla ook omgezet kan worden in een politieke beweging. Voorbeelden daarvan zijn:

*  In Palestina (1945-1948) het verdrijven van het Britse koloniale bestuur door de Joodse opstandelingen.

Doel: een onafhankelijke staat.

* In Rhodesië (1965-1980) het verslaan van een blank minderheidsregiem. Doel: een meerderheids-

regering en land.

* In Vietnam (1962-1975) het verdrijven van een vreemde bezettende mogendheid en het pro-Amerikaanse bewind.

 

In alle drie gevallen was er sprake van substantiële steun voor de guerrilla vanuit (delen van) de bevolking, dat wil zeggen dat er een politieke basis was voor de militaire operaties (aanslagen). Deze politieke basis vormde op haar beurt de materiële/ logistieke ondergrond van de guerrilla. Er waren ook in alle drie gevallen buitenlandse hulpbronnen dan wel bases beschikbaar.

 

In Irak zou dit betekenen: het verdrijven van de vreemde bezettende mogendheid door het bewerkstelligen van een escalatieproces dat steeds grotere delen van de bevolking in de strijd betrekt. Tot nog toe zijn alleen delen van de Soennitische bevolking passief betrokken bij het verzet. De hoofdreden voor die politieke inschatting is dat de schaal van de operaties (20-30 aanslagen per dag, waarbij vermoedelijk  een paar duizend mensen betrokken zijn voor verkenning, logistiek, aanslag zelf, terugtocht, schuilplaatsen) moeilijk vol te houden is als de bevolking niet op zijn minst passief meewerkt, dat wil zeggen door geen informatie te geven aan de bezettingstroepen. 

 

Ad 2: De Amerikaanse regering heeft verklaard dat ze de soevereiniteit wil overdragen aan een democratische Iraakse regering.

Er is dus theoretisch uitzicht op een oplossing. Maar de VS-regering is al een aantal keren gedwongen om haar plannen te herzien. Er zijn twee belangrijke factoren in het spel: de presidentsverkiezingen van 2004 en de voortgezette aanwezigheid en invloed van de VS in het Midden- Oosten.

a. Een voortgezette oorlog, zelfs op het huidige lage niveau van intensiteit, kan ernstige problemen veroorzaken in de herverkiezingscampagne. De cruciale beschuldigingen die door de andere kandidaten zullen worden gebruikt zijn:

l*de oorlog is niet over, hoe lang duurt het nog?

* er vallen Amerikaanse doden en gewonden.

* het kost een boel geld.

 

Als de situatie uitzichtloos is kan dit een vorm van Vietnam-syndroom opwekken. Dit is de belangrijkste reden voor het Amerikaanse streven om de oorlog te ‘Irakiseren’, zodat de doden en gewonden niet meer onder de Amerikanen vallen. Ook als dat lukt blijft het probleem van de kosten voor de Amerikaanse belastingbetaler.

b. Blijvende invloed VS. Vanwege het strategische belang van de oliebronnen en reservevoorraden, zowel in Irak als in de hele regio, is een voortgezette Amerikaanse aanwezigheid gewenst door de Amerikaanse regering, ten minste tot het ogenblik dat er een Iraakse regering aan het bewind is die de Amerikaanse wensen vervult. Het gaat daarbij om het garanderen van een beleid voor een stabiele olieprijs, plus indirecte invloed op mogelijke concurrenten zoals China, Japan en Europa die in grote mate afhankelijk zijn van olie uit het Midden-Oosten. Tenslotte het handhaven van een uitvalsbasis voor militaire operaties tegen staten die op de een of andere manier vijandig zijn voor het Amerikaanse beleid (bijv. door terroristische bewegingen te steunen). Verder het offensieve nut van een uitvalsbasis richting Centraal Azië. 

 

De beweerde doelstelling om democratie te verspreiden in de regio door deze in Irak af te dwingen, beschouw ik als een ideologie die vooral van belang is voor de verkoop van de bovenstaande doelstelling aan het thuisfront. Mogelijkerwijs gelooft de radicale vleugel van de VS-regering hierin, maar dan wel in samenhang met de imperiale ambities zoals boven geschetst. Deze worden in het manifest voor de Project for a New American Century uiteengezet http://www.newamericancentury.org/ http://www.informationclearinghouse.info/article1665.htm Een aantal van de bewindslieden in de Amerikaanse regering, waaronder onderminister Wolfowitz en minister van defensie Rumsfeld, hebben dat project onderschreven.

 

In Irak is een plan op tafel gelegd dat naar een soevereine Iraakse regering moet leiden. Dit bestaat (voorlopig) uit de volgende stappen:

* Opstelling van een tijdelijke basic law, een voorlopige grondwet, waarin het overgangsproces wordt vastgelegd. Dit wordt gedaan door vertegenwoordigers van de Coalition Provisional Authority (CPA) en de overgangsraad (IGC).

* Een selectieproces voor provinciale raden, waaruit een nationaal overgangsassemblee wordt gekozen. De CPA beďnvloedt de samenstelling van de plaatselijke raden.

* De verkiezing van een overgangsregering door deze assemblee, die vervolgens de macht moet overnemen per 1 juli 2004.

* Het schrijven van een permanente grondwet onder de verantwoordelijkheid van deze regering in de loop van 2004-2005.

* Referendum over deze grondwet.

* Verkiezingen voor een democratische regering voor eind 2005.

 

Dit zijn voorlopige afspraken, aangezien er meteen een aantal problemen zijn ontstaan door het verzet van de ayatollah Sistani, de belangrijkste religieuze leider van de Shiieten. Delen van de raad staan achter de noodzaak van algemene verkiezingen voor de overgangsregering geschaard (IHT 01-12-’03), zoals Sistani wil. Er begint zich hier een conflict af te tekenen.

 

Een opiniepeiling die in oktober en begin november door de Britse organisatie Oxford Research International in Irak werd gehouden gaf aan dat 78% van de bevolking weinig of geen vertrouwen heeft in de Britse en Amerikaanse militairen (NRC Handelsblad 02-12-’03). Dit bevestigt dus de conclusies van het uitgelekte CIA rapport, waarin stond dat de meerderheid van de bevolking de Amerikaanse troepen als bezetters ziet (IHT 14-11-’03).

Het model van overdracht krijgt dus enige vorm:

* VS-garnizoen blijft voor onbepaalde tijd, zij het afgeslankt en gebaseerd in de woestijn in bases en kampementen, zoals het geval was in Saoedië-Arabië.

* Dit wordt vastgelegd in verdragen met de soevereine Iraakse regering.

*  Elke fase van het overdrachtproces wordt door de CPA op de een of andere manier beďnvloedt.

 

Ad 3: De Iraakse bevolking steunt het verblijf van de bezettingsmacht

De positie van de Iraakse bevolking is van beslissend belang voor elk plan dat wordt voorgesteld. In ruwe lijnen is de houding tegenover een voortgezette bezetting ongeveer zoals boven geschetst: sjiieten wachten af, soennieten zijn tegen, Koerden zijn voor. 

 

De soennitische tegenstand onder de bevolking is gebaseerd op de vrees dat ze zal worden uitgesloten van deelname aan de macht. Alle regeringen van de afgelopen 30 jaar werden beheerst door de soennitische minderheid. De onderdrukking van de sjiietische en Koerdische politieke aspiraties in die geschiedenis is van groot belang. Dit betekent dat de andere twee bevolkingsgroepen geen sterke invloed van de soennieten zullen accepteren. Deze politieke uitgangspunten vormen het raamwerk voor de guerrilla. De drijvende kracht achter die guerrilla is vermoedelijk een kern van Baath aanhangers, vooral uit de Soennitische gemeenschap afkomstig. De infrastructuur voor het voeren van de (militair-technische) guerrilla is door de regering van SH voorbereid. Dit behelsde het aanleggen van wapendepots, voorbreiden van schuilplaatsen en communicatie middelen, organiseren van financiële ondersteuning. Het plan voor aanslagen op de infrastructuur, de bezettingstroepen en hun bondgenoten was al gemaakt lang voor de val van Bagdad in april, en trad in de zomer in werking (IHT 17-11-’03).

 

Als dit alleen een militair-technische guerrilla is, dan zal ze op den duur uit elkaar vallen, zeker als de politieke basis wegvalt. Deze bestaat uit grotendeels passieve steun onder de soennitische bevolking, die de bezettingsmacht alleen zal helpen om de guerrilla op te sporen als ze belang krijgt bij een nieuwe politieke constellatie. In het tegenovergestelde geval valt te verwachten dat de soennitische bevolking de guerrilla actiever gaan steunen. Om die reden is het huidige conflict binnen de IGC over het overgangsproces van groot belang. Onder de sjiieten heerst een afwachtende houding, maar er bestaat ook onder verschillende stromingen oppositie tegen de bezettingsmacht.

 

De belangrijkste overweging is dat een versnelde aftocht van de bezettingstroepen kan leiden tot een herovering van de macht (althans in delen van centraal Irak) door de Baath. Aan de andere kant wil de meerderheid van de sjiieten dat de bezettingstroepen verdwijnen: er zijn meningsverschillen over de termijn waarop. Daarom is het voortduren van het conflict tussen de bezettingstroepen en de guerrilla voor de sjiieten gunstig: het geeft de laatsten een betere onderhandelingspositie, die wordt gebruikt naar de CPA om verkiezingen voor de overgangsregering te eisen. Democratische verkiezingen betekenen automatisch sjiietische invloed op het centrale bestuur.

 

In de loop van januari is de houding van de belangrijkste religieuze leider, ayatollah Sistani, verhard. Hij heeft in het openbaar geëist dat er democratische verkiezingen komen, in plaats van het bovengenoemde selectieproces. In demonstraties van tienduizenden aanhangers in Basra en Bagdad is deze eis kracht bijgezet. De VN gaat een bemiddelende rol spelen in onderhandelingen met het CPA, maar het is maar de vraag of een compromis mogelijk is.

 

De Koerden hebben geen probleem met voortgezette aanwezigheid van de bezettingstroepen, maar hebben een economisch probleem: ze zijn hun automatische inkomstenbron van het food for oil-programma kwijt. Pogingen om hun politiek invloedsgebied uit te breiden naar de olievelden  in het noorden stuiten op verzet van delen van de bevolking daar en in de achtergrond van Turkije. De regering van dat land zal zich sterk keren tegen elke ontwikkeling naar meer autonome macht voor de Koerden. Dit betekent dat een overeenkomst tussen de Koerden en sjiieten over het delen van de Iraakse macht, bijvoorbeeld in een federale structuur, de meest aantrekkelijke optie is.

 

Ad 4: Het internationale terrorisme wordt bestreden door voortgezette aanwezigheid.

De relatie tussen Irak en internationaal terrorisme wordt op verschillende manieren in de strijd geworpen door de voorstanders van blijvende interventie. De eerste invalshoek was die van het Amerikaanse propaganda apparaat dat vanaf 11 september 2001 suggereerde dat er een connectie is tussen de regering van Saddam Hoessein en Al Qaeda. Deze connectie is nooit bewezen maar meer dan 60% (LA Times 16-09-’03) van de VS bevolking gelooft desalniettemin dat Saddam Hoessein een rol speelde in de aanvallen van 11 september. In Nederland is dit niet als argument gebruikt om de oorlog in te gaan: de vermeende aanwezigheid van massavernietigingswapens was beslissend. Pogingen van de oppositie in de Tweede Kamer om de regering te dwingen om de informatie waarop ze haar beleid baseerde, vrij te geven, zijn op 27 november jl. tijdens een algemeen overleg gestrand. 

 

Er zijn  aanwijzingen dat internationale terroristen betrokken zijn bij de guerrilla oorlog:

* de modus operandi (zelfmoordaanslagen) zou niet door het Iraakse verzet worden gehanteerd;

* de doelen (VN, Rode kruis, diplomaten van bondgenoten van de VS) passen in de reeks die elders door terroristen worden aangevallen.

 

Een gelegenheidsalliantie door de Baath/Fedayeen netwerken en de import terroristen, als reactie op de bezetting, ligt voor de hand. Er is een soort arbeidsdeling ontstaan tussen de twee. De aanslagen op Amerikaanse militairen met IED (Improvised Explosive Devices) en raketten zouden vooral het werk zijn van de Baath kaders (die daarvoor ook zijn opgeleid), de zelfmoordaanvallen met bomauto’s op andere doelen het werk van de terroristen (Stratfor 18-06-’03).

 

De omvang van de terroristen wordt geschat op een paar honderd op een totale guerrilla macht van minstens 5000. Mogelijkerwijs worden door de voortdurende strijd juist meer terroristen het land in getrokken: de aanwezigheid van de westerse troepen is immers in de ogen van religieus gemotiveerde strijders een immense provocatie. Daarnaast worden regelmatig andere bewapende Irakezen in schiet- en overvalincidenten betrokken.

 

De politieke invloed van de terroristen is marginaal, de cruciale politieke steun voor de guerrilla komt van de soennitische bevolking. Dit betekent dat effectieve bestrijding van de guerrilla een politieke kwestie is, dat wil zeggen: de politieke voorwaarden waaronder de bezettingsmacht blijft. Als deze door de soennieten worden gezien als voordelig voor hen, dan vervalt de politieke basis voor de guerrilla, en wordt opsporing veel makkelijker (omdat de bevolking de guerrilla aangeeft). Als de politieke constellatie de soennieten marginaliseert, dan blijft er een solide basis voor de guerrilla voortbestaan. Een grote verschuiving in de macht naar de sjiieten met uitsluiting van de soennieten versterkt dit effect. Dit alles heeft niets te maken met het zogenaamde ‘internationale terrorisme’.

 

Conclusie

De risico’s voor de westerse en dus ook de Nederlandse troepen zijn aantoonbaar groot, onder andere vanwege de escalerende politieke spanningen die de guerrilla op gang houden.  Dit zou op zichzelf echter niet de doorslag moeten geven in het debat. Beslissender is de vraag welke belangen er gediend worden door het voortgezette verblijf van de troepen. Het valt zeer te betwijfelen dat de belangen van de Iraakse bevolking centraal staan in de Amerikaanse overwegingen. In ieder geval zou een debat daarover gevoerd moeten worden. Dit is des te belangrijker gezien de bijzonder aanvechtbare redenen (massavernietigingswapens en de connectie met het internationale terrorisme) die in de eerste plaats zijn gegeven om deze oorlog te ondersteunen. 

 

Afkortingen

IHT       International Herald Tribune

FT        Financial Times

LATimes   Los Angeles Times

Tel        Telegraaf

G          Guardian