Symposium Artsen voor Vrede

 

Nieuwe oorlogen en veiligheid

 

Door: An Vranckx

De volgende tekst vat de uiteenzetting samen die gebracht werd op het Symposium van Artsen voor Vrede en NVMP op zaterdag 29 november 2003 te Antwerpen.

 

De oorlog die in het voorjaar in Irak van start ging en in mei al als beëindigd werd verklaard, mogen we als uitzonderlijk beschouwen. Op het eerste gezicht gingen alleen legers van staten de arena in. Zij kregen de zaak af te handelen volgens de afspraken van het moderne oorlogsrecht, het ‘internationaal humanitair recht’ waaraan men zich als staat en dus ook als reguliere strijdkracht nu eenmaal te houden heeft. Burgers, hulpdiensten en waarnemers heten dan geen doelwitten en dienen zelfs beschermd te worden, krijgsgevangenen moeten goed worden behandeld, economische infrastructuur en cultureel patrimonium ontzien, enz. Hoeveel aanwijzingen ook dat deze principes niet helemaal in de praktijk werden nageleefd, gebeurlijke ongevallen werden als onbedoeld omschreven en de veroorzakers van collateral damage, ‘vergissingen’ en dergelijke meer, boden systematisch excuses aan.

Niet geheel ongerelateerd aan deze principes, bleef het aantal dodelijke slachtoffers in Irak laag in de weken waarin er officieel oorlog woedde, zeker wanneer dat aantal wordt afgemeten aan de hoeveelheid wapentuig en arrogantie die door één partij in deze oorlog werd ingebracht. 

 

Na het einde van de Koude Oorlog werden slechts een handvol van deze ‘echte’ of ‘moderne’ oorlogen uitgevochten: oorlogen van staat tot staat, waarbij tenminste in principe werd getracht om de regelgeving terzake na te leven. Hiermee is niet gezegd dat het wapengekletter, en vooral het lijden, tot slechts dat handvol beperkt bleef.

 

Het axioma van Von Clausewitz

Na analyse van een honderdtal ‘gebeurtenissen’ in de Balkan, in het voormalige Sovjetimperium, in vele landen van Sub-Sahara Afrika en in delen van Latijns-Amerika schreef Mary Kaldor in 1999: “In de context van de globalisering (…) wordt oorlog tussen staten (met als doel zoveel mogelijk schade toe te brengen) een anachronisme. In de plaats daarvan ontstaat een nieuw type van georganiseerd geweld (‘nieuwe oorlogen’) dat wordt omschreven als een mengsel van oorlog, georganiseerde misdaad en massale schendingen van de mensenrechten. De actoren zijn zowel publieke als privé personen, plaatselijk of van elders afkomstig. De oorlogen worden uitgevochten voor persoonlijke politieke doeleinden, waarbij gebruik gemaakt wordt van terreur en destabilisatie, tactieken die volgens de regels van de moderne oorlogsvoering theoretisch uit den boze zijn. Een informele misdaadeconomie is nauw verweven met deze nieuwe oorlogen.”

 

Deze omschrijving is nauwkeuriger dan de termen ‘interne oorlogen’ of ‘burgeroorlogen’ die uiteraard al veel langer gebruikt worden. Ze verheldert in welke mate vandaag wordt afgeweken van het ons nog vertrouwde, ‘moderne’ oorlogsconcept, dat de oorlogsvoering regelt. Dat concept werd in feite pas bedacht bij het begin van de 19de eeuw door Carl Von Clausewitz, een Pruisisch officier die streed aan de verliezende kant in één van de Napoleontische oorlogen. Von Clausewitz wist op zijn minst waarover hij het had en begon precies daarom met het ontwerp van een ‘perfecte oorlogsmachine’. In zijn concept zou oorlog voortaan alleen de zaak kunnen zijn van de dan nog jonge, moderne staten en alleen gebruikt mogen worden voor het veilig stellen van de politieke belangen van zo’n staat (en niet voor particuliere, economische doelstellingen). De oorlogsvoering zou uitsluitend in handen mogen zijn van een staand leger, bij machte om de hele zaak zo efficiënt mogelijk af te handelen, krachtig maar kort, met naleving van welomschreven regels, zoals het verbod zich in een vijandige staat tegen burgerdoelwitten te richten. Volgens Von Clausewitz kon alleen zo een einde worden gesteld aan de tot dan toe gebruikelijke toestand van quasi permanente strijd, waarin niet-professionele rekruten en ingehuurde specialisten periodiek (en seizoensgebonden) de arena werden ingejaagd om niet-discretionaire gruwel aan te richten in het op dat moment als ‘vijandig’ omschreven gebied. Aan het besef dat een staat over een getraind en bewapend leger beschikt, bij machte om in korte tijd maximale schade aan te richten, werd zelfs een afschrikkende werking toegeschreven, opdat men de goedgeoliede machinerie uiteindelijk niet in werking zou moeten stellen. De perfecte oorlogsmachine is er, kortom, één die nooit hoeft te worden gebruikt.

 

We herkennen deze geestesvrucht van een Pruisisch officier als een axioma, dat men in de moderne wereld zo goed en zo kwaad mogelijk in praktijk trachtte te brengen. Dat probeerde men althans tot aan het einde van de Koude Oorlog en na afloop daarvan in dat handvol ‘echte’ oorlogen, of liever de gebeurtenissen die zich onder die naam aandienden. De huidige proliferatie van ‘nieuwe vormen van georganiseerd geweld’ die zich nu al meer dan een decennium laat bemerken, en die overigens perfect de toestand in Irak beschrijft nadat G.W. Bush daar het officiële einde van de oorlog heeft afgekondigd, luidde het tijdperk in waarin het axioma van Von Clausewitz niet langer wordt nagestreefd. Oorlog tussen staten om zuiver politieke motieven lijkt niet meer van deze tijd. Anders gezegd: het is onvermijdelijk geworden dat er ook om andere dan die ‘aanvaarde’ motieven geweld wordt gebruikt.

 

Vandaag wordt op steeds meer plaatsen geweld gebruikt door privatief georganiseerde groepen omwille van particuliere belangen, meestal winstbejag. Een haast ‘logisch’ neveneffect van dat geweld is dat aan burgers onmogelijk nog de bescherming kan worden geboden die hen in oorlogssituaties toekomt, voor zover die burgers al niet rechtstreeks in de strijd worden betrokken: hetzij als instrument om druk uit te oefenen op een partij in het conflict die met een bepaalde bevolkingsgroep wordt geassocieerd, hetzij als menselijk schild dat men tegen die groep kan opwerpen. In die context verwondert vandaag allerminst de toename van schendingen van de meest fundamentele mensenrechten, zoals het recht op fysieke integriteit. Nieuwe oorlogen zijn dan net zo dodelijk als de oude, ‘moderne’ variant. Of misschien zijn ze nog dodelijker. Enkele duizenden Iraakse doden in het voorjaar van 2003 blijven ‘relatief weinig’ in vergelijking met de 3 miljoen Kongolezen die in de voorbije jaren verdwenen en waarvan wordt vermoed dat ze ver van de ogen van de wereldpers in pure ellende zijn weggekwijnd.

 

Geweldmonopolie

De onheilzame opgang van deze nieuwe oorlogen wordt in verband gebracht met de crisis van steeds meer staten en in het bijzonder met de teloorgang van het geweldmonopolie dat deze staten op eigen grondgebied dienen waar te maken. Immers, alleen een staat die bij machte is om het geweld in eigen land te controleren en dus te vermijden dat groeperingen zijn geweldmonopolie ondermijnen, kan de veiligheid garanderen van alle burgers van die staat. Dit monopolie is meteen de voorwaarde om te bekomen dat de rijkdom die in de staat wordt gegenereerd aan al zijn burgers ten goede komt en wordt geïnvesteerd in het waarmaken van de essentiële verantwoordelijkheden van de staat: gezondheidszorg, onderwijs, ‘rule of law’, infrastructuur om economische activiteiten te ontplooien die de inkomstenstroom kan verzekeren en veiligheid tout court.

 

De schrijnende toestanden in vele landen van Sub-Sahara Afrika waar men het gros van de zogenaamde failed states situeert, worden begrijpelijk als men weet dat in weinige van die landen ooit echt een staat van de grond kwam. De politieke dekolonisatie van vele van deze landen heeft daar althans zelden aanleiding toe gegeven. Eveneens onbestaande en in feite zelfs ondenkbaar is dat daar een besef kon intreden van een ‘publiek belang’, dat zou samenvallen met de totale bevolking van een territorium dat ooit op een kaart werd afgebakend door Europese mogendheden (‘moderne staten’). En zo het besef er eventueel nog wel intrad, dan nog was er niet meteen een afdwingbare wil om de zaken in te richten in dat publieke belang. Aldus kan niet voorkomen worden dat fenomenale minerale en andere rijkdommen van deze landen geplunderd worden door wie er de hand op kan leggen en ze in internationale netwerken op lucratieve markten te gelde kan maken (in het bijzonder de lootable resources, zoals diamanten en andere edelstenen, maar ook coltan, ivoor, tropisch hardhout, enz.).

 

De rijkdom komt zo slechts particuliere belangen ten goede, de belangen van enkelingen, ten koste van de grote meerderheid. Deze particulier toegeëigende rijkdom wordt niet geinvesteerd in het publieke belang van allen in die staat. Sommigen van deze particulieren hebben belang bij het voortduren van chaotische omstandigheden, waarin ze deze opbrengsten verzekerd zien. Aldus wordt in chaos geïnvesteerd, in milities die de particuliere belangen helpen verzekeren, tegen het gezag in van de plaatselijke staat of wat daar nog van rest. Wie zich dat kan veroorloven kan zo een mate van particuliere ‘veiligheid’ verwerven, door het inhuren van de diensten van milities allerhande of van de meer commercieel georiënteerde private veiligheidsdiensten en zelfs beursgenoteerde private military companies. Die laatste bleken in het voorbije decennium één van de weinige groeisectoren in Oost-Europa, Afrika en Latijns-Amerika.

 

Hulpverleners in de nieuwe oorlog

Privatisering van conflicten of van het georganiseerd geweld en van veiligheid betreft dan meerdere elementen in deze conflicten. Het betreft de doelen van strijd, dat wat in het geding is: particuliere toegang tot een bron van rijkdom, ten koste van een herverdelende toegang tot die rijkdom voor allen. De particulier veilig gestelde opbrengsten zijn op hun beurt middel om de inspanning in de strijd te financieren. Private milities en aanverwante dienstverleners dienen uiteraard bezoldigd, en wel via andere kanalen dan deze waarmee een regulier overheidsleger op publieke middelen wordt gedragen. Ook bepaalde actoren in het strijdgewoel privatiseren zich, zonder noodzakelijkerwijze helemaal in de plaats te komen van de reguliere krachten die in een volwaardige moderne staat het geweldmonopolie dienen te bewaken. Na opheffing van het monopolie zijn die reguliere troepen per definitie slechts één naast meerdere partijen in de strijd.

 

De aanwezigheid van private actoren beperkt zich trouwens niet tot commerciële private ondernemingen. We mogen niet vergeten dat een steeds groter ‘leger’ hulpverleners paraat staat om zich te laten inzetten in acute en ook minder acute conflictsituaties, om er diensten te verstrekken die niet (langer) door de staat gegarandeerd worden. Deze instanties, de intergouvernementele, maar ook de niet-gouvernementele humanitaire hulpverleners, draaien op bijdragen van individuen, maar vooral op toelagen die staten hen daartoe ter beschikking stellen. Toch blijven organisaties als Artsen Zonder Grenzen in feite als private instellingen herkenbaar, als bijzondere actoren in de non-profit sector.

 

In de beschreven nieuwe oorlogssituaties wordt een zelfversterkende dynamiek herkend, die moeilijk doorbroken kan worden door de betrokkenen. Dat verklaart de roep om een interventie van buitenaf, om de conflicterende partijen uit elkaar te drijven, te ontwapenen en het geweldmonopolie te herstellen van een zo mogelijk ook in politiek opzicht legitieme staat. De Verenigde Naties worden daar tot nader order de meest aangewezen partij voor geacht. Sinds hun oprichting zetten ze reeds 55 van dergelijke vredesinterventies op touw, waarvan er 13 plaatsvonden tussen 1945 en 1988. De overige 42 speelden zich af op relatief korte tijd, sinds het beëindigen van de Koude Oorlog. Momenteel lopen liefst 13 missies tegelijkertijd, in verschillende regio’s, wat niet geheel probleemloos verloopt wat betreft de financiën en logistiek. 

 

Tenslotte werd ook in dit verband al de suggestie geopperd om gebruik te gaan maken van private bedrijven, als een vorm van outsourcing. Van bepaalde van die bedrijven wordt immers beweerd dat ze efficiënter en sneller de klus zouden kunnen klaren dan vandaag het geval is met de vredesmachten die uit verschillende nationale legers dienen samengesteld, na een al te langdurig politiek onderhandelingsproces. Er zijn ook argumenten voorhanden om tegen die suggestie te adviseren.

 

An Vranckx is geboren in Antwerpen d.d. 08-07-’66.

Ze heeft drie kinderen, licentiaat Germaanse Talen, masters International and European Law, en een masters in Science Dynamics. Gepromoveerd op het interdisciplinaire thema 'wetenschap voor beleid', in september 1998.

 

Sinds 1999 onderzoeker en coördinator bij de NGO ‘Internatio-nal peace information service’. Deze onafhankelijke studie- en documentatiedienst houdt zich vooral bezig met problemen van veiligheid, nieuwe oorlogen, niet-statelijke actoren in conflicten, en wie die conflicten draaiende houdt, dus voeding met centen en wapens. Daarnaast professor aan de Universiteit Antwerpen. Verzorgt daar het een en ander in de reeks ‘Actuele Problemen van de Internationale Politiek’, en doceert ook een seminarie

‘Niet-statelijke actoren’.

 

An Vranckx, PhD

I.P.I.S. vzw

Italiëlei 98a, B-2000 Antwerp, Belgium

+ 32/3/2250022 (phone)

+ 32/3/2310151 (fax)

www.ipisresearch.be