Het verschil tussen de tachtiger jaren en nu

 

De kernwapenwedloop en

Massavernietigingswapens

 

Door: Karel Koster

 

Een cruciale vraag in het debat over kernwapens en massavernietigingswapens is die van het verschil tussen de tachtiger jaren en nu. Waarom was er een massale beweging tegen kernwapens mogelijk in de tachtiger jaren? Dit terwijl de hele kwestie van een kernwapenwedloop niet meer speelt, behalve op een indirecte manier: namelijk het gevaar van de proliferatie van massavernietigingswapens. Dit artikel is een poging om een verklaring te geven voor dit verschil.

 

De internationale politiek verschilt natuurlijk wezenlijk: tussen 1948 en 1989 ontwikkelde zich een confrontatie tussen twee nucleaire supermogendheden: deze bouwden arsenalen van tienduizenden kernwapens, waarvan het totale explosieve vermogen nauwelijks te bevatten is. Duidelijk was in ieder geval dat de omvang van deze arsenalen afdoende was om de wereld vele malen te vernietigen. Uit het besef daarvan ontwikkelde zich een beleid dat gebaseerd was op wederzijdse angst: mutual assured destruction. Dat kon niet verhinderen dat er bij verschillende gelegenheden de mensheid aan de rand van de afgrond werd gebracht, niet alleen tijdens de bekende Cuba-crisis, maar ook tijdens de IsraŽlisch-Arabische oorlog van 1973, tijdens het hoogtepunt van de confrontatie in 1983 en zelfs nog in 1995, na het formele einde van de Koude Oorlog. Bij elk van deze gelegenheden werden de strategische raketsystemen in gereedheid gebracht voor lancering.

Politici en strategen aan beide kanten hebben de neiging om het systeem als een succes te beschrijven: er was immers geen atoomoorlog. De oppositie tegen de kernwapenwedloop ontwikkelde zich tot haar hoogtepunt in de tachtiger jaren juist omdat ze het tegenovergestelde vonden: de risico's waren te groot, we waren met zijn allen op het nippertje aan Armageddon ontsnapt. Die massale anti-kernwapenbeweging speelde een belangrijke rol in het totstandkomen van verdragen die tot doel hadden om de kernwapenwedloop tot staan te brengen. Het INF (kruisraketten)-verdrag, de SALT- en START-verdragen waren bedoeld om de waanzinnige escalatie te beteugelen en tot stilstand te brengen. In het Non-Proliferatie-Verdrag van 1970 staat niet alleen een verbod op de verspreiding van kernwapens, maar ook een verplichting tot nucleaire ontwapening.

 

Na het einde van de Koude Oorlog, in de loop van de negentigerjaren leek er een proces van nucleaire ontwapening op gang te komen. De Franse kernproeven werden beŽindigd, in 1996 kwam een teststopverdrag tot stand. In een grote evaluatie-conferentie in 1995 werd het NPV voor onbepaalde tijd verlengd.

 

Na de Koude Oorlog

Het is misschien niet zo verbazingwekkend dat er in deze jaren nauwelijks behoefte was om tegen kernwapens te protesteren. De internationale politiek leek zich in de richting van nucleaire ontwapening te ontwikkelen. Toch was er vanaf het einde van de Koude Oorlog sprake van twee processen: de positieve (die in het boekje ĎKernwapens op retourí gedetailleerd worden beschreven) maar ook de negatieve die enigszins uit het zicht raakten door het in brede kring gedeelde gevoel dat met het einde van de Koude Oorlog ook de dreiging van de menselijke zelfvernietiging was verdwenen. De scherpe waarnemer die bekend was met de werkelijke stand van zaken binnen de nucleaire militair-industriŽle complexen kon het optimisme niet delen. Ten eerste niet omdat de cruciale stap, het afzien van kernwapens als onderdeel van de arsenalen van de vijf Ďerkende kernwapenstatení niet gemaakt werd. Sterker nog, er werd juist vastgehouden aan de nucleaire doctrines van deze staten. Zo voorzag het National Stockpile Stewardship Program in de VS niet alleen in het veilig bewaren van de kernwapenvoorraad, maar ook in de ontwikkeling van nieuwe kernwapens. In Rusland betekende de ineenstorting van de conventionele gevechtskracht dat tactische kernwapens voor gebruik op het slagveld, juist belangrijker werden in de militaire doctrine. Voor beiden bleef het centrale principe van de wederzijdse afschrikking in stand.

 

De andere drie officiŽle kernwapenstaten, China, Verenigd Koninkrijken Frankrijk volgden het voorbeeld en hielden vast aan hun veel kleinere voorraden. Drie andere landen bezaten inzetbare kernwapens: IsraŽl al jarenlang, India en Pakistan bewezen met hun kernproeven in 1998 dat ze ook bereid waren om toe te treden tot de kernwapenbezittende club.

 

De NAVO als bondgenootschap ontdeed zich niet van haarnucleaire doctrine: een enigszins onbezonnen uitspraak van een NAVO ministerraad aan het begin van de 90-er jaren, dat het belang van kernwapens minimaliseerde, werd weer ongedaan gemaakt door het vasthouden aan die doctrine. Nog steeds liggen er enkele tientallen Amerikaanse kernbommen in een aantal Europese NAVO-lidstaten, waaronder Nederland. NAVO-ambtenaren wijzen graag op de sterk gereduceerde aantallen. Maar daarbij gaan ze voorbij aan de kern van de kritiek: dat de NAVO nog steeds de nucleaire doctrine handhaaft en steunt. Dat dit met slechts enkele kernbommen wordt gedaan doet nauwelijks ter zake, omdat het grootste NAVO-lid, de VS, in een crisis honderden kernbommen kan aanvoeren voor gebruik door de bondgenoten. Deze moeten dan ook allen tekenen voor die nucleaire doctrine, ook als ze weigeren om kernwapens op hun grondgebied toe te laten.

 

Van kernwapens naar massavernietigingswapens

Het beeld van de negentiger jaren, na de Koude Oorlog, is dus van een relatief marginale nucleaire ontwapening, vergezeld van het handhaven van de nucleaire doctrine en de beginnende proliferatie van kernwapens doordat er niet-erkende kernwapenstaten bij zijn gekomen. In de 21e eeuw is dit proces in een stroomversnelling gekomen, omdat er goede gronden zijn om te vermoeden dat Noord-Korea een paar kernbommen bezit, terwijl Iran vermoedelijk van plan is om ze te gaan bouwen.

 

Er is in de periode na de Koude Oorlog nog een complicatie bij gekomen. De immense hoeveelheden splijtstof, ontmantelde kernwapens en de bijbehorende technologie zijn een aantrekkelijk doelwit voor landen of groeperingen die zelf, in navolging van de kernwapenstaten, ook kernwapens willen aanschaffen. Dat is de reden voor de grote nadruk die er in de VS en Europa is op het opruimen van overgebleven voorraden en technologie in de voormalige landen van de Sovjet Unie. Die belangstelling strekt zich ook uit tot biologische en chemische wapenvoorraden. Zowel de VS als de EU en andere landen zijn begonnen met een grootscheepse opruimcampagne, waarin projecten worden opgezet om de productie en opslagcentra van massavernietigingswapens op te ruimen.

 

Het onderbrengen van drie categorieŽn wapens, biologisch, chemisch en nucleair onder ťťn concept massavernietigingswapens, heeft een aantal gevaarlijke gevolgen die beslist niet naar een veiliger wereld leiden.

Het belangrijkste gevolg is dat er een soort equivalentie wordt geschapen in het bewustzijn van politici en opiniemakers: de drie types wapens worden aan elkaar gelijk gesteld, waardoor het idee ontstaat dat het ene kan worden afgestreept tegen het andere. In de Amerikaanse nucleaire doctrine is het vanzelfsprekend om kernwapens in te zetten tegen landen of andere Ďacteurení als ze biologische of chemische wapens gebruiken, of zelfs dreigen ze te gebruiken. Dat is al jaren militaire doctrine, terwijl het tegenstrijdig is met een zeer belangrijk deel van de afspraken rondom het Non-Proliferatie-Verdrag (NPV): namelijk de negatieve veiligheidsgaranties, waarin de kernwapenstaten beloven om landen zonder kernwapens die het NPV ondertekend hebben, niet aan te vallen. Het door elkaar halen van de drie typen wapens ondergraaft deze cruciale basis van het NPV.Er is een tweede proces aan de gang dat ook tot verwarring leidt: namelijk de nadruk die door opeenvolgende Amerikaanse regeringen is gelegd op horizontale proliferatie, dat wil zeggen de verspreiding van kernwapen technologie, terwijl verticale proliferatie, het verbeteren en uitbreiden van de bestaande kernwapenarsenalen, genegeerd wordt. Uiteraard hoort daar ook bij de ontkenning dat nucleaire ontwapening een cruciaal onderdeel vormt van de afspraken rondom proliferatie.

 

Transformatie van het debat

De aanslagen van 11 september 2001 hebben nog een proces op gang gebracht, namelijk: het idee dat terroristen massavernietigingswapens zouden kunnen gebruiken bij volgende aanslagen. Zo wordt de neiging om de drie systemen op ťťn hoop te gooien verder versterkt. Het idee ontstaat dat kernwapens, biologische wapen en chemische wapens alleen een gevaar zijn in de handen van terroristen: het feit dat er nog steeds tienduizenden kernwapens gereed staan om afgevuurd te worden in zowel de VS als in Rusland, is verdwenen uit de publieke en politieke aandacht.

 

Deze transformatie van het publiek en politiek debat, van de massale oppositie van de tachtiger jaren naar de 21e eeuwse vage en ongedefinieerde angst voor iets dat alleen een gevaar vormt in de handen van vreemdelingenis van doorslaggevend belang voor het verlagen van de kansen om een nieuwe oppositie te vormen. Institutioneel wordt dit proces nog verder versterkt door de oprichting van twee organisaties.

De G-8 Global Partnership Against the Spread of Weapons and Materials of Mass Destruction, ontwikkelde zich in nauwe samenwerking met de Russische regering. Nederland sloot zich op 11 juni 2003 ook aan bij het initiatief, dat door de VS sterk gestimuleerd werd met het oog op mogelijke financiŽle steun uit de EU en elders. In essentie gaat het om een opruimproject, om de immense hoeveelheid gevaarlijke rommel uit de Koude Oorlog op te ruimen. Rusland werkt eraan mee, omdat het zelf niet de middelen heeft om haar arsenalen op te ruimen. De buurlanden werken eraan mee omdat ze een groot gevaar zien in het voortbestaan van de voorraden. Gevolg is echter dat het multilaterale karakter van de ontwapening sterk wordt vernauwd, naar deze kwestie van het opruimen van overtollige voorraden massavernietigingswapens, terwijl tegelijkertijd wordt vastgehouden aan eigen strijdkrachten bewapend met massavernietigingswapens. Uiteraard kan niemand redelijkerwijs tegen de bestaande G-8- afspraken zijn, maar het geeft te denken als dit programma systematisch gebruikt wordt als illustratie van de bijdrage van de kernwapenstaten aan nucleaire ontwapening, ter vervanging van de multilaterale internationale verplichtingen.

 

Daaraan gekoppeld is het Proliferation Security Initiative, een door de VS geÔnitieerd project om proliferatie tegen te gaan. Bij het PSI zijn elf voornamelijk westerse landen aangesloten, waaronder Nederland. Vanaf mei jl. zijn er vier internationale conferenties van deze groep geweest. Binnen PSI verband wordt een debat gevoerd over het onderscheppen van WMD technologie in internationale wateren. Het is mogelijk, dat als de VS overgaat tot unilaterale maatregelen, ze zich zal beroepen op een specifieke interpretatie van de afspraken die in PSI-verband zijn gemaakt. Nederland zou dus als deelnemer aan PSI indirecte steun hebben gegeven aan zo een optreden. Dit is in de eerste plaats van belang in de lopende crisis rond Noord Korea en Iran.

 

Conclusie

Er heeft een transformatie plaatsgevonden in het denken over kernwapens. Deels door ze weg te moffelen in het concept massavernietigingswapens, deels door het beleid en maatregelen tegen kernwapens te beperken tot opruimingsoperaties van oud materieel (vooral in de voormalige Sovjet-Unie), anderzijds door de kwestie van horizontale proliferatie centraal te stellen. Daardoor blijven de eigen kernwapens van de kernwapenstaten, zowel erkend als niet erkend, buiten schot. Dit beleid ondermijnt niet alleen bestaande afspraken, maar zal als een boemerang terugkomen. Gecombineerd met het unilateralisme van de belangrijkste kernmacht, de VS, ontstaat een situatie waarin veel landen zullen concluderen dat ze zich nucleair moeten bewapenen om zich te beschermen tegen de staten die de eerder gemaakte afspraken aan hun laars lappen. In die zin is het nieuwe beleid een extreme vorm van dwaasheid.