Geweld een wereldwijd gezondheidsprobleem

 

World Report on Violence and Health

 

Door: Johan M.G. van der Dennen

Het omvangrijke World Report on Violence and Health (World Health Organization, Genève, 2002; als PDF-bestand op het internet) bestaat uit negen hoofdstukken alsmede een uitvoerige statistische annex of appendix. Alle hoofdstukken zijn door minstens twee auteurs geschreven en door een wisselend aantal peer reviewers beoordeeld.

 

In hoofdstuk 1 wordt geweld gepresenteerd als een wereldwijd gezondheidsprobleem – gezondheid in zowel lichamelijke als geestelijke betekenis. Vervolgens komen aan bod geweld gepleegd door jongeren, kindermishandeling en kinderverwaarlozing door ouders en andere verzorgers, geweld tegen intieme partners, mishandeling van ouderen, seksueel geweld, zelfdoding en zelfverminking, en collectief geweld. Het laatste hoofdstuk is gewijd aan algemene aanbevelingen, suggesties voor verbetering van de huidige situatie, en te ondernemen acties.

 

Alle hoofdstukken volgen eenzelfde uniforme opbouw of patroon: eerst wordt het probleem geïnventariseerd in termen van incidentie en prevalentie (voor zover deze gegevens beschikbaar zijn – het rapport is zeer duidelijk empirisch georiënteerd met veel cijfermateriaal) van zowel de dodelijke als de minder radicale en fatale vormen van het desbetreffende geweld. Vervolgens worden de risico-factoren geanalyseerd volgens een ecologisch model dat zowel individuele, relationele, maatschappelijke en culturele factoren omvat. In hoofdstuk 2 bijvoorbeeld komen de aanvang en de dynamiek van geweld gepleegd door jongeren aan bod, situationele factoren, motieven, individuele factoren (biologische en psychologische karakteristieken), relationele factoren (gezin, leeftijdsgenoten, buurt, alcohol en drugs, wapenaanbod, aanwezigheid en lidmaatschap van criminele bendes of gangs, sociale integratie), en maatschappelijke factoren zoals demografische en sociale verandering, inkomstenongelijkheid, politieke structuren, culturele invloeden, normen en waarden, media-invloeden, etc. etc. Na dit uitgebreide en zeer volledige diagnostische gedeelte komt vervolgens het therapeutische en preventieve gedeelte aan de orde, evenzeer gedetailleerd en volgens het ecologische model (strategieën van aanpak, programma’s voor training, ‘mentoring’ en therapie).

 

Tenslotte volgen in elk hoofdstuk een aantal algemene aanbevelingen voor vervolgonderzoek (dataverzamelingen, standaardisatie vragenlijsten, studiecentra, etc.). Alle hoofdstukken zijn met grote competentie en kennis van zaken geschreven en alle hoofdstukken hebben een uitgebreide bibliografie. De volksgezondheids-benadering van het rapport is zowel empirisch als interdisciplinair en benut de kennis van niet alleen de medische en epidemiologische wetenschappen, maar tevens van sociologie, criminologie, psychologie, economie, en educatieve wetenschap.

Merk op dat, met gedeeltelijke uitzondering van hoofdstuk 8 over collectief geweld, het geweld dat in dit voortreffelijke rapport geanalyseerd en gediagnosticeerd wordt slechts een deelverzameling is van al het geweld dat de mensheid teistert, namelijk wat gemeenlijk ‘crimineel’ of ‘interpersoonlijk’ geweld wordt genoemd. Het geweld dat miljoenen slachtoffers maakt, het ‘politiek geweld’ zoals oorlogen, burgeroorlogen, guerrilla’s, terrorisme en staatsterreur, partijzuiveringen, genocides en massacres, etnische conflicten, revoluties, protestbewegingen, revoltes, en low-level diffuus geweld, komt in dit rapport eigenlijk nauwelijks aan bod. Dat wil zeggen dat als alle aanbevelingen in dit rapport zouden worden uitgevoerd en een drastische reductie van het aantal moorden, doodslagen, verkrachtingen, molesten, mishandelingen, misbruiken en verwaarlozingen zou kunnen worden behaald, dan nog zou het collectieve politieke geweld – dat steeds diffuser vormen aanneemt en de grens van geweld en geweldloosheid steeds meer vervaagt – deze wereld tot een tranendal blijven maken. Het is verstandig dit voor ogen te houden bij hetgeen dat volgt.

 

De definitie van geweld die in het rapport wordt gehanteerd is tamelijk breed: intentioneel gedrag tegen het zelf, tegen een individu, of tegen de gemeenschap dat resulteert, of met een grote mate van waarschijnlijkheid zal resulteren, in dood, verwonding, psychische schade, deprivatie, verwaarlozing en maldevelopment. De typologie van geweld die gehanteerd wordt om dit geweld in te delen is al even breed: geweld tegen het zelf (zelfdoding, parasuïcide), geweld tussen personen (interpersoonlijk geweld), en collectief geweld (sociaal, economisch, en politiek). Ik zal in het vervolg enige frappante bevindingen van het rapport bespreken, en daarna enkele zwakheden en tekortkomingen en andere punten van kritiek aan de order stellen.

 

Geweldscriminaliteit van jongeren

* Geweld hoort wereldwijd bij de voornaamste doodsoorzaken voor individuen van 15 tot 44 jarige leeftijd.

* De kosten van dit geweld bedragen vele miljarden dollars voor gezondheidszorg, miljarden voor de economie (bijv. door absenteïsme), afgezien van de onberekenbare kosten in menselijke pijn en verdriet, hopeloosheid en vernedering.

* In het jaar 2000 stierf een geschatte 1,6 miljoen mensen als gevolg van geweld (hetgeen een voor leeftijd gecorrigeerd sterftecijfer van 28,8 per 100.000 bevolking oplevert). Het grootste deel van deze geweldsslachtoffers leefde in lage-lonen landen (beter bekend als de Derde Wereld). Bijna de helft van deze 1,6 miljoen doden kwam om het leven door zelfdoding, ongeveer een derde door moord en doodslag, en ongeveer een vijfde door oorlogsgerelateerd geweld. Dat mensen over het algemeen eerder geneigd zijn zichzelf te doden dan een ander is een op z’n minst opmerkelijke bevinding. Jonge mannen waren verantwoordelijk voor 77% van alle homicides, gemiddeld meer dan 3 maal, in sommige landen zelfs 16 maal, zoveel als vrouwen.

* De geweldscijfers variëren niet alleen met nationaal inkomen, maar ook met (continentale) regio, en zelfs binnen regio’s zijn er duidelijke verschillen per land.

* Deze cijfers vormen vrijwel zeker slechts het topje van de ijsberg. Niet-dodelijk fysiek en seksueel geweld gebeurt overal en dagelijks op een ongekende schaal maar vele malen meer dan het dodelijk geweld dat in de statistieken terecht komt.

*  Mannelijk geslacht en leeftijd (adolescentie, jong-volwassenheid) vormen sterke demografische risicofactoren (dit werd vele jaren geleden door Daly en Wilson al het ‘young male syndrome’ genoemd).

*  Agressief gedrag in de jeugdjaren is een goede predictor van later (adolescent, jong-volwassen) crimineel geweld.

*  Bij de meeste gewelddadige adolescenten blijft het geweld beperkt tot de adolescentie (dit zijn de zogeheten ‘adolescence-limited offenders’; dit in tegenstelling tot de carrièrecriminelen oftewel ‘life-course-persistent offenders’).

* Motivaties van jeugdig geweld zijn sensatie zoeken en ‘beetje rotzooi trappen’ (‘excitement, thrill-seeking’), wraak, toorn en woede, en reactie op provocatie, benevens meer instrumentele (utilitaire, min of meer rationele) motieven (bijv. bij roof en overval). Bij groepsgevechten raken jongens dikwijls betrokken door vrienden te hulp te komen of door provocatie van andere groepen. Groepsgevechten

escaleren vaak uit ‘onbeduidende’ kroegruzies en worden vaak met (vuur)wapens uitgevochten en leiden daardoor vaker tot verwonding of dood.

*  Alcohol wordt in het rapport beschouwd als een voorname onmiddellijke situationele factor die tot geweld kan leiden.

*  Persoonlijkheidsfactoren die bijdragen aan gewelddadigheid bij jongeren zijn o.a. hyperactiviteit, impulsiviteit, aandachtsproblemen, lage intelligentie en slechte schoolprestaties.

* Vermoed wordt dat deze deficiënties samenhangen met gestoorde executieve functies in de frontaalkwabben van de hersenen.

* Gezinsfactoren: slechte ouderlijke supervisie en lijfstraf (slaan) om kinderen te disciplineren, alsmede kindermishandeling en –verwaarlozing zijn sterke predictors van later gewelddadig en ander probleemgedrag. Een eenouder gezin en lage socio-economische status spelen eveneens een rol.

* Het hebben van criminele vrienden en omgaan met criminele leeftijdgenoten is geassocieerd met geweldscriminaliteit van jongeren, maar de omgekeerde relatie geldt eveneens.

* Het wonen in stedelijke gebieden en de aanwezigheid van gewelddadige bendes (gangs), en de beschikbaarheid van vuurwapens en drugs in de woonbuurt vormen een krachtig mengsel dat de geweldscriminaliteit bevordert.

* De sociale integratie en ‘sociaal kapitaal’ in een gemeenschap heeft grote invloed op de frequentie van geweldscriminaliteit van jongeren.

* Snelle demografische veranderingen in de jeugdpopulatie, modernisering, emigratie, urbanisatie en veranderend sociaal beleid zijn allemaal gecorreleerd met een toename van de geweldscriminaliteit van jongeren. Armoede heeft zich in de Derde Wereld steeds meer geconcentreerd in steden met een hoge bevolkingsgroei onder jongeren. Deze factoren leiden tot werkeloosheid en slechte wooncondities die op hun beurt weer leiden tot extreme frustratie, woede en opgekropte spanningen tussen jongeren. Als een gevolg hiervan wenden jongeren zich tot ‘kleine’ criminaliteit en gewelddadig gedrag, vooral onder invloed van leeftijdsgenoten.

* Onderzoek heeft ook verbanden gevonden tussen economische groei en inkomensongelijkheid enerzijds en crimineel geweld anderzijds.

* De kwaliteit van de regering van een land, in termen van een rechtelijk kader en beschermingsbeleid (politie, gevangenis, etc.) vormt een belangrijke determinant van geweld.

* Tenslotte kunnen culturele factoren, zoals normen en waarden die geweld als normaal gedrag bij het oplossen van conflicten voorstellen en ondersteunen, de totale hoeveelheid geweld in een maatschappij beïnvloeden. Geweld in de media heeft, volgens de meeste onderzoekers, een onmiddellijke invloed op het agressief gedrag van jongeren en heeft een nog onbekende lange-termijn invloed op geweld (bijv. gewenning).

 

Deze bevindingen met betrekking op het gewelddadig gedrag van jongeren gelden mutatis mutandis ook bij de andere geweldsvormen die in het rapport worden geanalyseerd zoals misbruik en verwaarlozing van kinderen en ouderen, seksueel geweld, zelf-doding, etc.

 

Vrouwenmishandeling en seksueel geweld

* De daders van seksueel misbruik van kinderen, meisjes zowel als jongens, zijn vrijwel uitsluitend mannen. Slachtoffers van misbruik vooral jongere jongens en meisjes in de puberteit. Ouders van misbruikte kinderen hebben veelal onrealistische voorstellingen van de ontwikkeling en mogelijkheden van hun kinderen en raken eerder geïrriteerd door het vervelende of ongehoorzame gedrag van de kinderen. Ouders die zelf zijn misbruikt in hun jeugd vertonen een hoog risico om hun eigen kinderen eveneens te misbruiken, maar dit is geen wet van Meden en Perzen. Volgens enkele onderzoekers is de meerderheid van de ouders die hun kinderen misbruiken zelf niet misbruikt. Ook bij deze vorm van geweld treffen we dezelfde sociaal-culturele en economische factoren aan die hierboven zijn besproken: armoede, werkeloosheid, lage scholing, sociale isolatie, etc.

* De hoofdstukken over geweld tegen intieme partners en seksueel geweld (verkrachting, gedwongen coïtus) zijn geheel toegespitst op vrouwen als slachtoffers en (alweer) mannen als daders, hoewel erkend wordt dat ook vrouwen in heteroseksuele relaties soms gewelddadig kunnen zijn en dat er ook geweld kan worden gebruikt in homoseksuele en lesbische relaties. Een van de voornaamste bevindingen van het rapport is dat lichamelijk geweld, seksueel geweld en psychisch geweld de neiging hebben samen te gaan. Er lijken zich twee patronen af te tekenen: (1) een ernstige en escalerende vorm van geweld, terreur, intimidatie en bedreigingen (het ‘battered woman’ syndroom); en (2) een gematigde vorm waarin frustratie en ergernis af en toe tot een uitbarsting van agressief gedrag komen (deze vorm is zo ‘normaal’ dat er wordt gesproken over common couple violence). Van alle vrouwen die slachtoffer zijn van moord en doodslag, is 40 tot 70% door de eigen echtgenoot of minnaar gedood (vrouwen gebruiken extreem geweld voornamelijk of uitsluitend uit zelfverdediging of bescherming van hun kinderen). Een bijzonder tragische variant is het geweld gepleegd om de ‘familie-eer’ te redden; een vrouw die door een man verkracht is wordt door haar eigen bloedverwanten uit de weg geruimd.

* In vrijwel alle traditionele samenlevingen is het aftuigen van vrouwen een ‘normaal’ recht van de echtgenoot/eigenaar ter afstraffing en disciplinering (en in veel gevallen zijn de vrouwen zelf het daarmee eens). De situaties die, wereldwijd, geweld tegen vrouwen uitlokken zijn o.a.:

(a) onvoldoende gehoorzaamheid en onderworpenheid; (b) het weigeren van seksuele diensten; en (c) seksuele ontrouw of alleen maar het vermoeden ervan. Veelal hebben mishandelde vrouwen gegronde redenen om hun mishandelende partners niet te verlaten; meestal zijn de alternatieven nog erger. Ook hier weer treffen we

dezelfde risicofactoren aan: jonge leeftijd van daders, laag inkomen of armoede, werkeloosheid, weinig scholing, lage socio-economische status, relatieve armoede in het gezin van afkomst, geweldsdelinquentie en vooral geweld in het gezin van afkomst. De ‘intergenerationele transmissie’ van geweld geldt ook hier, al wil dat natuurlijk niet zeggen dat elke man die mishandelt zelf mishandeld is (en omgekeerd). Vrouwenmishandeling en armoede gaan meestal ook samen. Andere hypothesen, zoals rigide geslachtsrollen, zijn nog onvoldoende onderbouwd.

* Seksueel geweld is universeel. In sommige landen is een op de vier vrouwen slachtoffer van seksueel geweld door een intieme partner en rapporteert eenderde van alle adolescente meisjes dat hun eerste seksuele ervaring afgedwongen was (veelal door verwanten of vrienden). Dood als gevolg van seksueel geweld is voornamelijk te wijten aan zelfdoding door schaamte en vernedering, HIV besmetting of moord ter verdediging van de ‘familie eer’.

*Verkrachting van zowel vrouwen als mannen fungeert dikwijls als oorlogsstrategie: een vorm van massaal geweld tegen de vijandige bevolking als teken van overwinning en verovering en de degradatie van de overwonnen slachtoffers. Verkrachting wordt in ontwikkelingslanden gebruikt als instrument om ‘zedeloze’ vrouwen te straffen en te disciplineren.

* Vrouwenbesnijdenis (clitoridectomie, faraonische circumcisie), vrouwenhandel en gedwongen prostitutie kunnen als meer structurele vormen van seksueel geweld worden beschouwd.

* Afgedwongen seks kan leiden tot seksuele lustbeleving en gratificatie van de dader, hoewel de onderliggende motivatie vaak (ook) de uitdrukking is van dominantie en macht over het slachtoffer (het radicaal-feministische dogma dat verkrachting nooit seksueel gemotiveerd is ondervindt in dit rapport geen steun).

* Volgens een nationaal onderzoek in de USA rapporteert 14,8% van alle meisjes en vrouwen boven de 17-jarige leeftijd ooit te zijn verkracht (met nog eens 2,8% die een verkrachtingspoging heeft meegemaakt).

* Groepsverkrachting (‘gang rape’ of ‘gang bang’) komt voor bij een van de tien (USA) tot een derde (Zuid Afrika) van alle verkrachtingen. De impact van groepsverkrachting is bijzonder traumatisch.

* Risicofactoren voor kwetsbaarheid voor seksueel geweld zijn: beschikbaarheid, huwelijkse staat of samenwonen, jonge leeftijd, alcohol of drugsgebruik, meerdere seksuele partners, prostitutie, en – alweer – armoede.

* Factoren die het plegen van verkrachting bevorderen zijn: alcohol en drugsgebruik, persoonlijkheidsfactoren zoals vrouwvijandigheid en de ideologie van ‘mannelijke superioriteit’, het idee dat vrouwen uitsluitend bestaan ter wille van de mannelijke lustbeleving en dat mannen te allen tijde recht hebben op seksuele bevrediging, de overperceptie van seksuele of erotische stimuli, preferentie voor onpersoonlijke seks, impulsiviteit en antisociale neigingen.

* Deelname aan groepsverkrachtingen is vaak een criterium voor ‘mannelijkheid’ in de groep of gang en heeft te maken met de status (dominantie, ‘respect’) binnen de groep.

 

Collectief geweld

* Het rapport onderkent de volgende vormen van collectief geweld:

(1) oorlogen, terrorisme en andere gewelddadige conflicten tussen en binnen staten; (2) staatsgeweld en –terreur zoals genocide, repressie, verdwijningen, martelingen en andere ernstige schendingen van de mensenrechten; en (3) georganiseerde misdaad zoals Maffia en drugkartels en oorlogen tussen criminele bendes. In de 20ste eeuw zijn er zo’n 109,7 miljoen doden gevallen als gevolg van collectief geweld, inclusief de beide wereldoorlogen, de stalinistische terreur, en de Grote Sprong Voorwaarts en Culturele Revolutie van maoïstisch China.

* Hoewel gewapende conflicten tussen staten nog steeds voorkomen (bijv. Iran-Irak, Eritrea-Ethiopië), vindt het merendeel van de gewapende conflicten in toenemende mate binnen staten plaats (en voornamelijk in de landen van de Derde Wereld).

* De risicofactoren voor collectief geweld zijn: (1) politieke factoren (gebrek aan democratische processen, ongelijke toegang tot politieke macht); (2) economische factoren (grote ongelijkheid in de verdeling van hulpbronnen en grondstoffen,

ongelijke toegang tot hulpbronnen, monopolisering van cruciale hulpbronnen, monopolisering van drugsproductie en drugshandel); (3) maatschappelijke en technologische factoren (ongelijkheid tussen groepen, groepsfanatisme volgens etnische, nationale of religieuze grenzen, de beschikbaarheid van kleine vuurwapens en ander wapentuig; (4) demografische factoren (snelle demografische veranderingen zoals in bevolkingsdichtheid en bevolkingsopbouw – grotere proportie jonge mannen – in combinatie met het onvermogen van de staat om voldoende scholing en werkgelegenheid te verschaffen.

 

Dit op een na laatste hoofdstuk bungelt er wat hulpeloos bij na de uitgebreide behandeling van alle vormen van interpersoonlijk geweld, en is duidelijk minder van kwaliteit – niet verwonderlijk gezien de enorme complexiteit van collectief geweld.

Kindermishandeling, misbruik van ouderen en suïcide/zelfverminking zijn hier niet verder aan bod gekomen, niet omdat ze oninteressant zijn maar simpelweg door plaatsgebrek. De dynamiek, motivatie en risicofactoren zijn grosso modo vergelijkbaar met de hier behandelde vormen van geweld.

 

Aanmerkingen en punten van kritiek

Ondanks de vele kwaliteiten van het rapport moeten toch enkele aanmerkingen en punten van kritiek worden genoemd. Om met de voornaamste kritiek te beginnen: het rapport wordt geheel gedomineerd door wat in de huidige evolutionaire psychologie en verwante evolutionair-geïnformeerde disciplines het Standaard Model van de Sociale Wetenschappen (SMSW) wordt genoemd. Dit SMSW is gebaseerd op onhoudbare veronderstellingen over de (on)natuur van de mens, zeg maar ‘de aard van het beestje’. Het SMSW tendeert naar de opvatting van het menselijk gedrag als ongelimiteerd plastisch, door omgeving en cultuur in model gekneed, en eveneens naar de opvatting van de samenleving als maakbaar en verbeterbaar. Dit SMSW is er verantwoordelijk voor dat er – paradoxaal genoeg – geen coherente, omvattende theorie van gewelddadig gedrag en agressie aan het rapport ten grondslag ligt. Dit wreekt zich op een groot aantal punten. Bijvoorbeeld, gedragsgenetica ontbreekt vrijwel volledig. De bevinding dat vrijwel alle vormen van menselijke agressie een grote heritabiliteit (h2) hebben lijkt onbekend bij de samenstellers van het rapport. Bij de persoonlijkheidsfactoren die tot gewelddadig gedrag bij jeugdigen kunnen bijdragen wordt ‘low heart rate’ genoemd (p. 32), maar niet de andere ‘biologische’ risicofactoren zoals lage serotoninespiegel en testosteron.

 

Chronisch gewelddadig agressief gedrag tengevolge van impulsiviteit, irritabiliteit, en explosiviteit (ontremming, episodic dyscontrol), voor het gemak te noemen 'impulsief geweld', wordt vergemakkelijkt door de volgende, tot nu toe geïdentificeerde,  'biologische’ factoren:

* Androgenen, in het bijzonder een hoge testosteronspiegel, en anabole steroïden bij jongens en mannen (bij vrouwen kan het zogenaamde 'premenstruele syndroom' tot grotere irritabiliteit leiden);

* Gezwellen (tumoren) en laesies (en andere diffuse neurotrauma's) in de hersenen, speciaal in het limbisch systeem (hypothalamus, amygdala), prefrontale en orbitofrontale cortex, en temporaalkwab;

* Lage serotoninespiegel (serotonine - of 5-hydroxytryptamine [5-HT] - is de voornaamste neurotransmitter van invloed op impulsiviteit en ontremming), en daarmee samenhangend een lage spiegel van het enzym mono-amino-oxydase (MAO);

* Lage glucose- of bloedsuikerspiegel;

* Verlaagde hartslag, huidweerstand, en cortisolspiegel in speeksel (een laag basaal cortisol niveau is aangetoond in meisjes en vrouwen met

antisociaal gedrag);

* Verhoogde noradrenalinespiegel;

* Psycho- of sociopathie (antisocial personality disorder);

* Paranoïde schizofrenie en ander psychopathologieën op organische (biochemische) basis;

* Subklinische vergiftiging door zware metalen, vooral lood (aangetoond bij gewelddadige delinquenten);

* Aanwezigheid van Conduct Disorder of Attention Deficit Hyperactivity Disorder (ADHD);

 

 Alcohol en andere drugs (zoals XTC) spelen een belangrijke ontremmende rol bij vrijwel alle vormen van gewelddadig gedrag (vooral 'zinloos' geweld).

 

Ook lijken de samenstellers van het rapport onbekend met het feit dat vele vormen van het geweld dat zij bestuderen ook bij andere organismen voorkomt en gemeenlijk door ethologen als adaptief wordt gezien. Verkrachting (geforceerde copulatie) bijvoorbeeld is beschreven bij tientallen diersoorten, van insecten tot primaten (zoals onze neef de orang-oetan), en wordt door evolutiebiologen als een alternatieve reproductieve strategie beschouwd. De implicaties hiervan voor de preventie van verkrachting bij de mens lijken niet tot de samenstellers van het rapport doorgedrongen. Ook de geslachtsverschillen bij de menselijke soort, vooral in seksueel en gewelddadig gedrag en disposities, zijn, net zoals bij andere (zoog)dieren, alleen vanuit een evolutionair (fylogenetisch) perspectief te begrijpen, in combinatie met de ontogenetische determinanten. Dit perspectief ontbreekt geheel, zoals al uit het SMSW valt af te leiden. Dit maakt de uitspraak "At the heart of sexual violence directed against women is gender inequality" (p. 174) uitermate dubieus. Sociobiologische (of evolutionair-psychologische) verklaringen van bepaalde soorten van geweld, zoals bijvoorbeeld gepresenteerd in het boek Homicide van Daly en Wilson (1988) bieden, mijns inziens, een beter en overtuigender inzicht in de mannelijke drijfveren dan de tamelijk oppervlakkige analyse van het rapport. Geconcludeerd kan worden dat meer dan honderd jaar na Darwin (1871) de sociale wetenschappen geheel onkundig lijken van diens seksuele selectie theorie.

Tenslotte moet mij van het hart dat de samenstellers van het rapport te weinig oog lijken te hebben voor het feit dat jongens en mannen bewust, intentioneel en uit vrije wil een gewelddadige criminele carrière kunnen kiezen. Zoals Samenow (1984) het al weer een tijd geleden uitdrukte: "Criminals cause crime – not bad neighborhoods, inadequate parents, television, school, drugs, or unemployment… Since the late nineteenth century, there has been a prevalent opinion that society is more to blame for crime than the criminal" (p. 6 en 11).

Deze laatste pertinente uitspraak lijkt ook nu nog opgeld te doen: alles en iedereen heeft weleens de schuld gehad aan gewelddadige misdaad behalve de dader zelf.

 

 

S