‘Je moet halfgek of avonturier zijn’

 

Arts in Bagdad

 

Door:  Harrie Dewitte

‘Je moet halfgek zijn of avonturier om naar Bagdad te gaan’, schoot het door mijn hoofd toen  Geneeskunde voor de Derde Wereld me vroeg om binnen 24 uur naar Bagdad te gaan. Ik ben noch het een noch het andere, maar ik had de oproep van de Iraakse collega's gelezen en iemand moest toch het protest van 80% van de Belgen een stem gaan geven. Het was eigenlijk het logisch vervolg van jarenlange inzet voor de patiënten hier. De grenzen stoppen niet meer aan ons dorp of ons land. De wereld is één dorp geworden, ons dorp. 

 

Vanaf dat moment deelde ik alles op in kleine projectjes: hoe aan een visum geraken op enkele uren? Hoe een vliegtuigticket vastkrijgen? Hoe van Damascus naar Bagdad geraken? Hoe door de belegering van de stad geraken? We hebben het gehaald, mijn dochter kan gerust zijn, ik zal bij haar bevalling aanwezig zijn. Zij was het resultaat van de eerste bevalling die ik als stagiair geneeskunde deed en ik wil er wel bij zijn, bij haar eerste kind. Zij het dat ik nu steeds zal denken aan de kinderen van Bagdad.

 

De oorlogsmachine

Ik heb steeds mijn twijfels gehad bij het bestaan van de hemel, maar dat de hel bestaat, daar ben ik zeker van.

We waren gelogeerd op de tiende verdieping van het Sheraton hotel, aan de oever van de Tigris. We hadden VIP plaatsen met zicht op de Amerikaanse invasie. Op tv lijkt het op een modern vuurwerk. Groene en gele flitsen, al of niet gezien door een Amerikaanse nachtkijker. In Bagdad zelf is dat wel even iets anders. Je ziet de lichtflitsen en enkele tellen nadien, eerst kon je nog tot dertig tellen maar uiteindelijk nog slechts tot vijf, voelde je de dreun op je borstkast en je trommelvliezen. Ik ken niets van militaire arsenalen, maar ik denk dat ik op die tien dagen alle instrumenten van het oorlogsorkest gehoord heb. De zware dreunen van de B52-bommen die een tapis plain kwamen leggen, een corridor maken zoals dat in het jargon heet. Elke seconde één inslag. Een ganse nacht. Telkens een krater van twintig tot vijftig meter achterlatend. En ook daar wonen mensen. 

 

Collateral damage

De cruise-missiles, de rockets, de granaten van de tanks, de mitrailleurs, de splinterbommen, de luchtaanvallen van de straaljagers. Het geluid van vliegtuigen deed me tot nu toe steeds denken aan reizen, aan een beetje vakantie, een medische missie of congres. Nu aan terreur, aan angst, die ik zelf ondervonden heb in mijn eigen lijf, angst die ik gezien heb in de ogen van de kinderen en de patiënten. Vliegtuigen doen me nu denken aan opengereten mensen en de geur van Pyocyaneus. Met verbijstering vraag ik me af hoe het mogelijk is dat men ons maandenlang heeft bezig gehouden met de zoektocht naar ‘massavernietigingswapens’, de casus belli. Irak zou rechtstreeks de ‘burgers van de USA bedreigen’. We hebben ze gevonden, de massavernietigings-wapens: made in USA. Het is ontstellend te zien hoe de oorlogsmachine lijkt op een reusachtig, perfect gerund bedrijf. De ‘werknemers’ zijn jongens van 18 tot 25 jaar, die maar één ding kennen: schieten op alles wat in de weg staat. Die niet eens weten wat Bagdad is. Die hun eigen propaganda voor werkelijkheid nemen. Die niet eens weten wat de VN is. Die niet weten dat ze een illegale agressie uitvoeren.  

 

Toen we naar Bagdad kwamen, was de stad omsingeld. We zijn er binnengeraakt langs de meest onmogelijke sluipwegen. Zo zijn we dwars door de Iraakse ‘verdedigingslinies’ gereden, 7 km lang. Een van de meest hachelijke momenten, want ze waren net gebombardeerd. Elk moment konden de vliegtuigen terugkeren. De tanks en de voertuigen stonden nog in brand. Dit verdedigingsmateriaal was wat we in Limburg ‘Bokrijk’ zouden noemen. Tanks die nog uit de periode van de Iraans - Iraakse oorlog stamden. Afweergeschut waar er nog een soldaat aan een ‘wieltje’ moest draaien om het te richten. Het afweergeschut raakte niet eens halverwege de elf kilometer hoogte waarop de vliegtuigen opereerden. Vergelijk dat eens met de volautomatische tanks met satelliet-gestuurd geschut van de Amerikanen. De GPS-bommen. Het is simpel: twaalf jaar lang hebben de Amerikanen Irak ontwapend, via de wapeninspecties alles nauwkeurig in kaart gebracht en uiteindelijk alles weggeblazen. En wij, goedgelovig de ‘strijd tegen het kwade’ slikken.

 

Ziekenhuis zonder middelen

Ik weet ondertussen ook wat ‘terreur’ is. Ons ziekenhuis, het Saddam Center for Plastic Surgery, lag op ongeveer 700 meter van de brug over de Tigris waarlangs de Amerikaanse troepen het hart van Bagdad binnendrongen. Eerst hoorden we de explosies van de tankgranaten. Ze schoten de straten schoon. Misschien was het dat wat Bush bedoelde met clean war. By the way, er was op dat moment helemaal geen sprake meer van enige georganiseerde weerstand. Het ratelen van de rupsbanden en de  mitrailleurs. Tien minuten later brachten ze de eerste gewonden binnen. Eerst enkele, nadien steeds meer. Op alle mogelijke manieren: op de motorkap van een auto, in een pick-up, op een stootkar of ze werden gewoon binnengedragen. Allemaal civilians. Kinderen die op straat speelden. Ouderen die de gewonden probeerden weg te slepen. Vrouwen. Collateral damage. Er was een grote opvangzaal voorzien. De gekwetsten aan hoofd en thorax zouden direct na ‘stabilisatie’ overgebracht worden naar andere ziekenhuizen. Maar het liep snel vol. Huilende mensen, huilende familieleden, vrienden of gewoon mensen van de buurt met een zware psycho-shock.  Ik bewonder de Iraakse collega's. Alle artsen deden nu eerste opvang: de orthopedische chirurgen, de anesthesisten, de algemeen chirurgen, de plastische chirurgen. Ook wijzelf, alhoewel we vooral een observatiemissie hadden, staken de handen uit de mouwen. Onze collega's hebben een zeer hoog ethisch bewustzijn. Sommigen waren daar reeds één maand, zonder dat ze thuis geweest waren. ‘Het is onze plicht om de patiënten te verzorgen.’ Om één uur in de namiddag begon dit inferno. Tot de middag waren de ziekenhuizen nog behoorlijk georganiseerd. Je kon nog bloed krijgen, medicijnen, chirurgisch materiaal. Maar de Amerikanen vernietigden ook Medical City. Dat is niet alleen het administratieve ministerie van volksgezondheid, maar vooral het distributiecentrum. We hadden niets meer. Het ontbrak aan majeure pijnstillers, want die vielen onder het embargo. Drie schepen met medicijnen, materiaal, voeding, kortom humanitarian aid werden door de Amerikanen geblokkeerd in de Perzische Golf. We hadden alleen fysiologisch serum, diclofenac en paracetamol. De morfineachtige pijnstillers werden voorbehouden voor de operaties. We hebben mensen in shock zien gaan en creperen van de pijn. De medische directeur gaf een van de stervende patiënten, een jongen van vijftien met zware verwondingen in de buik, water te drinken uit zijn eigen glas. “It's the only thing we can do for them.” Er was geen elektriciteit, ook de generator was uitgevallen. Water moesten we halen uit plastic bussen.

 

Het oorlogsrecht geschonden

Wat ben ik toch naïef te geloven dat men de oorlogsconventies zou respecteren. Artikel 10 sommeert alle oorlogsvoerende partijen om de gewonden te laten afvoeren, te beschermen en te verzorgen. We hebben tientallen keren het verhaal gehoord van Amerikanen die schoten op alles wat bewoog, ook op de mensen die gewonden kwamen wegslepen. Tussen vier en vijf uur in de namiddag - je verliest elke notie van tijd - hoorden we de sirene van onze ziekenwagen terugkeren, slechts enkele minuten nadat hij met twee zwaar gewonden (thorax en hoofd) was weggestuurd.  De ambulance kwam niet de oprit van het ziekenhuis opgereden, maar bleef stilstaan op straat. De ruiten waren verbrijzeld. Overal waren er kogelinslagen. De deuren waren geblokkeerd. De chauffeur zat bewusteloos achter zijn stuur. Hij was zwaar gewond in de rug. Zijn rechterbeen was lam en gevoelloos. Een patiënt was stervende, doorzeefd. De andere patiënt werd alsnog weggebracht maar stierf ’s anderendaags. De verpleger was in het been geschoten. De medische staf was zwaar aangeslagen. De directeur ging erbij zitten. Temidden van de huilende patiënten zei hij met zijn typische Oosterse dubbelzinnigheid: “We, we're still human beings.” Artikel 12 en 21 van de Conventie van Genève stellen dat ‘medische units en medisch personeel moeten gerespecteerd en beschermd worden. Ze mogen onder geen enkel voorwendsel het voorwerp worden van een aanval.’ Onze ambulance vertraagde op 700 meter van een Amerikaans checkpoint. Ze werd onder vuur genomen door een Amerikaanse patrouille die zich links tussen de huizen verdekt had opgesteld. Zonder enige waarschuwing. Toen we later de soldaten hierover aanspraken zeiden ze dat de ambulance een suicide car was. “This is a war man. This is collateral damage.”

 

Om de horror volledig te maken, kwamen de looters, de plunderaars. Terwijl de Amerikanen schoten op alles wat bewoog, lieten ze die vrij hun gang gaan, het was part of the plan. Het waren de enige blije ge-zichten die we gezien hebben bij de intrede van de VS-troepen. Ze deden me denken aan een horde wolven uit de stripverhalen. Twee mensen van de medische staf verdedigden de ingang van het ziekenhuis met een Kalashnikow. De ontploffende granaten, de huilende gewonden, de aangeslagen medische staf, de vermoeidheid en de plunderaars, zo moet de hel van Dante eruitgezien hebben.

 

Meer info op: http://www.g3w.be/